ECLI:NL:RBDHA:2026:3712

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
30 januari 2026
Publicatiedatum
25 februari 2026
Zaaknummer
25/5354, 25/5238 en 25/5415
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2.1 WaboArt. 3.9 WaboArt. 3.10 WaboArt. 4.3 Invoeringswet OmgevingswetArt. 8:1 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bestuursrechtelijke toetsing omgevingsvergunning voor bouw twee woongebouwen in afwijking bestemmingsplan

Deze bestuursrechtelijke zaak betreft de verlening van een omgevingsvergunning door het college van burgemeester en wethouders van Midden-Delfland voor het bouwen van twee woongebouwen met 28 wooneenheden boven een halfverdiepte parkeergarage, in afwijking van het geldende bestemmingsplan.

Eisers hebben beroep ingesteld tegen deze vergunning. De rechtbank oordeelt dat eiser 3 niet-ontvankelijk is omdat hij geen belanghebbende is, aangezien hij na verhuizing geen directe gevolgen van betekenis ondervindt. Eiseres 1 en eiser 2 worden wel als belanghebbenden aangemerkt, maar hun beroepen worden ongegrond verklaard.

De rechtbank toetst het besluit aan het recht en stelt vast dat het college binnen zijn beleidsruimte heeft gehandeld. Het bouwplan is ruimtelijk passend en voldoet aan het Stedenbouwkundig kader en beeldkwaliteitsrichtlijnen. De vermeende aantasting van privacy en woongenot is niet onevenredig. Ook het niet volgen van het negatieve welstandsadvies wordt gemotiveerd en is niet onrechtmatig.

De rechtbank concludeert dat het besluit in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening en dat het college niet in strijd heeft gehandeld met zijn participatiebeleid. De omgevingsvergunning blijft daarom in stand en er is geen aanleiding voor proceskostenvergoeding.

Uitkomst: De omgevingsvergunning voor het bouwplan blijft in stand; het beroep van eiser 3 is niet-ontvankelijk en de beroepen van eiseres 1 en eiser 2 worden ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht
zaaknummers: SGR 25/5354, 25/5238 en 25/5415

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 30 januari 2026 in de zaak tussen

1.
[eiseres 1], uit [woonplaats], eiseres 1 (SGR 25/5354),
2.
[eiser 2], uit [woonplaats], eiser 2 (SGR 25/5238)
(gemachtigde: mr. O.V. Wilkens),
3.
[eiser 3],uit [woonplaats], eiser 3 (SGR 25/5415)
(gemachtigde: G. Wassink)
hierna ook gezamenlijk te noemen: eisers
en

het college van burgemeester en wethouders van Midden-Delfland, het college (gemachtigden: mr. W.J. Bosma en mr. P. Blom).

Als derde-partijen nemen aan de zaken deel:
[vergunninghoudster] B.V., uit [vestigingsplaats] (vergunninghoudster) en
Plus Vastgoed B.V.,uit Utrecht, eigenares van het perceel
(gemachtigde: mr. V.J. Leijh).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de verlening van een omgevingsvergunning aan de vergunninghoudster voor het bouwen van twee woongebouwen op het perceel [perceel] in [plaats] (het bouwplan). De woongebouwen bevatten in totaal 28 wooneenheden, die worden gebouwd boven een halfverdiepte parkeergarage. Het college heeft de omgevingsvergunning in afwijking van het bestemmingsplan verleend. Eisers zijn het niet eens met de verlening van de omgevingsvergunning. Zij voeren daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de verlening van de omgevingsvergunning.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep van eiser 3 niet-ontvankelijk is omdat hij geen belanghebbende is bij het bestreden besluit. De beroepen van eiseres 1 en eiser 2 zijn ongegrond. Dit betekent dat zij geen gelijk krijgen en dat het bestreden besluit in stand blijft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Vergunninghoudster heeft op 31 december 2023 de aanvraag ingediend voor het bouwplan. Met het bestreden besluit van 3 juli 2025 heeft het college de omgevingsvergunning [1] voor het afwijken van het bestemmingsplan voor de bouw van de twee woongebouwen met parkeergarage verleend.
2.1.
Eisers hebben beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het college heeft gereageerd op de beroepen met een verweerschrift.
2.2.
De rechtbank heeft de beroepen op 7 januari 2026 gelijktijdig op zitting behandeld. Hieraan hebben namens eisers deelgenomen: eiseres 1, bijgestaan door haar partner [naam 1], eiser 2, bijgestaan door zijn gemachtigde, en eiser 3. Namens het college waren aanwezig: [naam 2] (projectleider), [naam 3] (stedenbouwkundige) en de gemachtigden. Derde-partijen hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigde. Namens [vergunninghoudster] B.V. waren verder aanwezig [naam 4] (directeur-grootaandeelhouder) en [naam 5] (projectontwikkelaar). Namens Plus Vastgoed B.V. was [naam 6] (projectontwikkelaar) aanwezig.

Beoordeling door de rechtbank

Belanghebbendheid van eisers
3. Als eerste moet de vraag worden beantwoord of alle eisers als belanghebbende bij het bestreden besluit kunnen worden aangemerkt.
3.1.
Alleen een belanghebbende kan tegen een besluit beroep instellen bij de bestuursrechter. [2] Een belanghebbende is degene van wie het belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken. [3] Volgens vaste rechtspraak [4] is degene die rechtstreeks feitelijke gevolgen ondervindt van een activiteit die het besluit toestaat, in beginsel belanghebbende bij dat besluit. Het criterium ‘gevolgen van enige betekenis’ van de activiteit is een correctie op dit uitgangspunt. Zonder gevolgen van enige betekenis voor zijn woon-, leef- of bedrijfssituatie heeft iemand geen persoonlijk belang bij het besluit. Hij onderscheidt zich dan onvoldoende van anderen. Om te bepalen of er gevolgen van enige betekenis zijn, kijkt de rechtbank naar de factoren afstand tot, zicht op, planologische uitstraling van en milieugevolgen - zoals onder andere geur, geluid, licht, trilling, emissie, risico - van de activiteit die het besluit toestaat. Zij bekijkt die factoren zo nodig in onderlinge samenhang. Ook de aard, intensiteit en frequentie van de feitelijke gevolgen kunnen van belang zijn.
3.2.
Eiser 3 is met ingang van 18 september 2025 verhuisd van de [adres 1] naar de [adres 2]. De rechtbank stelt aan de hand van de stukken vast dat de kortste afstand tussen de huidige woning van eiser 3 en het dichtstbijzijnde te realiseren woongebouw circa 70 meter is. Eiser 3 heeft vanuit zijn huidige woning geen rechtstreeks zicht, aangezien het bouwplan is voorzien op een locatie die zich (zeer) schuin ten opzichte van zijn woning bevindt. Naar het oordeel van de rechtbank is dit zicht van zo geringe betekenis dat dit geen rechtstreeks belang oplevert. Van andere gevolgen voor eiser van enige betekenis is evenmin gebleken. Dit betekent dat eiser 3 geen belanghebbende is. Dat eiser 3 op het moment dat hij het bezwaar indiende wel op de [adres 1] woonde, maakt dit niet anders. De rechtbank moet namelijk beoordelen of eiser 3 nog belanghebbende is ten tijde van het beroep. Aangezien dit niet het geval is, is het beroep van eiser 3 niet-ontvankelijk.
3.3.
Eiseres 1 woont op de [adres 3]. Eiseres 1 heeft vanuit haar woning direct zicht op het bouwplan. De afstand tussen haar woning en het bouwplan is circa 20 meter. Zij kan daarom als belanghebbende bij het bestreden besluit worden aangemerkt. Hetzelfde geldt voor eiser 2 die op de [adres 4] woont. Eiseres 1 en eiser 2 zijn daarom ontvankelijk in hun beroep.
Het toetsingskader
4. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Als een aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet blijft op grond van artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op die aanvraag onherroepelijk wordt, met uitzondering van artikel 3.9, derde lid, eerste zin, van de Wabo. De aanvraag om de omgevingsvergunning voor het bouwen van de woongebouwen met parkeergarage is op 31 december 2023 – en dus vóór 1 januari 2024 – ingediend, zodat de Wabo, zoals die gold vóór 1 januari 2024, van toepassing blijft.
4.1.
Op het bestreden besluit is de Crisis- en herstelwet (Chw) van toepassing. Het bouwplan voorziet namelijk in de bouw van meer dan elf woningen in een aaneengesloten gebied, waarvoor met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 3, van de Wabo omgevingsvergunning is verleend (categorie 3.1 van bijlage I van de Chw).
4.2.
Uit artikel 3.10, eerste lid, van de Wabo volgt dat afdeling 3.4 van de Awb van toepassing was bij de voorbereiding van het besluit om de vergunning te verlenen. Volgens die afdeling wordt er een ontwerp van het voorgenomen besluit ter inzage gelegd, waartegen zienswijzen naar voren kunnen worden gebracht, en wordt daarna het definitieve besluit genomen. Daar staat dan rechtstreeks beroep bij de rechtbank tegen open, zonder dat eerst een bezwaarprocedure wordt gevolgd.
Totstandkoming van het bestreden besluit
5. Ter plaatse geldt het bestemmingsplan “[bestemmingsplan]” (bestemmingsplan). Op het perceel gelden de bestemmingen “Wonen” en “Verkeer” en de dubbelbestemming “Waterstaat-Waterkering”. Volgens het bestemmingsplan zijn de gronden bestemd voor ‘Wonen’ ten behoeve van maximaal 13 grondgebonden woningen en ‘Verkeer’ met de functieaanduiding ‘parkeerterrein’. Het bouwplan is hiermee in strijd. Ook laat het bestemmingsplan een maximale goot- en bouwhoogte toe van 6 meter respectievelijk 10 meter, terwijl de goot- en bouwhoogte van de voorziene gebouwen 10,5 meter respectievelijk 13,5 meter bedragen. Daarnaast overschrijdt het bouwplan het bouwvlak op het perceel.
5.1.
Het ontwerpbesluit heeft van 28 november 2024 tot en met 28 januari 2025 ter inzage gelegen.
5.2.
Eisers hebben zienswijzen naar voren gebracht over de ontwerp-omgevingsvergunning, die in de nota van beantwoording zienswijzen zijn beantwoord.
5.3.
Met het bestreden besluit heeft het college de gevraagde omgevingsvergunning verleend. Het college heeft gebruik gemaakt van zijn bevoegdheid een omgevingsvergunning te verlenen in afwijking van het bestemmingsplan. Het stelt zich op het standpunt dat het bouwplan ruimtelijk gezien passend is en de stedenbouwkundige uitwerkingen leiden tot een hogere ruimtelijke kwaliteit van de omgeving.
Participatie
6. Eiseres 1 voert aan dat er ten onrechte geen participatietraject heeft plaatsgevonden. In de voorbereiding is er geen contact met de bewoners gezocht en tijdens de bijeenkomst van de projectontwikkelaar was er geen ruimte meer om in gesprek te gaan om de plannen te verbeteren.
6.1.
Het college heeft zijn participatiebeleid uitgewerkt in de Beleidsnota Burgerparticipatie in Midden-Delfland uit 2011 (beleidsnota). Uit paragraaf 2.7. van de beleidsnota volgt dat de mate van invloed die deelnemers aan burgerparticipatie in het beleidsproces krijgen is uitgewerkt in een participatieladder. In de participatieladder worden verschillende vormen en gradaties van participatie gehanteerd. De mate van invloed en participatie varieert, met als lichtste vorm van participatie het raadplegen van burgers en als zwaarste vorm van participatie het laten meebeslissen van burgers. Bij ieder project en beleidstraject wordt opnieuw een keuze gemaakt voor de mate van participatie.
6.2.
Uit het gemeentelijk participatiebeleid kan niet worden afgeleid dat het college in dit geval was gehouden om de omwonende mee te laten beslissen. De initiatiefnemer heeft de omwonende bij de besluitvorming betrokken door twee inloopbijeenkomsten te organiseren. Op 7 oktober 2023 heeft de initiatiefnemer de plannen voor de ontwikkelingen in het centrum van [plaats] gepresenteerd en toegelicht. Tijdens de bijeenkomst was er ruimte om vragen te stellen. Omwonenden konden ook achteraf inbreng geven via een reactieformulier. De reacties zijn voorgelegd aan de gemeenteraad om mee te kunnen wegen bij de vaststelling van het Stedenbouwkundig kader en de beeldkwaliteitsrichtlijnen. Op 26 februari 2024 heeft de initiatiefnemer een informatieavond georganiseerd voor omwonenden waarbij het bouwplan voor de twee woongebouwen op de locatie van [locatie] zijn gepresenteerd. De aanwezigen konden een reactieformulier invullen en de initiatiefnemer heeft de vragen vervolgens beantwoord in een verslag.
6.3.
De rechtbank stelt voorop dat de Wabo geen verplichting kent tot participatie of inspraak. Verder is de rechtbank van oordeel dat het college niet in strijd met zijn eigen participatiebeleid heeft gehandeld. Dat eiseres 1 graag meer invloed had willen hebben op de besluitvorming, maakt dat niet anders. Het betoog van eiseres 1 slaagt daarom niet.
Goede ruimtelijke ordening
7. Eiseres 1 en eiser 2 betogen dat het bouwplan in strijd is met een goede ruimtelijke ordening, alleen al omdat het wezenlijk afwijkt van hetgeen het bestemmingsplan toestaat. De forse verhoging van de goot- en bouwhoogte en vergroting van het bouwvlak resulteren in hoge en massieve woongebouwen die te dicht aan de waterkant zijn gesitueerd. De afstand van 20 meter tot hun woning leidt volgens eiseres 1 en eiser 2 tot een onevenredige inbreuk op hun privacy. De balkons van de appartementen gesitueerd aan de waterkant kijken namelijk rechtstreeks uit op hun woningen. Bovendien is het bouwvlak gedraaid waardoor er veel meer ramen en balkons gericht zijn op de woningen aan de [straatnaam]. De belemmering van het uitzicht door de woongebouwen leidt tot een onevenredige aantasting van hun woongenot.
7.1.
Het is vaste rechtspraak dat het college bij de beslissing om al dan niet toepassing te geven aan de hem toegekende bevoegdheid om in afwijking van het bestemmingsplan een omgevingsvergunning te verlenen, beleidsruimte toekomt. Ook moet het college de betrokken belangen afwegen. De bestuursrechter oordeelt niet zelf of verlening van de omgevingsvergunning in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening. De bestuursrechter beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit in overeenstemming is met het recht. Daarbij kan aan de orde komen of de nadelige gevolgen van het besluit onevenredig zijn in verhouding tot de met de verlening van de omgevingsvergunning te dienen doelen. [5]
7.2.
De gemeenteraad van Midden-Delfland heeft in zijn vergadering van 12 december 2023 het ‘Stedenbouwkundig kader en beeldkwaliteitsrichtlijnen - Centrum Den Hoorn’ (het Stedenbouwkundig kader en beeldkwaliteitsrichtlijnen) vastgesteld. Dit document ziet op de plannen voor de ontwikkelingen in het centrum van Den Hoorn, waaronder de twee woon-gebouwen op de locatie van [locatie]. Het gaat in op de stedenbouwkundige situatie van verschillende locaties en geeft de randvoorwaarden voor de gewenste ontwikkelingen.
7.3.
Vergunninghoudster heeft bij haar aanvraag een ruimtelijke onderbouwing ‘Centrumplan Den Hoorn; twee appartementengebouwen’ (ruimtelijke onderbouwing) gevoegd, die voor het laatst op 25 juni 2025 is geactualiseerd. Daarin is het bouwplan onder andere getoetst aan het Stedenbouwkundig kader en beeldkwaliteitsrichtlijnen.
7.4.
De rechtbank overweegt dat in de paragraaf ‘Analyse bouwhoogtes’ van het Stedenbouwkundig kader en beeldkwaliteitsrichtlijnen is ingegaan op de verschillende bouwhoogtes in het centrum van [plaats]. De bebouwing in het centrum varieert van één bouwlaag met een kap tot drie bouwlagen met een kap. Voor de invulling van de locatie [locatie] met twee woongebouwen is in het bouwplan aansluiting gezocht bij de goothoogte van onder andere het appartementencomplex [complex] (met een goothoogte van 10 meter) en het toekomstige supermarktpand van de Jumbo (met een goothoogte van 10 meter en een bouwhoogte van 12 meter). De extra 0,5 meter uit het bouwplan is noodzakelijk om de halfverdiepte parkeerkelder te realiseren. In het Stedenbouwkundig kader en beeldkwaliteitsrichtlijnen is een aanzienlijke lijst opgenomen van bestaande gebouwen in de omgeving van de projectlocatie met een goothoogte die hoger is dan 6 meter dan wel een bouwhoogte die hoger is dan 9 meter. Het college heeft deze lijst overgenomen in zijn Nota beantwoording zienswijzen. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het college op deze wijze voldoende gemotiveerd dat de woongebouwen stedenkundig inpasbaar zijn.
7.5.
Van een onevenredige aantasting van het woongenot van eiseres 1 en eiser 2 is niet gebleken. De afstand van circa 20 meter tussen het bouwplan en hun woningen biedt een toereikende bescherming van de privacy van eisers. Volgens vaste rechtspraak bestaat er verder geen recht op (het behoud van) vrij uitzicht. [6] Bovendien is op grond van het bestemmingsplan de ontwikkeling van 13 grondgebonden woningen met een maximale bouwhoogte van 10 meter toegestaan, waardoor het vrije uitzicht van eiseres 1 en eiser 2 ook zou verdwijnen. De rechtbank is daarom van oordeel dat het woongenot van eiseres 1 en eiser 2 niet onevenredig wordt aangetast door het bouwplan.
8. Eiseres 1 voert aan dat het bouwplan niet voldoet aan de drie pijlers die zijn opgenomen in de Woonvisie 2024-2030, namelijk betaalbaar wonen, toekomstbestendig wonen en dorps/groen wonen. Volgens dit beleid zou er gebouwd moeten worden voor starters, jonge gezinnen en ouderen. Aangezien met het bouwproject dure koopapparte-menten gerealiseerd gaan worden, wordt de eerste pijler niet nageleefd en zal er geen doorstroom plaats kunnen vinden.
8.1.
Het college heeft toegegeven dat de Woonvisie 2024-2030 niet is nageleefd voor zover hierin het uitgangspunt is opgenomen om bij nieuwbouwprojecten 30% sociale huurwoningen, 30% betaalbare koop en middenhuur en 30% vrije sector woningen (koop en huur) te realiseren. De rechtbank ziet hierin echter geen reden om het bestreden besluit onrechtmatig te achten. Het college heeft namelijk toegelicht dat ten tijde van de aanvraag van de omgevingsvergunning de Woonvisie 2024-2030 nog niet was vastgesteld. In de ruimtelijke onderbouwing van 25 juni 2025 is de Woonvisie 2024-2030 wel meegenomen. In paragraaf 4.4.3. van de ruimtelijke onderbouwing is getoetst aan de drie pijlers. Het college merkt hierbij op dat het project past binnen de Woonvisie 2024-2030, in die zin dat er door het bouwplan woningen worden toegevoegd aan de dorpskern en dat dit ervoor zal zorgen dat ouderen kunnen doorstromen naar gelijkvloerse woningen. Daarmee komen er woningen vrij voor andere doelgroepen. De rechtbank ziet geen aanleiding aan deze toelichting te twijfelen. Eiseres 1 heeft haar stelling dat de gewenste doorstroming geblokkeerd wordt door de hoge koopprijzen van de woningen niet nader onderbouwd. Bovendien heeft de projectleider van [naam 4] B.V. ter zitting toegelicht dat de inschrijving voor de appartementen inmiddels is geopend en dat alle woningen zijn toegekend aan inwoners van [plaats].
9. De rechtbank komt gelet op het voorgaande tot de conclusie dat het college zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat het bouwplan in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening.
De redelijke eisen van welstand
10. Eiseres 1 en eiser 2 betogen dat het college ten onrechte het welstandsadvies niet heeft gevolgd. Uit dit advies volgt namelijk dat het bouwplan vanwege de bouwmassa niet in harmonie is met de rest van de omgeving. Eiser 2 kan het college niet volgen in zijn stelling dat het welstandsadvies niet gebaseerd zou zijn op het Stedenbouwkundig kader en de beeldkwaliteitsrichtlijnen. In het welstandsadvies wordt namelijk wel naar dit stuk verwezen.
10.1.
De commissie Omgevingskwaliteit heeft op 25 september 2024 een negatief welstandsadvies gegeven. Volgens de commissie Omgevingskwaliteit is het bouwplan in strijd met de redelijke eisen van welstand en de beeldkwaliteitsrichtlijnen omdat – kort samengevat – niet is voldaan aan de inspanningsverplichting om de gebouwen voldoende af te stemmen op het kleinschalige en dorpse karakter van het centrum van [plaats].
10.2.
Het college heeft in het document ‘Motivering afwijken advies omgevingskwaliteit, 28 appartementen aan de Dijkshoornseweg’ van 27 september 2024 uiteengezet dat het welstandsadvies niet wordt gevolgd omdat het naar zijn mening onzorgvuldig tot stand is gekomen. Volgens het college heeft de commissie Omgevingskwaliteit voornamelijk teruggegrepen naar de welstandsnota voor zover daarin het streven naar behoud van het dorpse karakter is neergelegd, terwijl uit de welstandsnota ook volgt dat bij nieuwe ontwikkelingen het beeldkwaliteitsplan prevaleert. De welstandsnota bevat namelijk geen welstandscriteria voor (her)ontwikkelingsprojecten die niet passen binnen het ruimtelijke beleid. Voor zover de commissie Omgevingskwaliteit het bouwplan heeft getoetst aan het beeldkwaliteitsplan, dat is vastgelegd in het Stedenbouwkundig kader en de beeldkwaliteitsrichtlijnen, zijn de criteria die de commissie Omgevingskwaliteit hanteert niet terug te voeren op de inhoud van dit document.
10.3.
De rechtbank stelt vast dat de welstandsnota volgens hoofdstuk 5 daarvan geen welstandscriteria bevat voor grotere (her)ontwikkelingsprojecten die de bestaande ruimtelijke structuur en karakteristiek doorbreken. Dit berust op de overweging dat dergelijke welstandscriteria niet kunnen worden opgesteld zonder dat er een concreet stedenbouwkundig plan, bijvoorbeeld in de vorm van een beeldkwaliteitsplan, aan ten grondslag ligt. Het opstellen van welstandscriteria voor (her)ontwikkelingsprojecten kan volgens hoofdstuk 5 een onderdeel zijn van de planvoorbereiding. Deze welstandscriteria geven sturing aan veranderingen en zijn veelal vertaald in een beeldkwaliteitsparagraaf als onderdeel van een bestemmingsplan.
10.4.
Het Stedenbouwkundig kader en de beeldkwaliteitsrichtlijnen bevat naast stedenbouwkundige aspecten ook uitgangspunten en randvoorwaarden ten aanzien van de beeldkwaliteit. De beeldkwaliteitsaspecten hebben betrekking op het uiterlijk van de te realiseren woongebouwen en gaan in op de gevelopbouw, het materiaal en de detaillering. De rechtbank volgt het college in zijn stelling dat het Stedenbouwkundig kader en de beeldkwaliteitsrichtlijnen kunnen worden beschouwd als een beeldkwaliteitsparagraaf zoals bedoeld in de welstandsnota.
10.5.
De rechtbank komt met het college tot de conclusie dat de commissie Omgevingskwaliteit in haar advies van 25 september 2024 het bouwplan niet lijkt te hebben getoetst aan de beeldkwaliteitsrichtlijnen zoals deze volgen uit het Stedenbouwkundig kader en de beeldkwaliteitsrichtlijnen, maar hoofdzakelijk heeft getoetst aan de criteria uit de welstandsnota. De commissie Omgevingskwaliteit heeft in haar advies niet concreet gemaakt aan welke criteria van de beeldkwaliteitsrichtlijnen niet zou zijn voldaan. De rechtbank concludeert dat het college in het tegenadvies van 27 september 2024 voldoende draagkrachtig heeft gemotiveerd dat het welstandsadvies onzorgvuldig tot stand is gekomen en daarom niet wordt gevolgd. Niet is gebleken dat het college daarbij de criteria van het Stedenbouwkundig kader en de beeldkwaliteitsrichtlijnen niet heeft geëerbiedigd.

Conclusie en gevolgen

11. Het beroep van eiser 3 is niet-ontvankelijk. De beroepen van eiseres 1 en eiser 2 zijn ongegrond. Dit betekent dat de verleende omgevingsvergunning in stand blijft.
11.1.
Voor een proceskostenvergoeding bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep van eiser 3 (SGR 25/5415) niet-ontvankelijk;
  • verklaart de beroepen van eiseres 1 (SGR 25/5354) en eiser 2 (SGR 25/5238) ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. D.A.J. Overdijk, rechter, in aanwezigheid van mr. F. Leichel, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 30 januari 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a en c van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo).
2.Artikel 8:1 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
3.Artikel 1:2, eerste lid van de Awb.
4.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 28 januari 2025, ECLI:NL:RVS:2025:284.
5.Vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 10 maart 2021, ECLI:NL:RVS:2021:499.
6.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 30 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3589.