ECLI:NL:RBDHA:2026:3681
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening+bodemzaak
- Rechtspraak.nl
Belangenafweging bij afwijzing verblijfsvergunning familie- of gezinslid met cerebrale parese
Eiser, een Keniaanse jongvolwassene met cerebrale parese, vroeg een verblijfsvergunning regulier aan voor verblijf als familie- of gezinslid bij zijn moeder in Nederland. De minister wees de aanvraag af, stellende dat eiser niet voldeed aan het mvv-vereiste en dat de belangenafweging op grond van artikel 8 EVRM Pro in het nadeel van eiser uitviel. De minister vond dat er geen objectieve belemmeringen waren om het gezinsleven in Kenia voort te zetten en dat de banden met Kenia sterker waren dan met Nederland.
De rechtbank oordeelde dat de minister een verkeerd criterium hanteerde door te spreken van 'zeer bijzondere omstandigheden' en dat het restrictief toelatingsbeleid geen zelfstandig belang is dat meegewogen moet worden. Ook was onduidelijk tegen welk staatsbelang het belang van eiser werd afgewogen. Belangrijke elementen zoals de zorgafhankelijkheid van eiser vanwege zijn cerebrale parese, de mantelzorg van zijn moeder, het vrijwilligerswerk en de economische bijdrage van de moeder, en de familiebanden in Nederland werden onvoldoende betrokken.
De rechtbank concludeerde dat de belangenafweging niet evenwichtig en onvoldoende gemotiveerd was, waardoor het besluit in strijd is met het zorgvuldigheids- en motiveringsbeginsel. Het bestreden besluit werd vernietigd en de minister werd opgedragen binnen zes weken een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak. Het verzoek om een voorlopige voorziening werd afgewezen. De minister werd veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten aan eiser.
Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en het besluit tot afwijzing van de verblijfsvergunning wordt vernietigd wegens een onvoldoende evenwichtige belangenafweging.