Uitspraak
Rechtbank den haag
verdachte,
Rechtbank Den Haag
In deze zaak heeft de meervoudige verschoningskamer van de rechtbank Den Haag op 11 februari 2026 een verzoek tot verschoning van een rechter behandeld. De rechter die belast was met de hoofdzaak diende het verzoek in omdat een procespartij deel uitmaakt van zijn zakelijke kennissenkring.
De kamer overwoog dat hoewel rechters worden vermoed onpartijdig te zijn, uitzonderlijke omstandigheden zoals een zakelijke relatie met een partij aanleiding kunnen geven tot een terechte vrees voor vooringenomenheid. Ook de uiterlijke schijn van partijdigheid speelt hierbij een rol.
Gezien de aangevoerde omstandigheden achtte de kamer het verzoek terecht en wees het toe om de schijn van partijdigheid te vermijden. De behandeling van de hoofdzaak zal daarom worden voortgezet door een andere rechter, waarbij de procedure wordt voortgezet in de stand waarin deze zich bevond op het moment van het verzoek.
Een afschrift van deze beslissing wordt toegezonden aan de betrokken partijen en de rechter zelf.
Uitkomst: Het verzoek tot verschoning van de rechter wordt toegewezen en de hoofdzaak wordt voortgezet door een andere rechter.