ECLI:NL:RBDHA:2026:3811
Rechtbank Den Haag
- Wraking
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid wrakingsverzoek na beëindiging faillissement
Verzoeker diende op 11 februari 2026 een wrakingsverzoek in tegen mr. A.C.M. Höppener, rechter-commissaris in het faillissement van een besloten vennootschap. Dit verzoek betrof de hoofdzaak met insolventienummer F/09/15/346.
De rechtbank stelde vast dat het faillissement op 12 juni 2024 was opgeheven wegens gebrek aan baten, waardoor de hoofdzaak en de betrokkenheid van de rechter waren geëindigd. Volgens artikel 36 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering moet een wrakingsverzoek worden ingediend tijdens de behandeling van de hoofdzaak, dus vóór het einde daarvan.
Omdat het verzoek na de beëindiging van het faillissement was ingediend, werd verzoeker niet-ontvankelijk verklaard. Er was geen aanleiding tot mondelinge behandeling, aangezien het debat over de gegrondheid van het verzoek niet aan de orde was. De beslissing werd op 26 februari 2026 door de meervoudige wrakingskamer van de rechtbank Den Haag in het openbaar uitgesproken.
Uitkomst: Wrakingsverzoek afgewezen wegens indiening na beëindiging van het faillissement.