ECLI:NL:RBDHA:2026:3696

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
9 januari 2026
Publicatiedatum
25 februari 2026
Zaaknummer
NL25.38990
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8 EVRMArt. 3.6a VbbeArt. 4 DefinitierichtlijnArt. 29 VwArt. 31, zesde lid, onder b, c en d Vw
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging besluit over reguliere verblijfsvergunning op grond van artikel 8 EVRM wegens onvoldoende motivering

Eiser, een 44-jarige man van Wit-Russische nationaliteit, verzocht om een verblijfsvergunning asiel na een oproep tot militaire dienst in juni 2024. Verweerder wees de aanvraag af wegens onvoldoende geloofwaardigheid van de oproep tot mobilisatie en het ontbreken van een verschoonbare reden voor het niet overleggen van het originele document.

De rechtbank oordeelde dat verweerder terecht de samenwerkingsverplichting had nageleefd en dat eiser onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat hij daadwerkelijk gemobiliseerd zou worden, mede gelet op actuele landeninformatie waaruit blijkt dat alleen mannen tussen 18 en 27 jaar worden opgeroepen.

Ten aanzien van de reguliere verblijfsvergunning op grond van artikel 8 EVRM Pro stelde eiser dat hij getrouwd is met een Nederlandse vrouw en overlegde hij een originele huwelijksakte. De rechtbank vond dat verweerder onvoldoende had gemotiveerd waarom het bestaan van gezinsleven niet aannemelijk werd geacht, ondanks de positieve echtheidsbeoordeling van de huwelijksakte en overgelegde foto’s.

De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond voor het asieldeel, maar gegrond voor het deel over de reguliere verblijfsvergunning, vernietigde het bestreden besluit voor dat onderdeel en droeg verweerder op binnen zes weken een nieuw besluit te nemen. Tevens werden proceskosten aan eiser toegekend.

Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard voor de asielaanvraag en gegrond voor de reguliere verblijfsvergunning op grond van artikel 8 EVRM, waarbij het besluit wordt vernietigd wegens onvoldoende motivering.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
Zaaknummer: NL25.38990
[V-Nummer]

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] ,

geboren op [geboortedag] 1981, van Belarussische nationaliteit, eiser
(gemachtigde: mr. S.L. Sarin),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. G. Erdal).

Inleiding

1. Bij het besluit van 12 augustus 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd afgewezen als ongegrond. Ook heeft verweerder geen verblijfsvergunning regulier op grond van artikel 8 van Pro het EVRM [1] aan eiser verleend.
1.1.
Hiertegen heeft eiser beroep ingesteld.
1.2.
De rechtbank heeft het beroep op 15 december 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigden van beide partijen en mevrouw A. Avakyan-Gouloyan als tolk in de Russische taal.

Beoordeling van de rechtbank

Achtergrond
2. Eiser heeft de Belarussische nationaliteit en is 44 jaar. Hij heeft op 11 oktober 2024 een aanvraag ingediend voor de verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd.
2.1.
Eiser heeft – kort samengevat – het volgende aan zijn asielrelaas ten grondslag gelegd. Hij is gevlucht uit Belarus nadat hij in juni 2024 een oproep tot mobilisatie kreeg. Daarna is er tweemaal een rekruteringsofficier aan zijn deur verschenen. Hij heeft geen gehoor gegeven aan deze oproep, vreest bij terugkeer gemobiliseerd te worden en vreest ingezet te worden in het conflict in Oekraïne of bij weigering van de dienstplicht gevangengenomen te worden.
Het bestreden besluit
3. Het asielrelaas van eiser bevat volgens verweerder de volgende asielmotieven:
1. identiteit, nationaliteit en herkomst;
2. oproep tot mobilisatie.
3.1.
Verweerder acht de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser geloofwaardig. Verweerder acht niet geloofwaardig dat eiser is opgeroepen tot mobilisatie. Eiser heeft dit asielmotief niet volledig onderbouwd met objectieve documenten. Verweerder ziet geen reden om dit asielmotief toch geloofwaardig te achten, omdat eiser niet voldoet aan de voorwaarden van artikel 31, zesde lid, onder b, c en d, van de Vw [2] . Eiser heeft namelijk geen verschoonbare reden gegeven waarom hij het origineel van de mobilisatieoproep niet heeft overgelegd. Daarnaast vormen de verklaringen van eiser geen samenhangend en aannemelijk geheel. Eiser heeft namelijk wisselend verklaard over wanneer de rekruteringsofficier langs is geweest. Ook acht verweerder de verklaringen van eiser over zijn uitreis uit Belarus niet aannemelijk. Tot slot is het volgens verweerder weinig plausibel dat eiser, gelet op zijn leeftijd, zal worden opgeroepen voor militaire dienst en dat hij vervolgens zal worden ingezet voor gevechtsacties in Oekraïne.
Samenwerkingsverplichting
Standpunt eiser
4. Eiser meent dat verweerder, naar aanleiding van de ingebrachte oproep tot mobilisatie, nader onderzoek had moeten doen naar de situatie in Belarus in het kader van de samenwerkingsverplichting. Verweerder heeft zich in het bestreden besluit gebaseerd op onvoldoende actuele landeninformatie, namelijk het algemene ambtsbericht over Belarus van 6 december 2021. Het ambtsbericht dateert namelijk van voor de Russische inval in Oekraïne en volgens eiser is de situatie in Belarus sindsdien sterk veranderd.
Oordeel van de rechtbank
4.1.
Op grond van artikel 4, eerste lid, van de Definitierichtlijn [3] mogen lidstaten van de vreemdeling verlangen dat hij alle elementen ter staving van het verzoek om internationale bescherming zo spoedig mogelijk indient, maar ook dat op de lidstaat de taak rust om de relevante elementen van het verzoek in samenwerking met de verzoeker te beoordelen (ook wel genoemd “de samenwerkingsverplichting”). De rechtbank is van oordeel dat verweerder in dit geval heeft voldaan aan de samenwerkingsverplichting. Het is in eerste instantie aan eiser om zijn vrees voor vervolging vanwege mobilisatie aannemelijk te maken. Eiser heeft enkel een foto overgelegd van zijn oproep tot mobilisatie. Los van wat eiser stelt over de situatie in Belarus, geeft hij geen enkel aanknopingspunt waarmee hij zijn vrees kan onderbouwen. Verweerder heeft daarentegen in de besluitvorming verwezen naar een aantal actuele nieuwsartikelen en naar de huidige wet over de militaire dienstplicht van Belarus, die een ander beeld schetsen dan wat eiser stelt. Hieruit volgt dat enkel mannen in de leeftijd van 18 tot en met 27 jaar worden opgeroepen voor militaire dienst. Daarnaast blijkt uit deze landeninformatie dat hoewel Belarus zijn militaire aanwezigheid langs de grens met Oekraïne heeft versterkt, niet is gebleken dat Belarus daadwerkelijk is betrokken bij gevechtsacties in Oekraïne. Eiser heeft hier geen landeninformatie tegenover gezet waaruit iets blijkt, terwijl dit wel van hem had mogen worden verwacht. Eiser heeft daarom zijn standpunt onvoldoende aannemelijk gemaakt. De beroepsgrond dat verweerder de samenwerkingsverplichting heeft geschonden slaagt dan ook niet.
Oproep tot mobilisatie
Standpunt eiser
5. Eiser voert aan dat hij vrees heeft voor vervolging vanwege een oproep voor mobilisatie die aan hem is uitgevaardigd. Eiser heeft in beroep een foto van de oproep overgelegd en heeft verklaard dat het te gevaarlijk was voor hemzelf of zijn vrouw om het originele document mee te nemen vanuit Belarus naar Nederland. Het document kan volgens eiser ook niet per post worden verstuurd, omdat de autoriteiten van Belarus de post controleren; de oproep zal dan ook niet aankomen in Nederland. Daarnaast voert eiser aan dat verweerder onvoldoende gewicht heeft toegekend aan de fotoscan van de oproep. Dit document moet in samenhang met het asielrelaas worden beoordeeld.
Oordeel van de rechtbank
5.1.
De rechtbank stelt vast dat eiser geen originele mobilisatieoproep heeft overgelegd, maar in beroep enkel een fotoscan van de gestelde oproep heeft overgelegd. De rechtbank is van oordeel dat verweerder aan eiser heeft kunnen tegenwerpen dat hij de originele mobilisatieoproep niet heeft overgelegd. Verweerder heeft zich namelijk niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat eiser geen verschoonbare reden heeft gegeven voor het niet overleggen van het originele document. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat de Belarussische autoriteiten de post controleren, dan wel dat hij of zijn vrouw bij uitreis uit Belarus een reëel risico lopen om te worden gecontroleerd op meegebrachte poststukken.
5.2.
De rechtbank is verder van oordeel dat verweerder zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat een kopie niet op echtheid kan worden gecontroleerd en dat dit document, bezien in samenhang met de verklaringen van eiser, geen aanleiding had hoeven geven om de mobilisatie van eiser toch geloofwaardig te achten. Verweerder heeft zich namelijk in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat eiser niet samenhangend en aannemelijk over zijn vrees voor mobilisatie heeft verklaard. Verweerder heeft in dit kader niet ten onrechte tegengeworpen dat eiser wisselend heeft verklaard over het moment waarop de rekruteringsofficier is langs geweest. Dit heeft eiser in beroep ook niet bestreden. Verweerder heeft ook kunnen tegenwerpen dat eiser niet aannemelijk heeft verklaard over zijn uitreis uit Belarus. Eiser heeft op de zitting toegelicht dat hij staat geregistreerd in de systemen van de Belarussische autoriteiten vanwege de oproep tot mobilisatie. Eiser heeft echter niet inzichtelijk gemaakt waarom hij wel legaal kon uitreizen. De stelling dat eiser destijds nog niet in de systemen stond geregistreerd en daarom nu wel problemen zal ervaren bij een terugkeer naar Belarus is een vermoeden, maar steunt niet op enige onderbouwing. Ook is de rechtbank van oordeel dat verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft gesteld dat het, gelet op de landeninformatie en de leeftijd van eiser, weinig plausibel is dat eiser zal worden gemobiliseerd en dat hij vervolgens zal worden ingezet voor gevechtsacties in Oekraïne. De rechtbank verwijst hiervoor ook naar hetgeen wat zij onder 4.1 heeft overwogen. De beroepsgrond slaagt niet. Ook de beroepsgrond over de vrees van een behandeling in strijd met artikel 3 van Pro het EVRM en artikel 4 van Pro het Handvest [4] vanwege dienstweigering slaagt gelet op het voorgaande niet.
5.3.
Gelet op het voorgaande komt eiser niet in aanmerking voor een verblijfsvergunning op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a of b, van de Vw. Verweerder heeft de asielaanvraag niet ten onrechte afgewezen als ongegrond. In zoverre is het beroep ongegrond.
Reguliere verblijfsvergunning
Standpunt eiser
6. Eiser meent dat hij in aanmerking komt voor een reguliere verblijfsvergunning op grond van artikel 8 van Pro het EVRM, omdat hij is getrouwd met een vrouw die de Nederlandse nationaliteit bezit. In de beroepsprocedure heeft eiser daartoe een originele huwelijksakte overgelegd. Eiser heeft ter zitting toegelicht dat hij en zijn vrouw op 27 juli 2024 zijn getrouwd in Belarus en ook al drie jaar samenwonen.
Oordeel van de rechtbank
6.1.
Op grond van artikel 3.6a, eerste lid, aanhef en onder a van het Vb [5] beoordeelt verweerder bij de afwijzing van een eerste asielaanvraag ambtshalve of aan de vreemdeling wiens uitzetting in strijd zou zijn met artikel 8 van Pro het EVRM een verblijfsvergunning regulier moet worden verleend.
6.2.
In het bestreden besluit heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij gezinsleven met zijn echtgenote heeft als bedoeld in artikel 8 van Pro het EVRM. De door eiser overgelegde huwelijksakte betreft namelijk een kopie die niet op echtheid kan worden gecontroleerd.
6.3.
In beroep heeft eiser een huwelijksakte overgelegd en ook foto’s die de gezinsband volgens eiser moeten onderbouwen. Op de zitting heeft verweerder verklaard dat Bureau Documenten de overgelegde huwelijksakte positief op echtheid heeft beoordeeld. Verweerder heeft op de zitting toegelicht dat dit niet maakt dat het bestaan van familieleven tussen eiser en zijn echtgenote moet worden aangenomen, omdat eiser zijn huwelijksrelatie onvoldoende heeft onderbouwd, bijvoorbeeld met bonnetjes, rekeningen, verzekeringen, reisroutes of actuele foto’s met een omschrijving. De rechtbank is van oordeel dat verweerder hiermee onvoldoende heeft gemotiveerd waarom hij het bestaan van gezinsleven niet aannemelijk acht. In het beleid van verweerder, zoals neergelegd in paragraaf B7/3.8.1 van de Vc [6] , staat dat verweerder in ieder geval aanneemt dat sprake is van familie- of gezinsleven tussen echtgenoten in een reëel huwelijk. Verweerder heeft onvoldoende gemotiveerd waarom hij in dit geval ondanks de echt bevonden huwelijksakte en de door eiser overgelegde foto’s toch het bestaan van gezinsleven niet aannemelijk acht. Het standpunt dat er sprake is van een groot leeftijdsverschil tussen eiser en zijn echtgenote en dat er door eiser slechts enkele foto’s zonder omschrijving zijn overgelegd, acht de rechtbank hiervoor onvoldoende. Het bestreden besluit bevat dan ook een motiveringsgebrek.

Conclusie

7. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond voor zover dat ziet op het niet verlenen van een verblijfsvergunning asiel aan eiser. Daarnaast verklaart de rechtbank het beroep gegrond voor zover dat ziet op de beoordeling of eiser in aanmerking komt voor een reguliere verblijfsvergunning op grond van artikel 8 van Pro het EVRM. In zoverre vernietigt de rechtbank vernietigt het bestreden besluit. Verweerder moet hierbij opnieuw beoordelen en motiveren of er sprake is van beschermenswaardig familie- en gezinsleven tussen eiser en zijn echtgenoot en indien het bestaan van familie- en gezinsleven wordt aangenomen, dient verweerder een gemotiveerde belangenafweging te maken.
7.1.
De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank vast op € 1.868,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep ongegrond voor zover dat ziet op het niet verlenen van een verblijfsvergunning asiel aan eiser;
  • verklaart het beroep gegrond voor zover dat ziet op de beoordeling of eiser in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning regulier op grond van artikel 8 van Pro het EVRM;
  • vernietigt het bestreden besluit voor zover dat ziet op de beoordeling van een verblijfsvergunning regulier op grond van artikel 8 van Pro het EVRM;
  • draagt verweerder op, voor zover het besluit is vernietigd, om binnen zes weken een nieuw besluit te nemen;
  • veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.868,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. Q.M.J.A. Crul, rechter, in aanwezigheid van mr. L.M. Jongejans, griffier.
Deze uitspraak is in het openbaar uitgesproken en bekendgemaakt op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met de uitspraak op het beroep, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
2.Vreemdelingenwet 2000.
3.Richtlijn 2011/95/EU inzake normen voor de erkenning van onderdanen van derde landen of staatlozen als personen die internationale bescherming genieten, voor een uniforme status voor vluchtelingen of voor personen die in aanmerking komen voor subsidiaire bescherming, en voor de inhoud van de verleende bescherming.
4.Handvest van de grondrechten van de Europese Unie.
5.Vreemdelingenbesluit 2000.
6.Vreemdelingencirculaire 2000.