ECLI:NL:RBDHA:2026:3805

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
26 februari 2026
Publicatiedatum
26 februari 2026
Zaaknummer
C/09/698034
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Kort geding
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 194 RvArt. 195 RvArt. 284 lid 1 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing inzagevordering bankafschriften en loonstroken in echtscheidingsprocedure

De man en vrouw zijn gehuwd en voeren een echtscheidingsprocedure waarin onder meer de afwikkeling van de huwelijksgemeenschap en alimentatie wordt behandeld. De man vordert in kort geding inzage in de bankafschriften en loonstroken van de vrouw over een periode van ruim twee jaar om zijn financiële positie te bepalen en te anticiperen op de echtscheidingsuitkomst.

De voorzieningenrechter overweegt dat op grond van artikel 194 en Pro 195 Rv een partij inzage kan vorderen indien zij voldoende belang heeft, tenzij sprake is van een verschoningsrecht of gewichtige redenen. De man stelt dat hij nu duidelijkheid wil over de financiële situatie van de vrouw vanwege het aflopen van de voorlopige zorgregeling en het exclusieve gebruiksrecht van de woning door de vrouw.

De rechtbank oordeelt echter dat geen sprake is van onverwijlde spoed die een onmiddellijke voorziening rechtvaardigt. Het afwachten van de echtscheidingsprocedure schaadt de belangen van de man niet zodanig dat nu inzage moet worden gegeven. Bovendien zal de situatie na afloop van de voorlopige regeling niet wezenlijk veranderen door het verkrijgen van de gevorderde stukken. De vordering wordt daarom afgewezen en de man wordt veroordeeld in de proceskosten van de vrouw.

Uitkomst: De voorzieningenrechter wijst de inzagevordering af wegens ontbreken van spoedeisend belang en veroordeelt de man in de proceskosten.

Uitspraak

Rechtbank den haag

Team handel - voorzieningenrechter
zaak- / rolnummer: C/09/698034 / KG ZA 26-59
Vonnis in kort geding van 26 februari 2026
in de zaak van
[de man]te [woonplaats] ,
eiser,
hierna te noemen: de man,
advocaat mr. R.A. van den Heuvel,
tegen:
[de vrouw]te [woonplaats] ,
gedaagde,
hierna te noemen: de vrouw,
advocaat mr. J. Todorov.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding met producties 1 t/m 14;
- de conclusie van antwoord met productie 1;
- de op 12 februari 2026 gehouden mondelinge behandeling.

2.De feiten

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.
2.1.
Partijen zijn met elkaar gehuwd op [dag] 2019 te [plaats] . Zij zijn de ouders van twee minderjarige kinderen, over wie zij gezamenlijk het gezag uitoefenen.
2.2.
Tussen partijen is een echtscheidingsprocedure onder zaaknummer C/09/693012 aanhangig. De vrouw heeft een verzoekschrift ingediend en vervolgens aangevuld en de man heeft een verweerschrift ingediend met zelfstandige verzoeken. Daartegen kan de vrouw tot 18 februari 2026 verweer voeren. In de echtscheidingsprocedure liggen naast de echtscheiding verzoeken voor ten aanzien van de afwikkeling van de beperkte huwelijksgemeenschap en de kinder- en partneralimentatie.
2.3.
Bij beschikking van 10 oktober 2025 heeft de rechtbank voor de duur van de echtscheidingsprocedure de volgende voorlopige voorzieningen tussen partijen getroffen:
bepaalt als
voorlopigezorgregeling voor de minderjarigen dat zij bij de man zijn:
- in de ene week van maandag na school tot woensdagochtend;
- in de andere week van vrijdag na school tot woensdagochtend;
bepaalt dat de vrouw bij uitsluiting gerechtigd zal zijn tot het gebruik van de echtelijke woning aan het [adres] :
- voor zes maanden na heden gedurende de tijd dat de kinderen volgens de voorlopige zorgregeling bij de vrouw zijn;
- vanaf zes maanden na heden, met bevel dat de man die woning dient te verlaten en verder niet mag betreden;
bepaalt dat de man bij uitsluiting gerechtigd zal zijn tot het gebruik van de echtelijke woning aan het [adres] voor zes maanden na heden gedurende de tijd dat de kinderen volgens de voorlopige zorgregeling bij de man zijn;
bepaalt dat de man aan de vrouw, met ingang van 19 augustus 2025, voorlopig een
kinderalimentatie voor van € 579,- per maand per kind zal betalen, telkens bij vooruitbetaling te voldoen.
2.4.
Sinds september 2025 heeft (de advocaat van) de man (de advocaat van) de vrouw diverse malen verzocht om bankafschriften van haar betaal- en spaarrekeningen en salarisstroken over 2024 en 2025 te overleggen. De vrouw heeft in de voorlopige voorzieningenprocedure haar salarisstroken van juli, augustus en september 2025 overgelegd. Op 2 december 2025 heeft de vrouw in de echtscheidingsprocedure een afschrift van haar bank- en spaarrekening met het saldo per peildatum (13 oktober 2025) overgelegd. Voor het overige heeft de vrouw aangegeven dat zij geen reden ziet om de verzochte stukken te overleggen.
2.5.
Bij e-mail van 6 januari 2026 heeft de man de vrouw (voor de laatste maal) verzocht om inzage te geven in de bankafschriften van haar betaalrekening en spaarrekeningen van januari 2024 tot en met heden en haar salarisstroken van januari tot en met december 2025 en heeft hij aangekondigd een kort geding te starten als zij deze niet voor 12 januari 20256 overlegt.

3.Het geschil

3.1.
De man vordert dat de voorzieningenrechter bepaalt dat de vrouw inzage dient te verschaffen in de bankafschriften van haar betaalrekening, alsmede vier spaarrekeningen voor de periode van 1 januari 2024 tot en met heden, alsmede de loonstroken van het jaar 2025 en de vrouw veroordeelt in de proceskosten, vermeerderd met de nakosten.
3.2.
Daartoe voert de man – samengevat – aan dat hij (spoedeisend) belang heeft bij de verzochte financiële stukken omdat dit inzicht geeft in de inkomsten en uitgaven van de vrouw en de man daarmee zijn rechtspositie wil bepalen en onderbouwen in de echtscheidingsprocedure ten aanzien van de afwikkeling van de huwelijksgemeenschap en de kinder- en partneralimentatie.
3.3.
De vrouw voert verweer, dat hierna, voor zover nodig, zal worden besproken.

4.De beoordeling van het geschil

4.1.
Op grond van artikel 194 en Pro 195 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) kan een partij die daarbij voldoende belang heeft, de rechter verzoeken de wederpartij bij een rechtsbetrekking te bevelen tot het verstrekken van inzage, afschrift of uittreksel van bepaalde gegevens waarover die wederpartij beschikt, tenzij diegene een verschoningsrecht toekomt of gewichtige redenen zich daartegen verzetten. Uit artikel 284 lid 1 Rv Pro volgt dat dit verzoek ook in een verzoekschriftprocedure (zoals de echtscheidingsprocedure) kan worden gedaan.
4.2.
De man stelt dat van hem niet gevergd kan worden dat hij afwacht of de vrouw de stukken in de echtscheidingsprocedure overlegt of daartoe door de rechtbank wordt bevolen, omdat hij nu wil kunnen bepalen wat zijn rechten en financiële mogelijkheden zijn en daar op wil kunnen anticiperen. Op 10 april 2026 eindigt de regeling waarbij partijen om de beurt in de gezamenlijke woning voor de kinderen zorgen (‘
birdnesting’)die de rechtbank bij wijze van voorlopige voorziening heeft vastgesteld en zal de man de echtelijke woning moeten verlaten. De man heeft aangevoerd dat hij geen geschikte andere woonruimte heeft waar hij met de kinderen kan verblijven, waardoor hij vreest dat hij de kinderen dan niet meer zal zien. In dat licht acht de man het noodzakelijk om nu duidelijkheid te krijgen over de vraag of de vrouw in staat zal zijn om de woning over te nemen, wat zijn financiële positie zal zijn na de verdeling en vaststelling van de definitieve alimentatie en wat zijn financiële ruimte zal zijn om de woning over te nemen of een andere woning te financieren. De man wil inzage in de bankafschriften van de betaal- en spaarrekeningen van de vrouw om te zien of zij geld aan de gemeenschap heeft onttrokken en om de hoogte van de te verdelen saldi te bepalen. Ook zou dit hem inzicht geven in hoeveel de vrouw heeft bijgedragen aan de lasten van de woning en of haar moeder bijdraagt in de kosten. Deze informatie – evenals die uit de loonstroken van de vrouw van het jaar 2025 – is volgens de man van belang voor het berekenen van de aanvullende behoefte van de vrouw en om te kunnen bepalen of zij financieel in staat is om de echtelijke woning over te nemen.
4.3.
De voorzieningenrechter stelt voorop dat voor toewijzing van een vordering in kort geding sprake moet zijn van feiten of omstandigheden die meebrengen dat uit hoofde van onverwijlde spoed een onmiddellijke voorziening is vereist. Daarvan is in dit geval geen sprake. Uit hetgeen de man heeft aangevoerd volgt niet dat hij door het afwachten van de in de echtscheidingsprocedure mogelijk nog te nemen beslissingen over door de vrouw te verstrekken gegevens zodanig in zijn belangen wordt geschaad dat een onmiddellijke voorziening vereist is. De voorzieningenrechter begrijpt dat de man zo snel mogelijk zicht wil hebben op zijn financiële mogelijkheden en op de kans van slagen van door hem of door de vrouw in te nemen stellingen over hun financiële mogelijkheden, maar dat maakt niet dat hij nu op voorhand, buiten de echtscheidingsprocedure om, inzage moet krijgen in de door hem gewenste gegevens van de vrouw. De voorzieningenrechter zal de vordering dan ook afwijzen.
4.4.
Daarbij merkt de voorzieningenrechter nog op dat niet valt in te zien dat met de gevorderde inzage veel aan de huidige onzekere situatie zal veranderen. Op 10 april 2026 eindigt de periode van zes maanden waarin volgens de voorlopige voorzieningen partijen samen beurtelings de woning gebruiken en daar met de kinderen kunnen verblijven. De vrouw krijgt dan het uitsluitend gebruik van de woning. Op dat moment zal de man de woning dus moeten verlaten en woonruimte moeten gaan huren of elders moeten verblijven totdat de verdeling is afgerond. Dat wordt niet anders als de man meer zicht krijgt op de uitgaven van de vrouw in de afgelopen jaren en haar loonstroken en beter kan inschatten welke standpunten hij daarover kan aanvoeren in het kader van de verdeling en de alimentatie, nog daargelaten dat in geschil is of de man voldoende belang heeft bij inzage in al de door hem gewenste stukken. Dat hangt af van wat daarover in de echtscheidingsprocedure naar voren komt.
4.5.
Zoals tijdens de mondelinge behandeling ook naar voren is gekomen ligt in de rede dat partijen elk aan de hand van de reeds beschikbare informatie over het gezamenlijke vermogen op de peildatum en de inkomensgegevens een (behoudende) inschatting maken en op die basis vervolgstappen zetten, en niet op basis van mogelijke – nu nog in het geheel niet concreet gemaakte – vergoedingsrechten of inkomsten. Als partijen vooruitlopend op de nog onzekere punten de woning al zouden kunnen verdelen tegen de huidige waarde, zou dat voor allebei veel spanning en onzekerheid wegnemen en juist ook met het oog op continuïteit van de zorg voor de kinderen verstandig kunnen zijn.
4.6.
De voorzieningenrechter ziet in deze zaak geen aanleiding om af te wijken van de hoofdregel dat de partij die ongelijk krijgt, wordt veroordeeld in de proceskosten. De man koos ervoor om een vordering in kort geding in te stellen terwijl een echtscheidingsprocedure aanhangig is waarin hetzelfde kan worden verzocht, en nu geoordeeld wordt dat hij daarbij onvoldoende spoedeisend belang heeft, moet hij de proceskosten dragen. De proceskosten (inclusief nakosten) van de vrouw worden begroot op:
- griffierecht € 341,-
- salaris advocaat € 1.177,-
- nakosten € 189,- (plus de verhoging zoals vermeld in de
beslissing)
Totaal € 1.707,-

5.De beslissing

De voorzieningenrechter:
5.1.
wijst de vorderingen van de man af;
5.2.
veroordeelt de man in de proceskosten van de vrouw, begroot op € 1.707,-, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als de man niet tijdig aan de veroordeling voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, dan moet de man € 98,- extra betalen, plus de kosten van betekening;
5.3.
verklaart deze kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. P. Dondorp en in het openbaar uitgesproken op 26 februari 2026.
JvL