ECLI:NL:RBDHA:2026:3615

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
17 februari 2026
Publicatiedatum
24 februari 2026
Zaaknummer
C/09/694997 / JE RK 25-2004 en C/09/699431 / JE RK 26-238
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6.1.2 Jw
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Machtiging tot uithuisplaatsing minderjarige in gesloten en open jeugdhulpaccommodatie

De zaak betreft een verzoek van de gecertificeerde instelling tot machtiging voor uithuisplaatsing van een minderjarige met complexe problematiek. De kinderrechter had eerder de ondertoezichtstelling verlengd en een machtiging voor gesloten plaatsing verleend tot 2 maart 2026.

De gecertificeerde instelling verzoekt nu een trajectmachtiging voor een gesloten accommodatie van één maand, gevolgd door een machtiging voor plaatsing in een open accommodatie van een jeugdhulpaanbieder tot 2 december 2026. Dit is noodzakelijk vanwege de complexe problematiek van de minderjarige, die behoefte heeft aan een rustige, gestructureerde omgeving met vaste begeleiders.

De zitting vond plaats met gesloten deuren, waarbij de minderjarige, zijn advocaat, gedragswetenschapper en pedagogisch medewerker aanwezig waren. De moeder was niet aanwezig maar correct opgeroepen. De gedragswetenschapper en pedagogisch medewerker onderschrijven het verzoek en benadrukken dat de huidige plaatsing niet langer passend is.

De kinderrechter oordeelt dat de gesloten plaatsing noodzakelijk en geschikt is om de minderjarige te beschermen en de jeugdhulp te waarborgen. De trajectmachtiging wordt toegewezen met een maximale duur van één maand voor de gesloten plaatsing, waarna de open plaatsing volgt. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad en hoger beroep is mogelijk binnen drie maanden.

Uitkomst: Machtiging verleend voor gesloten uithuisplaatsing van één maand gevolgd door open uithuisplaatsing tot einde ondertoezichtstelling.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Jeugd- en Zorgrecht
Zaak I: C/09/694997 / JE RK 25-2004
Zaak II: C/09/699431 / JE RK 26-238
Datum uitspraak: 17 februari 2026
Beschikking van de kinderrechter over
Zaak I: Een machtiging tot uithuisplaatsing in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder; niets meer te beslissen
Zaak II: Trajectmachtiging tot uithuisplaatsing in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp en aansluitend een machtiging tot uithuisplaatsing in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder
in de zaak van
Stichting Jeugdbescherming west Zuid-Holland, gevestigd te Gouda,
hierna te noemen: de gecertificeerde instelling,
over
[de minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2011 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [de minderjarige] ,
advocaat mr. G.A. Nandoe Tewarie uit Den Haag.
De kinderrechter merkt als belanghebbende aan:
[de moeder],
hierna te noemen: de moeder,
wonende in [woonplaats] .
De kinderrechter merkt als informant aan:
Dr. [gedragswetenschapper], hierna te noemen: de gedragswetenschapper;
[pedagogisch medewerker], hierna te noemen: de pedagogisch medewerker (vanuit [instelling] ).

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 9 december 2025 de ondertoezichtstelling van [de minderjarige] verlengd tot 2 december 2026 en een machtiging verleend om [de minderjarige] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp tot 2 maart 2026. De kinderrechter heeft het verzoek voor het overige deel aangehouden.
1.2.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
  • de beschikking in zaak I van 9 december 2025 en de hierin genoemde stukken en de herstelbeschikking van 14 januari 2026;
  • het verzoekschrift in zaak II met bijlagen, ontvangen op 11 februari 2026.
1.3.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 17 februari 2026. Daarbij waren aanwezig:
  • [de minderjarige] met zijn advocaat;
  • [naam 1] en [naam 2] namens de gecertificeerde instelling;
  • de pedagogisch medewerker;
  • de gedragswetenschapper.
De moeder is niet verschenen. De kinderrechter stelt vast dat de moeder wel juist is opgeroepen.
1.4.
De kinderrechter heeft [de minderjarige] naar zijn mening gevraagd. [de minderjarige] heeft, voorafgaand aan de zitting en in het bijzijn van zijn advocaat en de pedagogisch medewerker, hierover een gesprek gevoerd met de kinderrechter. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [de minderjarige] heeft verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.

2.De feiten

2.1.
De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [de minderjarige] .
2.2.
[de minderjarige] verblijft bij [instelling] .

3.De verzoeken

Zaak I
3.1.
De gecertificeerde instelling heeft ter zitting aangegeven het aangehouden verzoek tot verlening van een machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder te verlenen voor de duur van de ondertoezichtstelling niet te handhaven.
Zaak II
3.2.
De gecertificeerde instelling verzoekt een machtiging te verlenen om [de minderjarige] uit huis te plaatsen in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp voor de duur van één maand en aansluitend een machtiging tot uithuisplaatsing in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder te verlenen voor de duur van de ondertoezichtstelling. De gecertificeerde instelling verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. De gecertificeerde instelling heeft het verzoek, samengevat en zakelijk weergegeven, als volgt gemotiveerd.
3.3.
Bij [de minderjarige] is sprake van complexe problematiek waardoor hij een verhoogde opvoedvraag heeft. Hij verblijft al een lange tijd bij [instelling] maar er wordt gezien dat een plaatsing in deze omgeving niet passend is voor [de minderjarige] . [de minderjarige] heeft behoefte aan structuur en is sterk afhankelijk van de externen om zich heen. Hij heeft moeite met alle prikkels op de groep. De gecertificeerde instelling is al geruime tijd op zoek naar een passende plek voor [de minderjarige] . Een plaatsing bij ASVZ is passend om tegemoet te komen aan de ingewikkelde hulpvraag van [de minderjarige] . Echter is hier op dit moment geen plek en is onbekend wanneer dit wel het geval zal zijn. De gecertificeerde instelling heeft zowel binnen- als buitenregionaal gezocht naar een passende zorgaanbieder waar [de minderjarige] zou kunnen verblijven ter overbrugging, maar door zijn complexe problematiek die gepaard gaat met agressie kan hij hier niet terecht. De situatie leidt tot uitzichtloosheid bij [de minderjarige] , wat zijn hechtingsproblematiek en agressie verergert en zorgt voor nieuwe trauma’s. De gecertificeerde instelling heeft daarom in samenspraak met de gemeente geprobeerd een constructie op te stellen om het ontbrekende passende zorgaanbod voor [de minderjarige] te compenseren. Op dit moment is er een mogelijkheid om [de minderjarige] op te vangen bij DVG dienstverlening. Zij kunnen zorg op maat leveren en [de minderjarige] opvangen in een vakantiehuisje. [de minderjarige] heeft een rustige omgeving nodig met weinig prikkels en vaste begeleiders, zodat hij de ruimte krijgt om te stabiliseren en vanuit die rust behandeling aan te gaan. Dit vergroot de kans op doorplaatsing naar een passende groep en geeft ASVZ de tijd om te onderzoeken binnen welke termijn zij plek hebben voor [de minderjarige] . De begeleiding zal bestaan uit een team van zeven zorgprofessionals waaronder twee oude begeleiders die [de minderjarige] al kent. Ook zal een gedragswetenschapper betrokken zijn. Op het moment van de zitting heeft de gemeente aan de gecertificeerde instelling laten weten dat het 90% zeker is dat de plaatsing kan plaatsvinden. Aan het einde van de dag zal hier volledige zekerheid over zijn. [de minderjarige] zal dan op 24 februari 2026 hier al terecht kunnen. Om [de minderjarige] de kans te geven om op de nieuwe locatie te wennen en om te zorgen dat er geen onduidelijkheid of onzekerheid is rondom zijn plaatsing, is een trajectmachtiging, waarbij [de minderjarige] nog maximaal een maand extra bij [instelling] kan verblijven, noodzakelijk.

4.De standpunten

4.1.
Er is door en namens [de minderjarige] ingestemd met het verzoek. [de minderjarige] wordt belast door de onrust op de groep waar hij verblijft en is blij dat hij op zeer korte termijn naar een passende plek kan gaan. Een machtiging tot gesloten plaatsing van een maand geeft [de minderjarige] de ruimte om rustig te kunnen wennen aan de nieuwe omgeving en aan zijn begeleiders. Het is fijn dat [de minderjarige] nu duidelijkheid en perspectief krijgt.
4.2.
De gedragswetenschapper heeft [de minderjarige] voorafgaand aan de zitting gezien en gesproken. De gedragswetenschapper stemt in met een gesloten plaatsing van [de minderjarige] voor de duur van één maand en verklaart dat het verblijf in [instelling] voor deze duur nog noodzakelijk en geschikt is. [de minderjarige] heeft een grote groei in zijn ontwikkeling doorgemaakt in de afgelopen periode en hij is eraan toe om de volgende stap te maken. Het is fijn voor hem dat er nu zicht is op een plek die passend voor hem is en waar hij tot rust kan komen, zonder te worden getriggerd. De gedragswetenschapper vindt het een goed plan dat [de minderjarige] de tijd krijgt om de wennen aan de nieuwe plek, zodat hij geen extra (tijds)druk ervaart over de plaatsing.
4.3.
Desgevraagd heeft de pedagogisch medewerker naar voren gebracht dat [instelling] niet langer een passende plek is voor [de minderjarige] . Door alle ruis die een plaatsing bij [instelling] met zich mee kan brengen, zoals onrust en wisselingen bij medebewoners op de groep en veranderingen in de personeelssamenstelling, kan [de minderjarige] niet de opvoedomgeving krijgen die hij nodig heeft en die hij verdient. [de minderjarige] heeft nog steeds fases waarin hij het moeilijk heeft, maar het lukt hem steeds beter de momenten te herkennen waarin spanningen hoog bij hem oplopen en om hier dan iets aan te doen. [de minderjarige] wordt belast door onduidelijkheid en door onzekerheid over zijn perspectief en het is dus erg positief dat deze plek voor hem gevonden is. [de minderjarige] is er echter nog niet. Hij zal door zijn problematiek altijd spanningen blijven ervaren en het is in zijn belang noodzakelijk dat hij hiermee aan de slag blijft gaan.

5.De beoordeling

Zaak I
5.1.
De gecertificeerde instelling heeft ter zitting aangegeven het resterende gedeelte van het aangehouden verzoek, met het oog op het nieuwe verzoek dat door hen is gedaan, niet te handhaven. De kinderrechter constateert daarom dat zij in de onderhavige zaak geen beslissing meer hoeft te nemen.
Zaak II
5.2.
De kinderrechter is van oordeel dat jeugdhulp noodzakelijk is in verband met ernstige opgroei- of opvoedingsproblemen die de ontwikkeling van [de minderjarige] naar volwassenheid ernstig belemmeren. Deze problemen maken dat het verblijf in een gesloten accommodatie noodzakelijk en geschikt is om te voorkomen dat [de minderjarige] zich onttrekt aan de jeugdhulp die hij nodig heeft of daaraan door anderen wordt onttrokken. Het is niet gebleken dat er minder ingrijpende mogelijkheden zijn om deze problemen te behandelen. [1]
5.3.
Daartoe overweegt de kinderrechter dat al geruime tijd duidelijk is dat de plaatsing bij [instelling] niet langer passend is voor [de minderjarige] en niet geschikt is om te voorzien in zijn complexe opvoedvraag. Echter is er nog steeds geen zicht op wanneer [de minderjarige] bij de perspectiefbiedende plek bij ASVZ terecht kan. Ondanks grote inspanning van de betrokken jeugdbeschermer is het hiernaast tot nu toe nog niet gelukt om een plaats voor [de minderjarige] te vinden waar hij de zorg en begeleiding kan krijgen die hij verdient. Het is daarom zeer positief dat de gecertificeerde instelling samen met de gemeente een constructie heeft kunnen realiseren waarbij zorg op maat voor [de minderjarige] kan worden geleverd. Ter zitting is gebleken dat het verzoek van de gecertificeerde instelling breed wordt gedragen. Alle betrokkenen gunnen het [de minderjarige] dat hij in alle rust kan wennen aan zijn nieuwe omgeving en begeleiders, om zich daarna volop te kunnen focussen op zijn eigen ontwikkeling. De kinderrechter sluit zich hierbij aan bij de pedagogisch medewerker dat het erg verdrietig is voor [de minderjarige] dat hij door alle ruis die gepaard ging met de gesloten plaatsing niet de opvoedomgeving heeft gekregen die hij verdient en die hij nodig heeft om zich zo optimaal mogelijk te ontwikkelen. [de minderjarige] zal door zijn problematiek naar alle waarschijnlijkheid altijd moeite houden met het verwerken van spanningen en het reguleren van zijn emoties. De kinderrechter gunt het hem dat hij hier op de nieuwe plek in alle rust, en met de voor hem noodzakelijke stabiliteit en perspectief, aan kan werken.
5.4.
Daarom acht de kinderrechter het afgeven van een trajectmachtiging het meest in het belang van [de minderjarige] . De trajectmachtiging biedt de mogelijkheid om invulling te geven aan de overplaatsing van [de minderjarige] na de gesloten plaatsing, die zo kort mogelijk dient te duren, naar de open setting. De kinderrechter zal de trajectmachtiging toewijzen tot 2 december 2026, met een maximum van één maand voor de gesloten plaatsing. Als [de minderjarige] aangeeft klaar te zijn voor de overplaatsing en hij bij het vakantiehuisje terecht kan, dan vervalt de machtiging voor de gesloten plaatsing met ingang van de datum dat van de aansluitende plaatsing in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder gebruik wordt gemaakt.

6.De beslissing

De kinderrechter:
Zaak I
6.1.
stelt vast dat er niets meer te beslissen valt;
Zaak II
6.2.
verleent een machtiging om [de minderjarige] uit huis te plaatsen in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp met ingang van 2 maart 2026 tot 2 april 2026;
6.3.
verleent aansluitend een machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder met ingang van 2 april 2026 tot 2 december 2026;
6.4.
bepaalt dat de machtiging tot uithuisplaatsing in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp vervalt met ingang van de datum waarop de machtiging tot uithuisplaatsing in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder ten uitvoer wordt gelegd.
6.5.
verklaart deze beschikking onder 6.2 uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 17 februari 2026 door mr. N.B. Haverhoek, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. M. van Leeuwen als griffier, en op schrift gesteld op 20 februari 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Voetnoten

1.Artikel 6.1.2, tweede lid, Jeugdwet (Jw).