ECLI:NL:RBDHA:2026:3623

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
3 februari 2026
Publicatiedatum
24 februari 2026
Zaaknummer
C/09/694303 / JE RK 25-1906
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
  • M. de Kleine
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7 Verordening (EU) nr. 2019/1111Art. 15 Haags Kinderbeschermingsverdrag 1996Art. 6.1.2 Jeugdwet
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Machtiging gesloten jeugdhulp voor minderjarige met complexe problematiek

De kinderrechter heeft op 3 februari 2026 besloten de machtiging voor gesloten jeugdhulp voor een minderjarige te verlengen tot 11 mei 2026. De minderjarige, geboren in 2011, vertoont een wisselend gedragspatroon maar maakt positieve ontwikkelingen door sinds zijn terugkeer bij een zorginstelling. De gecertificeerde instelling verzoekt de verlenging om de minderjarige zorgvuldig voor te bereiden op een overplaatsing naar een open groep gespecialiseerd in jongeren met een forensische achtergrond.

Tijdens de zitting werd duidelijk dat de minderjarige gemotiveerd is en perspectief ziet in de open setting. De kinderrechter benadrukt dat gesloten plaatsing een laatste redmiddel is en dat de overplaatsing zo spoedig mogelijk moet plaatsvinden zodra een plek beschikbaar is. De schorsingsvoorwaarde van de avondklok wordt aangepast om de overgang te faciliteren.

De kinderrechter oordeelt dat de gesloten plaatsing noodzakelijk is vanwege ernstige opgroei- en opvoedingsproblemen die de ontwikkeling van de minderjarige belemmeren. Er zijn geen minder ingrijpende alternatieven beschikbaar. De voogdij berust bij de gecertificeerde instelling, waardoor een ondertoezichtstelling niet vereist is. Tegen deze beschikking is hoger beroep mogelijk binnen drie maanden na uitspraak.

Uitkomst: Machtiging voor gesloten jeugdhulp verlengd tot 11 mei 2026 ter voorbereiding op overplaatsing naar open setting.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Jeugd- en Zorgrecht
Zaaknummer: C/09/694303 / JE RK 25-1906
Datum uitspraak: 3 februari 2026
Beschikking van de kinderrechter over een machtiging gesloten jeugdhulp
in de zaak van
Leger des Heils Jeugdbescherming en Reclassering, gevestigd te Rotterdam,
hierna te noemen: de gecertificeerde instelling,
over
[minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2011 in [geboorteland] ,
hierna te noemen: [minderjarige] ,
advocaat mr. J. Looman uit Wassenaar.
De kinderrechter merkt als informant aan:
[behandelaar], behandelcoördinator en behandelaar van [minderjarige] bij [zorginstelling 1] ,
hierna te noemen: de behandelaar van [minderjarige] .

1.Het verdere verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 11 november 2025 een machtiging verleend [minderjarige] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp tot 11 februari 2026 en het verzoek voor het overige deel aangehouden.
1.2.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- de beschikking van 11 november 2025 en de hierin genoemde stukken;
  • de schriftelijke update van de gecertificeerde instelling met bijlagen van 23 januari 2026;
  • de instemmende verklaring van de gedragswetenschapper van 3 februari 2026.
1.3.
Op 6 februari 2026 heeft de kinderrechter de zitting met gesloten deuren voortgezet. Daarbij waren aanwezig:
- [minderjarige] met zijn advocaat;
  • [naam 1] , namens de gecertificeerde instelling, via telefonische verbinding;
  • de behandelaar van [minderjarige] ;
  • [naam 2] , de begeleider van [minderjarige] , als toehoorder.
1.4.
De kinderrechter heeft [minderjarige] naar zijn mening gevraagd. [minderjarige] heeft hierover, voorafgaand aan de zitting en in het bijzijn van zijn advocaat, een gesprek gevoerd met de kinderrechter. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [minderjarige] heeft verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.

2.De feiten

2.1.
De kinderrechter verwijst voor een weergave van de feiten naar de beschikking van 11 november 2025.

3.Het verzoek

3.1.
De gecertificeerde instelling handhaaft haar verzoek en verzoekt een machtiging te verlenen om [minderjarige] uit huis te plaatsen in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp voor de resterende duur van drie maanden. De gecertificeerde instelling heeft het verzoek, samengevat en zakelijk weergegeven, als volgt gemotiveerd.
3.2.
Hoewel [minderjarige] in de afgelopen maanden een wisselend beeld heeft laten zien in zijn gedrag, een periode in de [instelling] heeft verbleven en ook na zijn terugkeer bij [zorginstelling 1] veelvuldig is weggelopen, wordt ook gezien dat hij in de afgelopen weken kleine positieve stappen heeft gezet en dat het beter met hem gaat. [minderjarige] had behoefte aan perspectief en wil het liefst overgeplaatst worden naar een open groep. Omdat werd gezien dat [minderjarige] niet meer wegliep, stappen maakte in zijn ontwikkeling en rustiger was in het contact met de betrokken hulpverleners en de betrokken jeugdbeschermer, heeft de gecertificeerde instelling een passende plek voor hem kunnen vinden in een open setting bij [zorginstelling 2] . Dit is een groep die gespecialiseerd is in jongeren met een forensische achtergrond. [minderjarige] kan hier naar alle waarschijnlijkheid halverwege maart terecht, mits het lukt de financiering rond te krijgen. De gecertificeerde instelling is verder druk bezig met het regelen van een Burgerservicenummer voor [minderjarige] , zodat de noodzakelijke documentatie voor hem kan worden aangevraagd. De voortzetting van de machtiging tot gesloten plaatsing van [minderjarige] voor de duur van drie maanden is noodzakelijk ter overbrugging om [minderjarige] gedegen voor te bereiden en zorgvuldig toe te werken naar zijn overplaatsing naar de open setting, zodat zijn overplaatsing succesvol kan verlopen.

4.De standpunten

4.1.
Er is door en namens [minderjarige] naar voren gebracht dat hij erg blij is met zijn overplaatsing naar de open setting van Vittaa, maar dat hij een gesloten machtiging voor de duur van drie maanden nog wel erg lang vindt. Hij hoopt dat de overplaatsing zo snel mogelijk geregeld kan worden, en dat hij tot die tijd zo veel mogelijk vrijheden bij [zorginstelling 1] heeft.
4.2.
De behandelaar van [minderjarige] heeft ter zitting naar voren gebracht dat [minderjarige] van ver is gekomen en dat hij op dit moment een goede ontwikkeling doormaakt. Het verkrijgen van perspectief is heel belangrijk voor hem. [minderjarige] is gemotiveerd door het vooruitzicht van een plaatsing in de open setting. In de komende periode zal [minderjarige] worden voorbereid op zijn overplaatsing naar de open groep, door op [zorginstelling 1] alvast te oefenen met de vrijheden en regels die ook gelden bij [zorginstelling 2] .

5.De beoordeling

Absolute bevoegdheid
5.1.
Aangezien de gewone verblijfplaats van [minderjarige] ten tijde van de indiening van
het verzoek zich in Nederland bevindt, is de Nederlandse rechter bevoegd te beslissen op het
verzoek van de gecertificeerde instelling op grond van artikel 7 van Pro de Verordening (EU) nr.
2019/1111 (Brussel II-ter) en is het Nederlands recht van toepassing op grond van artikel 15
van het Haags Kinderbeschermingsverdrag van 1996.
Inhoudelijke beoordeling
5.2.
De kinderrechter is van oordeel dat jeugdhulp noodzakelijk is in verband met ernstige opgroei- of opvoedingsproblemen die de ontwikkeling van [minderjarige] naar volwassenheid ernstig belemmeren. Deze problemen maken dat het verblijf in een gesloten accommodatie noodzakelijk en geschikt is om te voorkomen dat [minderjarige] zich onttrekt aan de jeugdhulp die hij nodig heeft of daaraan door anderen wordt onttrokken. Het is niet gebleken dat er minder ingrijpende mogelijkheden zijn om deze problemen te behandelen. [1]
5.3.
De kinderrechter overweegt daartoe als volgt. [minderjarige] is een veertienjarige jongen met een zeer belast verleden en complexe problematiek. [minderjarige] heeft een periode verbleven in de [instelling] en is op 20 januari 2026 teruggekeerd bij [zorginstelling 1] . [minderjarige] lijkt sinds zijn terugkeer bij [zorginstelling 1] een positieve ontwikkeling te hebben doorgemaakt. Uit hetgeen ter zitting is besproken en uit het gesprek met [minderjarige] begrijpt de kinderrechter dat [minderjarige] zich heeft opengesteld voor de betrokken hulpverleners, begeleiders en jeugdbeschermer. Ook is hij niet meer weggelopen van [zorginstelling 1] . [minderjarige] heeft sterk de behoefte aan perspectief en wil graag in een open setting wonen. De betrokken jeugdbeschermer heeft zich hiervoor ingezet en een passende plek voor hem gevonden, waar hij halverwege maart terecht zou kunnen. [minderjarige] lijkt door deze mogelijke plaatsing motivatie te hebben gevonden zich op een positieve manier in te zetten voor zijn toekomst en om de plaatsing te laten slagen, wat erg knap van hem is. De kinderrechter is van oordeel dat door alle betrokkenen, waaronder [minderjarige] , alles op alles gezet moet worden om deze plaatsing mogelijk te maken. Het is hierbij van belang dat [minderjarige] de komende periode zo goed mogelijk kan oefenen met de regels en vrijheden die hem bij de open setting van [zorginstelling 2] geboden zullen worden, en dat [zorginstelling 1] dit dan ook zal faciliteren. Hierbij is ook van belang dat de schorsingsvoorwaarde van de avondklok, die bij bevel van de raadkamer van 20 januari 2026 is opgelegd, wordt aangepast. En hoewel de kinderrechter begrijpt dat de gemeente niet over onbeperkte middelen beschikt voor het financieren van hulpverlening aan jongeren, zou het onacceptabel zijn als [minderjarige] langer gesloten geplaatst zou moeten blijven omdat zijn plaatsing bij [zorginstelling 2] niet gefinancierd kan worden. Een gesloten plaatsing is immers een laatste redmiddel en dient voor een zo kort mogelijke periode te worden toegewezen, waarvoor ook de gemeente zich dient in te spannen.
5.4.
Omdat er pas half maart plek is voor [minderjarige] bij Viitaa en er op dit moment geen andere passende plek is waar hij kan verblijven, machtigt de kinderrechter de gecertificeerde instelling om [minderjarige] uit huis te plaatsen in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp voor de resterende duur van drie maanden. De kinderrechter hecht eraan te benadrukken dat wanneer de machtiging van drie maanden niet langer noodzakelijk is en [minderjarige] eerder kan worden overgeplaatst, deze overplaatsing uiteraard zo spoedig mogelijk moet plaatsvinden.
5.5.
Omdat de voogdij over [minderjarige] bij de gecertificeerde instelling berust, is een ondertoezichtstelling van [minderjarige] niet vereist. [2]

6.De beslissing

De kinderrechter:
6.1.
verleent een machtiging om [minderjarige] uit huis te plaatsen in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp met ingang van 11 februari 2026 tot 11 mei 2026.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 3 februari 2026 door mr. M. de Kleine, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. M. van Leeuwen als griffier, en op schrift gesteld op 23 februari 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Voetnoten

1.Artikel 6.1.2, tweede lid, Jeugdwet (Jw).
2.Artikel 6.1.2, derde lid, onder b, Jw.