De rechtbank Den Haag behandelde een verzoek van de moeder en stiefvader tot wijziging van de geslachtsnaam van een minderjarige, waarbij de biologische vader als belanghebbende was aangemerkt. Eerder was bepaald dat de moeder en stiefvader gezamenlijk het gezag over de minderjarige zouden uitoefenen en was een bijzondere curator benoemd.
Op 7 januari 2026 trokken de moeder en stiefvader hun verzoek tot naamswijziging in. De rechtbank kon de reden van intrekking niet vaststellen en wist niet of de minderjarige op de hoogte was van zijn biologische vader. De bijzondere curator gaf aan dat de biologische vader twijfelde aan de statusvoorlichting aan de minderjarige en vond dat de minderjarige zelf de keuze moest maken over zijn geslachtsnaam.
Door de intrekking van het verzoek achtte de rechtbank verdere beslissing niet nodig en concludeerde dat de bijzondere curator haar taak had voltooid. De rechtbank beëindigde daarom de werkzaamheden van de bijzondere curator en constateerde dat er niets meer te beslissen viel.