ECLI:NL:RBDHA:2026:3823

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
12 februari 2026
Publicatiedatum
26 februari 2026
Zaaknummer
693511
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Kort geding
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2.130 Aanbestedingswet 2012Art. 6:119 Burgerlijk Wetboek
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing vorderingen inzake aanbestedingsprocedure catering Politie Den Haag

Vitam B.V. heeft de Politie te Den Haag gedagvaard wegens vermeende fundamentele gebreken in de aanbestedingsprocedure voor cateringdiensten (Aanbesteding II). Vitam stelde dat door bekendmaking van scores uit een eerdere aanbesteding (Aanbesteding I) een ongelijk speelveld was ontstaan, en dat haar inschrijving onjuist was beoordeeld. Daarnaast voerde zij aan dat de rechtsverwerkingsclausule in de inschrijvingsleidraad onredelijk was.

De voorzieningenrechter oordeelde dat Vitam haar bezwaren niet tijdig heeft ingebracht, waardoor zij haar rechten heeft verwerkt. De clausule die vroegtijdige klachten vereist, werd als proportioneel en toelaatbaar beoordeeld gezien de omvang en aard van de opdracht. De vermeende fundamentele gebreken werden onvoldoende onderbouwd en de beoordeling van Vitam's inschrijving was niet onbegrijpelijk of onjuist.

Vitam's verzoek tot heraanbesteding, herbeoordeling en nadere motivering van de gunningsbeslissing werd afgewezen. Vitam werd veroordeeld in de proceskosten van de Politie en de tussenkomende partijen Compass, Albron, Appèl en Food & I. De vorderingen van deze partijen tot handhaving van de gunning werden eveneens afgewezen wegens gebrek aan belang na afwijzing van Vitam.

Uitkomst: De voorzieningenrechter wijst de vorderingen van Vitam af wegens rechtsverwerking en onvoldoende aannemelijkheid van fundamentele gebreken in de aanbestedingsprocedure.

Uitspraak

Rechtbank den haag

Team Handel - voorzieningenrechter
zaak- / rolnummer: C/09/693511 - KG ZA 25-1043
Vonnis in kort geding van 12 februari 2026
in de zaak van
V’Business B.V.te Schijndel,
eiseres,
advocaten mrs. T. Segers en A. van Pelt te ’s-Hertogenbosch,
tegen:
de Politiete Den Haag,
gedaagde,
advocaten mrs. I.J. van den Berge en M.A. Visser te Zwolle,
waarin zijn tussengekomen:

1.Compass Group Nederland B.V. te Amsterdam,

advocaat mr. S.C. Brackmann te Rotterdam,

2.Albron Nederland B.V.te De Meern,

advocaten mrs. J.W. Fanoy en S.P. Beenders te Den Haag,

3.Appèl B.V.te ’s-Hertogenbosch,

advocaat mr. H. Plas te Deventer,

4.Food & I B.V.te Schiedam,

Advocaten mrs. R.Q Janus en L.C. van den Berg te Den Haag.
Partijen worden hierna respectievelijk aangeduid als ‘Vitam’, ‘de Politie’, ‘Compass’, ‘Albron’, ‘Appèl’ en ‘Food & I’.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding met producties;
- de schriftelijke reactie van de Politie, met productie;
- de door Vitam overgelegde nadere productie;
- de incidentele conclusie tot tussenkomst (subsidiair voeging) van Compass;
- de incidentele conclusie tot tussenkomst c.q. voeging van Albron;
- de incidentele conclusie tot tussenkomst subsidiair voeging van Appèl;
- de incidentele conclusie tot tussenkomst (subsidiair voeging) van Food & I;
1.2.
De mondelinge behandeling is gehouden op 20 januari 2026 – op verzoek van partijen – gelijktijdig met de mondelinge behandeling in het kort geding tussen Albron en de Politie (C/09/693519 / KG ZA 25-1045) (maar feitelijk na elkaar) . Alle partijen hebben het woorden gevoerd aan de hand van door hen overgelegde pleitnotities.
1.3.
Tijdens de zitting is vonnis bepaald op 10 februari 2026 en vervolgens op vandaag.

2.De incidenten tot tussenkomst, dan wel voeging

2.1.
Compass, Albron, Appèl en Food & I hebben gevorderd te mogen tussenkomen in de procedure tussen Vitam en de Politie en dan wel zich te mogen voegen aan de zijde van de Politie. Ter zitting hebben Vitam en de Politie verklaard geen bezwaar te hebben tegen de primair gevorderde tussenkomst. Compass, Albron, Appèl en Food & I zijn vervolgens toegelaten als tussenkomende partij, aangezien zij aannemelijk hebben gemaakt dat zij daarbij voldoende belang hebben. Voorts is niet gebleken dat de tussenkomst aan een voortvarende afdoening van dit kort geding in de weg staat. Hierdoor ontstaat er ook geen strijd met de goede procesorde in het algemeen.

3.De feiten

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.
3.1.
De Politie heeft op 30 september 2024 een meervoudig onderhandse aanbesteding aangekondigd onder de naam ‘Uitvraag onder Sociale en andere specifieke diensten; Eten een drinken’ (hierna: Aanbesteding I). Een van de onderdelen van deze opdracht zag op het verzorgen van de dienstverlening rondom eten en drinken voor de Politie, haar bedrijfsrestaurants en de banqueting. Dit deel van de opdracht was opgedeeld in de volgende zes percelen:
3.2.
Voor elk perceel gold als gunningscriterium de economisch meest voordelige inschrijving (EMVI) vastgesteld op basis van de beste prijs-kwaliteitverhouding. De EMVI is berekend door de totale inschrijfprijs af te zetten tegen het totaal aantal behaalde punten op het criterium kwaliteit. Dit resulteert in een prijs per kwaliteitspunt. De prijs per kwaliteitspunt per perceel van iedere inschrijver is de input voor het lineair programmeren op basis waarvan de percelen werden gegund. Daarbij is uitgegaan van het meest optimale scenario voor de Politie en is in aanmerking genomen dat inschrijvers maximaal twee percelen gegund kunnen krijgen.
3.3.
Bij Aanbesteding I golden de volgende kwalitatieve gunningscriteria: KC-1 Cateringconcept (maximaal 450 punten), KC-2 Samenvatting concept (gebruikersbeoordeling) (maximaal 150 punten), KC-3 Maatschappelijk verantwoord opdrachtgeven en inkopen (maximaal 250 punten) en KC-4 Klanttevredenheid (maximaal 150 punten). KC-1 was daarbij onderverdeeld in vier subgunningscriteria: KC-1.1 Assortiment lunchdeal en vergaderlunch , KC-1.2 Stimuleren lunchgebruikers, KC-1.3 Vrij in te vullen assortiment en KC-1.4 Sfeerimpressie. Ook KC-3 en KC-4 waren onderverdeeld in subgunningscriteria.
3.4.
Bij een beoordeling van de kwalitatieve gunningscriteria met een ‘goed’ werd 80% van het maximaal aantal te behalen punten toegekend, bij een ‘voldoende’ 55% en bij een ‘onvoldoende’ 0%. Als de beantwoording naar het oordeel van het beoordelingsteam één of meerdere extra elementen die van meerwaarde zijn voor de Politie, zoals verrassende elementen c.q. inzichten die de verwachting van de Politie overtreffen, bevatte kon hiervoor een bonus van 20% van het maximale aantal te behalen punten worden toegekend.
3.5.
Vitam en acht andere partijen hebben zich op de opdracht voor de bedrijfsrestaurants en de banqueting ingeschreven.
3.6.
De Politie heeft op 5 februari 2025 een voorlopige gunningsbeslissing genomen. Op basis van deze gunningsbeslissing is een van de zes percelen voorlopig gegund aan Vitam. In de door Vitam ontvangen gunningsbeslissing heeft de Politie inzichtelijk gemaakt welke scores Vitam heeft behaald voor de verschillende kwalitatieve subgunningscriteria op de percelen die niet aan haar zijn gegund, hoe tot die score is gekomen en in welke prijs per kwaliteitspunt dit heeft geresulteerd. Daarnaast heeft zij toegelicht hoe deze resultaten zich verhouden tot de scores en prijzen van de winnende inschrijving op die percelen.
3.7.
Vervolgens heeft de Politie op 20 februari 2025 de aanbestedingsprocedure voor Aanbesteding I en daarmee de voorlopige gunningsbeslissing van 5 februari 2025 ingetrokken, omdat de aanbesteding ten onrechte alleen op nationaal niveau en niet op Europees niveau was (voor)aangekondigd.
3.8.
Op 19 mei 2025 heeft de Politie een nieuwe aanbesteding aangekondigd onder de naam ‘Bedrijfsrestaurants en banqueting Percelen 1 tot en met 6’ (hierna: Aanbesteding II) voor dezelfde opdrachtomschrijving als in Aanbesteding I: het verzorgen van de dienstverlening rondom eten en drinken voor de Politie, Bedrijfsrestaurants en banqueting (BB).
3.9.
De opdracht is nader omschreven in de Inschrijvingsleidraad met bijlagen. Ook zijn twee Nota’s van Inlichtingen (NvI) gepubliceerd.
3.10.
In de Inschrijvingsleidraad is over de indeling van de percelen en de omvang daarvan het volgende vermeld:
3.11.
Uit de Inschrijvingsleidraad volgt verder dat de Politie zich richt op een gezonde werkomgeving met een aantrekkelijk, duurzaam en gevarieerd aanbod aan eet- en drinkfaciliteiten (paragraaf 1.4). Om dit te bereiken streeft zij met de opdracht onder meer de volgende doelen na (paragraaf 1.5):
- Het aanbieden van goede eet- en drink faciliteiten en/of (24/7) selfservice voorzieningen passend bij de doelgroep (klantdifferentiatie), omvang en omgeving van een locatie;
- Een aantrekkelijk, gevarieerd en duurzaam assortiment in smaak en kwaliteit tegen een goede prijs;
- Het aanbod van eten en drinken sluit aan bij de richtlijnen van het Voedingscentrum;
- Zoveel mogelijk uniformiteit in dienstverlening met ruimte voor regionale invulling;
- Een duurzame catering waarbij we gefaseerd invulling geven aan de doelstellingen van de Politie op het gebied van gezonde voeding (eiwittransitie) en milieu-impact en een circulaire samenleving;
- Leverancier als specialist en partner met betrekking tot het invullen van het aanbod en het assortiment binnen de scope van de dienstverlening (ondernemerschap op locatie).
Dit is nader uitgewerkt in concrete doelen die vanaf de start van de dienstverlening van kracht zijn en doelen die aanvullend vanaf 2030 van kracht zijn.
3.12.
Bij aanbesteding II geldt ook als gunningscriterium de economisch meest voordelige inschrijving (EMVI) vastgesteld op basis van de beste prijs-kwaliteitverhouding en wordt de EMVI op dezelfde wijze berekend als bij Aanbesteding I, waarbij de prijs per kwaliteitspunt per perceel van iedere inschrijver de input is voor het lineair programmeren op basis waarvan de percelen worden gegund.
3.13.
Het criterium kwaliteit is in Aanbesteding II uitgewerkt in vier gunningscriteria: KC-1 assortiment (maximaal 400 punten), KC-2 sfeerimpressie (maximaal 100 punten), KC-3 Motiveren en inspireren van gasten (maximaal 300 punten) en KC-4 Personeel (maximaal 200 punten). Deze kwalitatieve gunningscriteria en de methode van beoordeling daarvan zijn in de Inschrijvingsleidraad als volgt toegelicht:
3.14.
Over rechtsverwerking is in de Inschrijvingsleidraad het volgende opgenomen.
3.15.
Omdat Aanbesteding I is ingetrokken nadat al een voorlopige gunningsbeslissing was genomen, heeft Vitam de Politie in de tweede vragenronde gevraagd toe te lichten op welke wijze in Aanbesteding II wordt geborgd dat het gelijkheidsbeginsel en een eerlijk speelveld gewaarborgd zijn, gelet op de bekendheid van inschrijfprijzen uit de eerdere procedure (vraag 222). De Politie heeft in de NvI hierop als volgt geantwoord:
“In het kader van de wettelijke verplichting van de Politie om de gunningsbeslissingen te
motiveren (art. 2.130 Aanbestedingswet 2012) heeft de Politie in de gunningsbeslissingen van de vorige aanbesteding kenbaar gemaakt wat de prijs per kwaliteitspunt was van de betreffende inschrijver en de voorlopig gegunde inschrijver. Ook heeft de Politie in het kader van deze wettelijke verplichting de scores op de kwalitatieve gunningscriteria van de betreffende en de voorlopig gegunde inschrijver moeten verstrekken. De Politie kon daarom niet voorkomen dat de totale inschrijfprijzen van enkele inschrijvers terug te rekenen waren.
Volgens de Politie staat dit er echter niet aan in de weg dat elke Inschrijver een gelijke
kans heeft in deze aanbesteding. Een eerlijk speelveld is geborgd vanwege de volgende
redenen.
Ten eerste zijn van enkele inschrijvers alleen de totale inschrijfprijzen bekend geworden
van die Percelen die zij voorlopig gegund hebben gekregen.
De totale inschrijfprijs wordt echter opgebouwd uit meerdere onderdelen, namelijk de
aanneemsom (bestaande uit personeelskosten, ingrediëntkosten, algemene kosten en
managementfee en de omzet) en de prijs voor fruit. De aanneemsom wordt bovendien
opgebouwd uit de opgegeven prijzen voor meerdere locaties. De Politie is daarom van
mening dat er op meerdere niveaus concurrentie mogelijk is en dat de totale inschrijfprijs geen inzicht geeft in de prijzen op deze niveaus.
Ten tweede zijn meerdere Percelen in omvang veranderd ten opzichte van de eerdere
aanbesteding. In de eerste Nota van Inlichtingen is immers op vraag 150 geantwoord dat
meerdere bedrijfsrestaurants zijn gesloten. Dit betekent dat de Percelen 2 (Oost-Nederland), 3 (Midden-Nederland), 4 (Amsterdam en Noord-Holland), 6 (Zeeland-West-Brabant) in omvang zijn veranderd.
Ten derde zijn de kwalitatieve Gunningscriteria en het beoordelingskader anders vormgegeven. Doordat dit tot andere scores op de kwalitatieve Gunningscriteria en dus
andere prijzen per kwaliteitspunt kan leiden, is de Politie van oordeel dat zij ook hierdoor het eerlijke speelveld geborgd heeft.”
3.16.
Op 4 juli 2025 heeft Vitam via een schriftelijke reactie die is ingediend via het online aanbestedingsplatform aan de Politie laten weten dat – kort samengevat – wat haar betreft geen sprake is van een gelijk speelveld voor alle (potentiële) inschrijvers en dat het antwoord van de Politie haar zorg op dit punt niet heeft weggenomen. Zij schrijft verder:
“Gezien de korte termijn, de complexiteit van deze heraanbesteding en de zorgvuldigheid die wij in dit traject willen betrachten, zijn wij van mening dat het in redelijkheid niet van ons kan worden gevergd dat wij conform § 5.2 van de inschrijvingsleidraad reeds voorafgaand aan het sluiten van de inschrijvingstermijn een kort geding starten, mede met het oog op de daarvoor te maken kosten. Wij menen dat deze zeer vergaande rechtsverwerkingsclausule van § 5.2 van de inschrijvingsleidraad in deze omstandigheden niet proportioneel is.
Wij behouden ons echter uitdrukkelijk het recht voor om de door ons geuite bezwaren over het creëren van een gelijk speelveld en de proportionaliteit van § 5.2 van de inschrijvingsleidraad – afhankelijk van het verdere verloop van deze procedure – op het later moment (al dan niet in kort geding na voorlopige gunning) naar voren te brengen. Wij zullen ons hierover, indien nodig, nader beraden.”
3.17.
In reactie hierop heeft de Politie Vitam op 7 juli 2025 er – samengevat – op gewezen dat indien Vitam haar bezwaren handhaaft zij conform § 5.2 van de inschrijvingsleidraad uiterlijk 24 uur voor uiterste inschrijfdatum een kortgedingprocedure aanhangig moet maken op straffe van verval van haar recht om dat op een later moment nog te doen. Volgens de Politie is het niet onredelijk of disproportioneel om dit van Vitam te verlangen, mede gelet op de termijn van 58 dagen tussen de publicatie van de Inschrijvingsleidraad en de uiterste inschrijfdatum. In haar reactie benadrukt de Politie daarnaast dat inschrijvers door het ondertekenen en indien van ‘BIJLAGE Inschrijfformulier BB’ verklaren akkoord te gaan met het gestelde in de aanbestedingsstukken, waaronder de rechtsverwerkingsclausule van § 5.2 van de Inschrijvingsleidraad.
3.18.
Vitam is vervolgens geen kortgedingprocedure gestart, maar heeft zich net als Compass, Albron, Appèl en Food & I en twee anderen partijen ingeschreven op Aanbesteding II.
3.19.
De Politie heeft op 17 september 2025 de inschrijvers geïnformeerd over de voorgenomen gunning van de percelen. Vitam heeft daarbij geen perceel gegund gekregen. De voorgenomen gunningsbeslissing is weergegeven in onderstaande tabel.
3.20.
In de gunningsbeslissing zijn de door Vitam behaalde scores op het kwalitatieve gunningscriteria – voor zover van belang – als volgt toegelicht:
“KC-1 Assortiment (maximaal 400 punten)
Uw beantwoording geeft blijk van voldoende kwaliteit maar biedt ruimte voor verbetering. De beantwoording geeft antwoord op de gestelde vragen in dit Gunningscriterium, is realistisch en toepasbaar, draagt merendeels bij aan de doelstellingen die de Politie nastreeft met deze overeenkomst, maar is niet volledig onderbouwd. Er wordt door de beoordelingscommissie opgemerkt dat er geen keuzemogelijkheid in drinken bij de vergaderlunch wordt aangeboden, terwijl dit expliciet is uitgevraagd. Dit maakt dat uw beantwoording niet volledig onderbouwd is. Daarnaast is de beoordelingscommissie van mening dat één van de voornaamste doelstellingen van de Politie, t.w. de doelstelling met betrekking tot de eiwittransitie te summier wordt belicht in uw beantwoording. De beoordelingscommissie had deze doelstelling graag concreter terug willen zien in uw
assortimentsbeschrijving. Verder wijst de beoordelingscommissie erop dat de kroketspaarkaart niet aansluit bij de doelstellingen van de Politie gericht op het stimuleren van gezonde voeding.
Uw Inschrijving krijgt hierdoor op dit onderdeel een waardering van “voldoende”, wat overeenkomt met de score van 60%. Een score van 60% van de maximaal te behalen 400 punten, resulteert in 240 punten.
(…)
KC-2 Sfeerimpressie (maximaal 100 punten)
Uw beantwoording geeft antwoord op de gestelde vragen in dit Gunningscriterium, is merendeels realistisch en toepasbaar, draagt bij aan de doelstellingen die de Politie nastreeft met deze overeenkomst, maar is niet volledig onderbouwd. De beoordelingscommissie merkt op dat de sfeerimpressie niet match met het assortiment dat wordt aangeboden in KC-1. Zo wordt bijvoorbeeld de link met het concept De Kantine en de meeste van de daarbij behorende assortimentsmodules gemist. Ook wordt de vertaling van de lunchdeal zoals aangegeven op het bord niet concreet terug gezien in het assortiment op de sfeerimpressie. Hierdoor heeft de beoordelingscommissie geen compleet beeld van hoe u uw assortiment zal gaan presenteren in de restaurants. De beoordelingscommissie had in dit onderdeel graag een concretere weerspiegeling van het aangeboden assortiment teruggezien.
Uw Inschrijving krijgt hierdoor een waardering van “voldoende”, wat overeenkomt met de score van 60%. Een score van 60% van de maximaal te behalen 100 punten, resulteert in 60 punten.
(…)
KC-4 Personeel (maximaal 200 punten)
De beoordelingscommissie beoordeelt uw beantwoording op dit onderdeel “Personeel” met een “goed”. Zo is uw beantwoording volledig en goed onderbouwt. De beoordelingscommissie bestempelt de talententuin als positief. Daarnaast is uw beantwoording realistisch en toepasbaar en wordt aan de - voor dit onderdeel - relevante doelstellingen voldaan.
Uw Inschrijving krijgt hierdoor een waardering van “goed”, wat overeenkomt met de score van 85%. Een score van 85% van de maximaal te behalen 200 punten, resulteert in 170 punten.
(…)”
3.21.
Nadien heeft Vitam (opnieuw) haar bezwaren geuit tegen de manier waarop de aanbestedingsprocedure is vormgegeven en ook over de wijze van beoordeling van haar inschrijving. Dit heeft niet geleid tot intrekking van de gunningsbeslissing en evenmin tot herbeoordeling van de inschrijving van Vitam.

4.Het geschil

4.1.
Vitam vordert dat de voorzieningenrechter bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
Primair:
I. de Politie gebiedt om de gunningsbeslissing van 17 september 2025 in te trekken en ingetrokken te houden;
II. de Politie gebiedt om, voor zover zij de opdracht nog wenst te vergeven, deze opnieuw door middel van een nieuwe aanbestedingsprocedure in de markt te zetten, waarbij zij ervoor zorg dient te dragen dat de gehanteerde procedure in overeenstemming is met de verplichtingen die voortvloeien uit het gelijkheids- en transparantiebeginsel, waaronder het creëren van een gelijkspeelveld tussen alle inschrijvers;
subsidiair:
III. de Politie gebiedt om de gunningsbeslissing van 17 september 2025 in te trekken en ingetrokken te houden;
IV. de Politie gebiedt om de inschrijving van Vitam opnieuw te beoordelen op basis van de in de Inschrijvingsleidraad vermelde gunnings- en beoordelingscriteria, door een nieuw te vormen beoordelingsteam bestaande uit bekwame en onafhankelijke personen die niet reeds bij de eerdere beoordelingen betrokken zijn geweest, een en ander conform de Inschrijvingsleidraad, de Aanbestedingswet en het te wijzen vonnis;
V. indien de Politie na herbeoordeling voornemens is de opdracht te gunnen, de Politie gebiedt om een nieuwe, deugdelijk gemotiveerde (voorlopige)
gunningsbeslissing te nemen conform de eisen uit de Inschrijvingsleidraad, de Aanbestedingswet (Aw) alsmede het te wijzen vonnis, en daarbij alle toepasselijke opschortende en vervaltermijnen opnieuw van start te laten gaan;
meer subsidiair:
VI. de Politie gebiedt om de gunningsbeslissing van 17 september 2025 in te trekken en ingetrokken te houden;
VII. de Politie gebiedt om binnen 30 kalenderdagen na het te wijzen vonnis, dan wel een door de voorzieningenrechter te bepalen termijn, een nieuwe (voorlopige gunningsbeslissing te nemen voorzien van een deugdelijke motivering conform de Inschrijvingsleidraad, de Aw en het te wijzen vonnis, en daarbij alle toepasselijke opschortende en vervaltermijnen opnieuw van start te laten gaan;
in alle gevallen:
VIII. de Politie veroordeelt in de proceskosten, te vermeerderen met nakosten en wettelijke rente.
4.2.
Daartoe voert Vitam – samengevat – het volgende aan. Vitam stelt zich primair op het standpunt dat er fundamentele gebreken kleven aan Aanbesteding II. Door de bekendmaking van de scores van de winnende inschrijvingen uit Aanbesteding I is volgens haar in Aanbesteding II een ongelijk speelveld gecreëerd. Immers de inschrijvers die hebben kennisgenomen van de gunningsbeslissing in Aanbesteding I waren daardoor op de hoogte van de scores op de kwalitatieve gunningscriteria en de toegekende prijs per kwaliteitspunt van de winnende inschrijvers. Daarmee konden zij achterhalen met welke prijs de destijds winnende inschrijvers hebben ingeschreven. De Politie heeft in Aanbesteding II vervolgens niet dusdanige wijzigingen doorgevoerd dat de bekendgemaakte aanneemsommen van de winnende percelen in Aanbesteding I irrelevant zijn geworden. De inschrijvers op Aanbesteding II die kennis hadden van de gunningsbeslissing van 5 februari 2025 hadden daarmee een kennisvoorsprong ten opzichte van de inschrijvers op Aanbesteding II die geen kennis hadden van deze beslissing. Los daarvan is er ook ongelijkheid tussen de inschrijvers die zowel op Aanbesteding I als Aanbesteding II hebben ingeschreven, omdat de inschrijvers die geen percelen hebben gewonnen op basis van de gunningsbeslissing van 5 februari 2025 inzage hadden in de aanneemsommen van de winnende inschrijvers. Dit terwijl de winnende inschrijvers omgekeerd geen inzage hebben gekregen in de inschrijfprijzen van de inschrijvers op Aanbesteding I die geen perceel gegund hebben gekregen. Dat de kennis van de gunningsbeslissing van 5 februari 2025 direct heeft doorgewerkt in Aanbesteding II, blijkt volgens Vitam uit het feit dat er bij Aanbesteding II, zoals te verwachten, met significant lagere prijzen is ingeschreven. Dit laatste gecombineerd met het feit dat de inschrijvingen qua scores op de kwalitatieve criteria vrij dichtbij op elkaar zitten, maakt bovendien dat bij Aanbesteding II in wezen niet is gegund op grond van het gunningscriteria ‘de beste prijs-kwaliteitverhouding’, maar op grond van de laagste prijs. Daarbij geldt dat de in de gunningsbeslissing van 5 februari 2025 prijsgegeven informatie de inschrijvers de mogelijkheid heeft geboden om de scores op de kwalitatieve criteria strategisch te gebruiken om hun inschrijving bij Aanbesteding II af te stemmen op een gunstige verhouding tussen prijs en kwaliteit, waarbij inschrijvers bewust risico’s konden nemen op kwalitatieve onderdelen van hun inschrijving om deze vervolgens met een lagere prijs te compenseren. Ook dit betreft een fundamenteel gebrek in de aanbestedingsprocedure dat alleen door middel van heraanbesteding kan worden herstel, aldus Vitam.
4.3.
Subsidiair meent Vitam dat de Politie haar inschrijving op de subgunningscriteria KC-1, KC-2 en KC-4 onjuist, althans in strijd met het vooraf bekendgemaakte beoordelingskader heeft beoordeeld. Hierdoor kan de gunningsbeslissing van 17 september 2025 geen standhouden en moet tot herbeoordeling van de inschrijving van Vitam worden overgegaan. Door bij KC-1 en KC-2 zonder enige toelichting of motivering een beoordelingscriterium te betrekken dat niet in de Inschrijvingsleidraad is opgenomen, voldoet bovendien – zo stelt Vitam meer subsidiair – de gunningsbeslissing van 17 september 2025 niet aan de eisen zoals artikel 2.130 Aw daaraan stelt. Ook de motivering van de score op KC-4 voldoet daar niet aan, omdat de beoordelingscommissie niet heeft gemotiveerd waarom de drie in de inschrijving van Vitam genoemde aspecten ‘Belonen en waarderen’, ‘Vitaliteitscoach voor extra werkgeluk’ en ‘De Talententuin’ niet of niet voldoende van meerwaarde voor de Politie zijn. Dit rechtvaardigt volgens Vitam dat de gunningsbeslissing opnieuw moet worden gemotiveerd.
4.4.
De Politie, Compass, Albron, Appèl en Food & I voeren verweer, dat hierna, voor zover nodig, zal worden besproken.
4.5.
Compass, Albron en Food & I vorderen – zakelijk weergegeven – (voorwaardelijk) dat de voorzieningenrechter de Politie te gebiedt de gunningsbeslissing in stand te laten en de gegunde percelen definitief aan hen te gunnen, met veroordeling van Vitam in de proceskosten.
4.6.
Verkort weergegeven stellen Compass, Albron en Food & I daartoe dat zij er belang bij hebben dat de opdracht definitief aan hen gegund wordt en dat zij daarom belang hebben bij afwijzing van de vorderingen van Vitam, nu de definitieve gunning daardoor in gevaar kan komen.
4.7.
Voor zover nodig zullen de standpunten van Vitam en de Politie met betrekking tot de vorderingen van Compass, Albron en Food & I hierna worden besproken.

5.De beoordeling van het geschil

Vordering tot heraanbesteding
5.1.
Tussen partijen is in geschil of Aanbesteding II voldoet aan de daaraan op grond van het aanbestedingsrecht te stellen eisen. Vitam stelt dat er meerdere fundamentele gebreken kleven aan Aanbesteding II en dat de opdracht daarom opnieuw moet worden aanbesteed. De Politie, Compass, Albron, Appèl en Food & I denken daar anders over.
5.2.
Naast de in de dagvaarding gestelde fundamentele gebreken heeft Vitam tijdens de zitting nog een nieuw fundamenteel gebrek aan de primaire vordering ten grondslag gelegd. Zij stelt dat na kennisname van de dagvaarding van Albron aan haar bekend is geworden dat de Politie percelen heeft gegund aan partijen die ongeldig hebben ingeschreven. Nu Albron haar dagvaarding al op 27 oktober 2025 heeft uitgebracht, valt niet in te zien waarom Vitam deze grondslag niet al in een eerder stadium van deze procedure, voorafgaand aan de mondelinge behandeling, kon aanvoeren. De voorzieningenrechter acht het eerst tijdens de zitting gedane beroep op deze nieuwe grondslag voor de primaire vordering dan ook in strijd met de goede procesorde en zal daarop bij de beoordeling geen acht slaan.
5.3.
Het meest verstrekkende verweer dat de Politie, Compass, Albron, Appèl en Food & I aanvoeren is dat Vitam haar rechten om te klagen heeft verwerkt. De voorzieningenrechter is van oordeel dat dit beroep op rechtsverwerking slaagt. Waarom zij tot dat oordeel komt wordt hierna toegelicht.
5.4.
Uit het Grossmann-arrest [1] en de daarop gebaseerde jurisprudentie volgt dat van een gegadigde/inschrijver mag worden verwacht dat hij zich proactief opstelt bij het naar voren brengen van bezwaren in het kader van een aanbestedingsprocedure. Daarmee wordt voorkomen dat aanbestedingsprocedures onnodig worden vertraagd en wordt verder bereikt dat eventuele gebreken in de procedure zodanig tijdig aan de orde worden gesteld dat zij nog (eenvoudig) kunnen worden hersteld. Dit is niet alleen in het belang van de aanbestedende dienst, maar ook het belang van de (andere) gegadigden en inschrijvers, omdat daarmee bijvoorbeeld voorkomen wordt dat kosten worden gemaakt voor een aanbestedingsprocedure die niet aan de eisen voldoet. Het tijdstip waarop over een bepaald aspect van een aanbestedingsprocedure moet worden geklaagd, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval. In algemene zin kan van een gegadigde/inschrijver worden verwacht dat hij zijn bezwaren kenbaar maakt zo spoedig mogelijk nadat hij kennis had of had behoren te hebben van de gestelde gebreken in de procedure.
5.5.
Deze uitgangspunten zijn ook met zoveel woorden terug te vinden in paragraaf 5.2 van de Inschrijvingsleidraad. Daaruit volgt ook dat als geuite bezwaren door de Politie onvoldoende worden geadresseerd, op straffe van verval van recht uiterlijk 24 uur voor de uiterste inschrijftermijn een kort geding aanhangig moet worden gemaakt. Paragraaf 5.2 bepaalt verder expliciet dat inschrijvers na het verstrijken van de uiterste termijn van inschrijving hun recht om bezwaar te maken tegen (de gevolgen van) eventuele schendingen van het (aanbestedings)recht verliezen en dat inschrijvers geacht worden onverkort en onvoorwaardelijk met de inhoud van de aanbestedingsstukken te hebben ingestemd.
5.6.
Vitam stelt zich op het standpunt dat de rechtsverwerkingsclausule van paragraaf 5.2. niet proportioneel is en wijst erop dat zij in haar schriftelijke reactie van 4 juli 2025 zich expliciet het recht heeft voorgehouden om de proportionaliteit en rechtmatigheid van die clausule aan de orde te stellen. De voorzieningenrechter overweegt dienaangaande als volgt.
5.7.
Uit vaste rechtspraak volgt dat het nationale recht en het Unierecht zich in beginsel niet verzetten tegen een regeling om op straffe van verval van recht al in een vroeg stadium bezwaren voor te leggen aan de rechter. Dat betekent echter niet zonder meer dat een dergelijk vervalbeding steeds toelaatbaar is. Die toelaatbaarheid is afhankelijk van de omstandigheden van het geval, waarbij het in het bijzonder aankomt op de aard en omvang van de opdracht en, daarmee veelal samenhangend, de aard en omvang van de inschrijvers.
5.8.
Voor zover al niet moet worden aangenomen dat Vitam met haar inschrijving heeft ingestemd met de rechtsverwerkingsclausule, waarover zij overigens ook geen vragen heeft gesteld, geldt dat de voorzieningenrechter deze clausule in dit geval niet ontoelaatbaar acht. Het mag zo zijn dat de opdrachtwaarde van Aanbesteding II aanzienlijk lager is dan de opdrachtwaarde in de zaak waarin het Gerechtshof Den Haag op 25 mei 2021 arrest heeft gewezen [2] , maar dat betekent niet dat in dit geval niet van Vitam kon worden gevergd dat zij, zoals voorgeschreven in de inschrijvingsleidraad, al voor het verstrijken van de uiterste termijn van inschrijving haar standpunt over de wijze waarop de aanbesteding is georganiseerd aan de rechter zou voorleggen. De aard en de omvang van de opdracht (het gaat om het verzorgen van – kort gezegd – de catering voor alle bedrijfsrestaurants van de Politie en bij allerhande gelegenheden met een opdrachtwaarde per perceel van maximaal € 23,5 miljoen) zijn niet zodanig beperkt dat de kosten en tijd die Vitam aan een kort geding zou moeten besteden als buitensporig en onoverkomelijk moeten worden beschouwd. Dat een inschrijver maximaal twee percelen gegund kan krijgen doet daar niet aan af. Bovendien is niet in geschil dat te verwachten was dat op de opdracht zou worden ingeschreven door de grote(re) bedrijfscateraars. In zo’n situatie is – mede in aanmerking genomen het doel daarvan (zie 5.4) – eerder te rechtvaardigen dat een gegadigde/inschrijver in een vroegtijdig stadium een kort geding aanhangig maakt. [3]
5.9.
Dat het beoordelingskader van de kwalitatieve subgunningscriteria ruimte laat voor enige mate van subjectiviteit bij de beoordeling van de inschrijvingen, leidt niet zonder meer tot de conclusie dat bij Vitam (en andere inschrijvers) een gegronde vrees heeft kunnen bestaan dat het starten van een kort geding in de latere beoordeling zou doorwerken. Daarbij betrekt de voorzieningenrechter dat van een professionele organisatie als de Politie mag worden verwacht dat zij in een aanbesteding als de onderhavige de beoordeling niet laat beïnvloeden door het feit dat een inschrijver gebruik maakt van zijn recht een discussiepunt met de aanbestedende dienst aan de rechter voor te leggen. Weliswaar stelt Vitam dat in de praktijk vaak blijkt dat het beoordelingsteam zich daar (onbewust) wel door laat beïnvloeden, maar dit heeft zij op geen enkele wijze aannemelijk gemaakt
5.10.
Vitam wordt ook niet gevolgd in haar stelling dat het beroep op de rechtsverwerkingsclausule in dit geval naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. Daarvoor is naast het voorgaande het volgende van belang.
5.11.
Vaststaat dat Vitam voorafgaand aan het indienen van haar inschrijving geen vragen heeft gesteld over het gunningscriterium ‘de beste prijs-kwaliteitverhouding’, althans niet haar bedenkingen daarover heeft geuit, terwijl zij zelf stelt dat aan de hand van de scores op de kwalitatieve criteria al bij Aanbesteding I duidelijk was dat in feite de inschrijfprijzen van doorslaggevende betekenis zijn geweest. Zij stelt daarnaast dat gelet op de in de gunningsbeslissing van 5 februari 2025 verstrekte informatie te verwachten was dat met significant lagere inschrijfprijzen zou worden ingeschreven. Dat Vitam pas op het moment van de gunningsbeslissing van 17 september 2025 zich ervan bewust was dat, zoals zij stelt, niet gegund werd op grond van het gunningscriterium de beste prijs-kwaliteitverhouding, maar op grond van de laagste prijs, acht de voorzieningenrechter dan ook niet aannemelijk.
Daarmee gaat de stelling dat vanwege het niet eerder kunnen klagen het beroep van de Politie op de rechtsverwerkingsclausule ten aanzien van dit bezwaar naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is niet op.
5.12.
Vitam heeft de Politie wel al eerder geattendeerd op het in haar ogen ongelijke speelveld. Door middel van een in de tweede vragenronde gestelde vraag heeft zij (impliciet) haar bedenkingen geuit over de gelijke uitgangspositie van de partijen die zich op Aanbesteding II willen inschrijven. In reactie hierop heeft de Politie in de tweede NvI geantwoord dat de gelijkheid tussen de inschrijvers haars inziens voldoende is geborgd. Uit de schriftelijke reactie van Vitam van 4 juli 2025 volgt dat zij zich niet met dat antwoord kon verenigen en dat zij op dat moment nog altijd van mening was dat Aanbesteding II fundamenteel gebrekkig is. Desondanks – en de waarschuwingen van de Politie ten spijt – heeft zij er vervolgens niet voor gekozen om een kort geding aanhangig te maken, zoals omschreven in paragraaf 5.2. van de inschrijvingsleidraad. Volgens Vitam kan dit niet aan haar worden tegengeworpen, omdat op haar op 4 juli 2025 geuite schriftelijke bezwaren niet inhoudelijk door de Politie is gereageerd. Aan haar had echter op grond van het antwoord in de tweede NvI, die op 26 juni 2025 is gepubliceerd, al voldoende duidelijk moeten zijn dat de Politie haar bezwaren niet onderschreef. Op dat moment had zij nog ongeveer drie weken om een kort geding aanhangig te maken. Het is vervolgens haar eigen keuze geweest om dit niet te doen en – buiten de voorgeschreven procedure om – (enkel) in een schriftelijke reactie haar bezwaren (nogmaals) naar voren te brengen. Daarmee heeft zij zelf in de hand gewerkt dat na het antwoord van de Politie van 7 juli 2025 de tijd voor het starten van een kort geding nog maar kort was. En hoewel het kennelijk al die tijd voor haar volstrekt duidelijk was dat de manier waarop Aanbesteding II was vormgegeven niet door de beugel kon, heeft zij ook toen geen kort geding gestart maar ervoor gekozen om zich in te schrijven op Aanbesteding II en de uitkomst van de gunningsbeslissing af te wachten. Daarmee heeft zij haar eigen belangen laten prevaleren boven de belangen van de Politie en de overige inschrijvers. Het beroep op de rechtsverwerkingsclausule is gelet hierop niet naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar. Dat Vitam zich in haar schriftelijke reactie het recht heeft voorbehouden om haar bezwaren op een later tijdstip aan de orde te stellen, maakt dat niet anders.
5.13.
De voorzieningenrechter onderschrijft ook niet het standpunt van Vitam dat de Politie zich niet op rechtsverwerking kan beroepen omdat sprake is van een fundamenteel gebrek in Aanbesteding II. De Politie heeft gemotiveerd weersproken dat sprake is geweest van een ongelijk speelveld. Zij heeft duidelijk gemaakt dat alle inschrijvers op Aanbesteding II ook op Aanbesteding I hadden ingeschreven, zodat in die zin geen sprake is van een kennisvoorsprong zoals door Vitam gesteld. Daarnaast heeft de Politie toegelicht – en dit is door Albron bevestigd – dat na de intrekking van Aanbesteding I aan de winnende inschrijvers dezelfde informatie is verstrekt als aan de verliezende inschrijvers. Daarmee is de informatieongelijkheid die er mogelijk na de gunningsbeslissing van 5 februari 2025 was opgeheven. Feitelijk is er dus geen sprake geweest van een ongelijk speelveld. Los daarvan is de voorzieningenrechter met de Politie van oordeel dat niet is gebleken dat aan de informatie die in de gunningsbeslissing van 5 februari 2025 is gegeven de waarde kan worden toegekend die Vitam daaraan toekent. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat als gevolg van de methode van lineair programmeren en de gunning van maximaal twee percelen per inschrijver de winnende inschrijving niet per definitie de inschrijving is met de laagste inschrijfprijs of de laagste prijs per kwaliteitspunt. Bovendien zijn er wel degelijk (wezenlijke) wijzigingen doorgevoerd in Aanbesteding II. Niet alleen in de omvang van de percelen, maar vooral ook in de gunningscriteria (andere en gewijzigde criteria) en het beoordelingskader (andere puntenverdeling en geen bonustoekenning). Vitam heeft onvoldoende aannemelijk gemaakt dat desondanks de verstrekte informatie in de gunningsbeslissing van 5 februari 2025 tot een verstoring van het gelijke speelveld heeft kunnen leiden. Dat sprake is van een fundamenteel gebrek in de door Vitam gestelde zin staat dan ook niet vast.
5.14.
Dit geldt ook voor het tweede door Vitam gestelde gebrek (dat feitelijk is gegund op basis van de laagste prijs). Als inschrijvingen bij hantering van de gunningscriterium ‘beste prijs-kwaliteitsverhouding’ op kwaliteit niet veel van elkaar verschillen ligt het voor de hand dat aan de inschrijfprijs een belangrijkere, en wellicht ook doorslaggevende, betekenis toekomt. Dit brengt echter niet zonder meer mee dat het gunningscriterium is losgelaten. Vitam heeft onvoldoende feiten en omstandigheden aangevoerd op basis waarvan kan worden aangenomen dat dat in dit geval wel is gebeurd. Daarbij betrekt de voorzieningenrechter dat de Politie onbetwist heeft aangevoerd dat uit de inschrijvingen niet blijkt dat (bewust) risico’s zijn genomen op de kwalitatieve onderdelen en dat bovendien niet steeds met lagere inschrijfprijzen is ingeschreven.
Vordering tot herbeoordeling
5.15.
De voorzieningenrechter komt vervolgens toe aan het betoog van Vitam dat de Politie haar uitwerking van de gunningscriteria KC- 1, 2 en 4 inhoudelijk onjuist heeft beoordeeld.
5.16.
Daarbij wordt vooropgesteld dat aan enige mate van subjectiviteit bij de beoordeling van de door de Politie gehanteerde gunningscriteria niet te ontkomen valt. Dat brengt weliswaar enige spanning teweeg met de objectieve beoordelingssystematiek van het aanbestedingsrecht en de daarop toepasselijke beginselen van transparantie en gelijke behandeling, maar het behoeft nog niet mee te brengen dat ook daadwerkelijk sprake is van strijd met dat recht en/of die beginselen. Van belang is dat (i) het voor een potentiële inschrijver duidelijk is wat er van hem wordt verwacht, (ii) de inschrijvingen aan de hand van een zo objectief mogelijk systeem worden beoordeeld en (iii) de gunningsbeslissing zodanig inzichtelijk wordt gemotiveerd dat het voor een afgewezen inschrijver mogelijk is om de wijze waarop de beoordeling heeft plaatsgevonden te toetsen. Voor het overige komt aan de voorzieningenrechter slechts een beperkte toetsingsvrijheid toe wanneer het aankomt op de beoordeling van kwalitatieve criteria. Aan de aangewezen beoordelingscommissie, waarvan de deskundigheid in beginsel moet worden aangenomen, moet de nodige beoordelingsruimte worden gegund, mede omdat de rechter geen specifieke deskundigheid bezit op het gebied van het onderwerp van de opdracht. Alleen als sprake is van een onbegrijpelijke beoordeling, dan wel procedurele of inhoudelijke onjuistheden en/of onduidelijkheden, die zouden kunnen meebrengen dat de gunningsbeslissing niet deugt, is plaats voor ingrijpen door de rechter.
KC-1 Assortiment
5.17.
Vitam stelt allereerst dat haar inschrijving voor wat betreft KC-1 onjuist is beoordeeld. De inschrijving van Vitam is op dit onderdeel met ‘voldoende’ beoordeeld. De reden daarvoor is onder meer omdat de door Vitam voorgestelde kroketspaarkaart niet aansluit bij de doelstelling van de Politie gericht op het stimuleren van gezonde voeding. Anders dan Vitam meent, is dit oordeel van de beoordelingscommissie gelet op het beoordelingskader en de in paragraaf 1.5 van de Inschrijvingsleidraad weergegeven doelstellingen die de Politie met de opdracht nastreeft naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet onbegrijpelijk of inhoudelijk onjuist.
5.18.
Vitam meent verder dat de beoordelingscommissie bij de beoordeling van KC-1 een beoordelingsaspect heeft betrokken dat niet in de Inschrijfleidraad stond vermeld. De commissie heeft immers geoordeeld dat Vitam de doelstelling met de eiwittransitie onvoldoende heeft belicht in haar inschrijving, terwijl – zo stelt Vitam – deze doelstelling geen onderdeel is van KC-1 maar van KC-3. Zelfs als het juist is dat de nagestreefde eiwittransitie bij de beoordeling van KC-1 geen rol kan spelen, wat de voorzieningenrechter gelet op de expliciete verwijzing naar de doelstellingen in het beoordelingskader niet aannemelijk acht, levert dit naar het oordeel van de voorzieningenrechter geen grond op voor de gevorderde herbeoordeling. Uit het beoordelingskader (gelezen in combinatie met de NvI) blijkt dat voor de score ‘goed’ nodig is dat (i) de beantwoording op alle onderdelen uit het betreffende gunningscriterium antwoord geeft, (ii) de beantwoording volledig is onderbouwd, (iii) de beantwoording realistisch en toepasbaar is voor de Politie en (iii) de beantwoording (bijna) volledig bijdraagt aan het bereiken van de doelstellingen uit paragraaf 1.4 en 1.5 [4] die de Politie met de overeenkomst nastreeft. De inschrijving van Vitam voldoet hier al niet aan omdat, zoals de beoordelingscommissie heeft kunnen oordelen, de krokettenspaarkaart niet bijdraagt aan de doelstelling van het stimuleren van gezonde voeding en Vitam, zoals zij niet heeft weersproken, in haar inschrijving geen keuzemogelijkheid voor drinken voor de vergaderlunches ‘vegan’ en ‘vega’ heeft benoemd. Kortom, ook als het punt van de eiwittransitie niet in de beoordeling mocht worden betrokken, komt het oordeel van de beoordelingscommissie dat aan de inschrijving van Vitam op dit punt een ‘voldoende’ moet worden toegekend niet onbegrijpelijk of inhoudelijk onjuist voor.
KC-2 Sfeerimpressie
5.19.
Vitam kan zich ook niet vinden in het oordeel dat de beoordelingscommissie heeft gegeven voor het onderdeel van haar inschrijving dat betrekking heeft op KC-2. Vitam wijst er allereerst op dat de beoordelingscommissie, door te overwegen dat de lunchdeal niet concreet wordt teruggezien in het assortiment op de sfeerimpressie, bij de beoordeling een element heeft betrokken dat niet in de inschrijvingsleidraad is vermeld. Bij de beoordeling van dit bezwaar gaat het erom hoe een behoorlijk geïnformeerd en normaal oplettende inschrijver paragraaf 2.2.2 van de inschrijvingsleidraad heeft kunnen begrijpen. Hierbij moet worden uitgegaan van de zogenaamde ‘CAO-norm’. De bewoordingen van de bepaling – gelezen in het licht van de gehele tekst van de overige (relevante) aanbestedingsstukken – zijn van doorslaggevende betekenis, waarbij het aankomt op de betekenis die – naar objectieve maatstaven – volgt uit de bewoordingen waarin die stukken zijn opgesteld.
5.20.
Op grond van paragraaf 2.2.2. moeten inschrijvers in een sfeerimpressie tonen hoe een restaurant in hun concept eruitziet. Daarbij moeten zij tenminste laten zien “hoe de
signingwaarmee gasten worden geattendeerd op de lunchdeal er uitziet, maar ook aan hoe het vrij in te vullen assortiment gepresenteerd wordt”. Met de Politie is de voorzieningenrechter van oordeel dat nu het eigen concept van de inschrijver, de lunchdeal en het vrij in te vullen assortiment begrippen zijn die ook nadrukkelijk in de in de inschrijvingsleidraad gegeven toelichting op KC-1 voorkomen, het voor een normaal oplettende en behoorlijk geïnformeerde inschrijver duidelijk moest zijn dat dat de inhoud van zijn voorstel bij KC-1 in de sfeerimpressie van KC-2 zou moeten worden vertaald. Dat Vitam het zo heeft begrepen volgt ook uit het feit dat zij in haar voorstel bij KC-1 verwijst naar de sfeerimpressie van KC-2. Gelet hierop kan niet worden geoordeeld dat de beoordelingscommissie met haar oordeel over de weergave van de lunchdeal in de sfeerimpressie buiten het beoordelingskader is getreden.
5.21.
Anders dan Vitam stelt, is het vervolgens niet onbegrijpelijk of inhoudelijk onjuist dat de beoordelingscommissie heeft geoordeeld dat zij de lunchdeal zoals aangegeven op het bord mist in het assortiment op de sfeerimpressie. Vitam zegt zelf dat zij in haar inschrijving bij KC-1 heeft aangegeven dat de componenten van de lunchdeal weliswaar bij hun eigen afgiftepunt staan, maar herkenbaar zijn dankzij vaste kleuren in
signing. Met de Politie constateert de voorzieningenrechter dat dit in de sfeerimpressie die Vitam als productie 16 heeft overgelegd niet is terug te zien. Niet blijkt waar de op het bord weergegeven (blauwe) onderdelen van de lunchdeal zijn terug te vinden in het op de sfeerimpressie getoonde assortiment. In zoverre kon de beoordelingscommissie dan ook oordelen dat is de beantwoording van Vitam op KC-2 niet volledig is onderbouwd.
KC-4 Personeel
5.22.
Het deel van de inschrijving van Vitam dat ziet op KC-4 is door de beoordelingscommissie met ‘goed’ beoordeeld. Volgens Vitam had haar score op dit onderdeel ‘zeer goed’ moeten zijn, omdat zij in haar inschrijving drie concrete aspecten heeft opgenomen die van meerwaarde zijn voor de Politie. De voorzieningenrechter overweegt ten aanzien van dit bezwaar als volgt.
5.23.
Volgens het beoordelingskader wordt de score ‘zeer goed’ toegekend als de beantwoording voldoet aan de criteria voor een ‘goed’ én naast het gevraagde in het betreffende gunningscriterium nog ten minste twee elementen worden geboden die aantoonbaar meerwaarde bieden voor de Politie. In antwoord op de vraag aan welke eisen deze extra elementen moeten voldoen om in aanmerking te komen voor de maximale score, heeft de Politie in de NvI uiteengezet dat sprake is van een extra element als het element niet expliciet is opgenomen in de Inschrijvingsleidraad of de Programma’s van Eisen. In de Inschrijvingsleidraad staat dat het voorstel van de inschrijvers het volgende dient te bevatten:
  • Hoe gaat u het personeel (…) meenemen in de veranderingen die de nieuwe Overeenkomst met zich meebrengt?
  • Hoe draagt u bij aan het werkgeluk van uw medewerkers?
  • Hoe geeft u aandacht aan het thema: veilige & gezonde werkomgeving?
5.24.
Vitam noemt in haar dagvaarding enkel de aspecten van haar inschrijving die volgens haar van meerwaarde zijn voor de Politie, te weten (i) Belonen en waarderen, (ii) Vitaliteitscoach voor extra werkgeluk en (iii) De Talententuin. Zij heeft echter niet toegelicht wat deze aspecten inhouden en in hoeverre daarmee iets extra’s naast het gevraagde wordt geboden. De voorzieningenrechter kan daarom niet beoordelen of een of meerdere van deze aspecten door de beoordelingscommissie ten onrechte niet als extra element met aantoonbare meerwaarde zijn aangemerkt. Daarbij wordt opgemerkt dat het de voorzieningenrechter vooralsnog niet onbegrijpelijk voorkomt dat de beoordelingscommissie in ieder geval de ‘Vitaliteitscoach voor extra werkgeluk’ als onderdeel van het gevraagde heeft gezien. Voor zover al uit de motivering van de score van Vitam kan worden afgeleid dat de beoordelingscommissie ‘De Talententuin’ als extra element met aantoonbare meerwaarde heeft gekwalificeerd, geldt dat in dat geval slechts sprake is van één extra element. Daarmee is niet voldaan aan de voorwaarden voor het behalen van de score ‘zeer goed’.
Vordering om de gunningsbeslissing opnieuw te motiveren
5.25.
De voorzieningenrechter is ten slotte van oordeel dat ook het beroep van Vitam op artikel 2.130 Aw niet slaagt. Uit dat artikel volgt dat die beslissing de relevante redenen voor die beslissing moet bevatten. Daaronder wordt in ieder geval verstaan de kenmerken en relatieve voordelen van de uitgekozen inschrijving alsmede de naam van de winnende inschrijver. Vitam stelt zich op het standpunt dat de gunningsbeslissing niet aan de eisen van artikel 2.130 Aw voldoet en beroept zich daarbij op dezelfde argumenten als die zij ook in het kader van haar vordering tot herbeoordeling heeft aangevoerd. Hiervoor is echter al geoordeeld dat Vitam in die argumenten niet kan worden gevolgd, althans dat haar onderbouwing van die argumenten tekortschiet. Voor een veroordeling van de Politie tot nadere motivering van de gunningsbeslissing bestaat dan ook geen grond.
Conclusie en proceskostenveroordeling
5.26.
Gelet op al hetgeen hiervoor is overwogen, is er in dit geding geen aanleiding om een van de gevorderde ordemaatregelen te treffen. De vorderingen van Vitam zullen dan ook worden afgewezen. Vitam zal, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de proceskosten aan de zijde van de Politie
5.27.
Omdat de Politie voornemens is de opdracht voor de percelen 1 tot en met 6 ook definitief te gunnen aan Compass, Albron, Food & I en Appèl, brengt de afwijzing van de vorderingen van Vitam mee dat Compass, Albron, en Food & I geen belang (meer) hebben bij toewijzing van hun vorderingen, zodat deze worden afgewezen. Compass, Albron en Food & I zullen worden veroordeeld in de kosten van de Politie, welke kosten worden begroot op nihil, nu niet is gebleken dat de Politie als gevolg van deze vorderingen extra kosten heeft moeten maken.
5.28.
Ondanks de afwijzing moet Vitam in haar verhouding tot Compass, Albron, Appèl en Food & I worden aangemerkt als de in het ongelijk gestelde partij. Het doel van Compass, Albron, Appèl en Food & I was immers te voorkomen dat de gunningsbeslissing zou worden ingetrokken, welk doel is bereikt. Vitam zal dan ook worden veroordeeld in de proceskosten van Compass, Albron, Appèl en Food & I.
5.29.
De proceskosten van zowel de Politie als Compass, Albron, Appèl en Food & I worden begroot op:
- griffierecht € 714,00
- salaris advocaat € 1.177,00
- nakosten € 189,00 (plus de verhoging zoals vermeld in de
beslissing)
totaal € 2.080,00
5.30.
De door de Politie, Compass, Albron en Appèl gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

6.De beslissing

De voorzieningenrechter:
6.1.
wijst de vorderingen van Vitam tegen de Politie en de vorderingen van Compass, Albron, Food & I tegen de Politie af;
6.2.
veroordeelt Compass, Albron, Food & I voor wat betreft de door hen ingestelde vorderingen jegens de Politie in de kosten van de Politie, tot dusver begroot op nihil;
6.3.
veroordeelt Vitam in de proceskosten van zowel de Politie als Compass, Albron, Appèl en Food & I van ieder € 2.080,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als Vitam niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, dan moet Vitam € 98,00 extra aan de betreffende partij betalen, plus de kosten van betekening;
6.4.
veroordeelt Vitam in de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 Burgerlijk Pro Wetboek over de proceskosten van de Politie, Compass, Albron en Appèl als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn voldaan;
6.5.
verklaart de onderdelen 6.2 tot en met 6.4 van de beslissing uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. T.F. Hesselink en in het openbaar uitgesproken op 12 februari 2026.
EI

Voetnoten

1.HvJ EG 2 februari 2004, ECLI:EU:C:2004:93.
2.Gerechtshof Den Haag 25 mei 2021, ECLI:NL:2021:890.
3.Gerechtshof Den Haag 25 mei 2021, ECLI:NL:2021:890, r.o. 8.4.
4.In de Inschrijvingsleidraad is abusievelijk paragraaf 1.5 en 1.6 vermeld. De Politie heeft dat naar aanleiding van een vraag in de NvI rechtgezet.