In deze uitspraak van de Rechtbank Den Haag, gedateerd 12 januari 2026, wordt een opvolgend beroep behandeld van eisers die zich wenden tegen het niet tijdig beslissen door de minister van Asiel en Migratie op hun aanvragen voor een machtiging tot voorlopig verblijf. De rechtbank heeft vastgesteld dat de minister niet binnen de gestelde termijnen heeft beslist, ondanks eerdere aanwijzingen van de rechtbank en de Raad van State. De rechtbank heeft het verzoek van eisers om vrijstelling van het griffierecht toegewezen, waardoor zij geen griffierecht hoeven te betalen. De rechtbank heeft besloten om zonder zitting uitspraak te doen.
De rechtbank oordeelt dat het beroep ontvankelijk en kennelijk gegrond is. De minister is opgedragen om binnen vier weken na de bekendmaking van deze uitspraak alsnog een beslissing op de aanvragen te nemen. De rechtbank heeft ook bepaald dat de minister een dwangsom van € 100,- per dag moet betalen voor elke dag dat hij de beslistermijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000,-. Daarnaast is de minister veroordeeld tot het vergoeden van de proceskosten van eisers, vastgesteld op € 467,-. De uitspraak is openbaar gemaakt en eisers hebben de mogelijkheid om een verzetschrift in te dienen als zij het niet eens zijn met deze uitspraak.