ECLI:NL:RBDHA:2026:3826

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
26 februari 2026
Publicatiedatum
26 februari 2026
Zaaknummer
C/09/700167 / KG RK 26-329
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Wraking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 515 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing wrakingsverzoek wegens gebrek aan onderbouwing en misbruik van recht

Verzoeker heeft tijdens een strafzitting een mondeling wrakingsverzoek ingediend tegen de rechters van de meervoudige kamer, stellende dat hij geen vertrouwen heeft in de onpartijdigheid van de rechters. Hij baseert dit op de vermeende negering van zijn uitlatingen en het beschermen van de officier van justitie en een advocatenkantoor.

De wrakingskamer beoordeelt dat een wraking alleen mogelijk is bij concrete feiten die wijzen op vooringenomenheid of een objectief gerechtvaardigde vrees daarvoor. De aangevoerde gronden van verzoeker zijn echter slechts onbewezen veronderstellingen en suggesties zonder feitelijke onderbouwing.

Eerder was al een wrakingsverzoek van verzoeker afgewezen om dezelfde redenen, waarbij ook werd vastgesteld dat het wrakingsmiddel wordt misbruikt om de procedure te frustreren. Daarom bepaalt de wrakingskamer dat toekomstige wrakingsverzoeken in deze zaak niet meer in behandeling worden genomen.

De wrakingskamer wijst het verzoek af, beveelt voortzetting van de strafprocedure en zendt de beslissing toe aan alle betrokken partijen. Tegen deze beslissing is geen rechtsmiddel mogelijk.

Uitkomst: Het wrakingsverzoek wordt afgewezen wegens gebrek aan onderbouwing en misbruik van het wrakingsmiddel.

Uitspraak

Rechtbank den haag

Wrakingskamer
wrakingnummer 2026/16
zaak- /rekestnummer: C/09/700167 / KG RK 26-329
Beslissing van 26 februari 2026
van de meervoudige wrakingskamer van de rechtbank op het verzoek van
[verzoeker] ,
wonende te [woonplaats] ,
hierna te noemen: verzoeker,
strekkende tot de wraking van
mrs. P. van Essen, S. Pereth en M.S. Verboom,
rechters in deze rechtbank,
hierna te noemen: de rechters.

1.De procedure

1.1.
Verzoeker heeft op 20 februari jl. tijdens de zitting waarop de strafzaak tegen hem werd behandeld, een mondeling wrakingsverzoek gedaan. Uit het proces-verbaal van deze zitting blijkt welke gronden hij daarvoor heeft aangevoerd.

2.Het wrakingsverzoek

2.1.
Het verzoek strekt tot wraking van de rechters in de strafzaak met parketnummer
09/137330-23 tegen verzoeker als verdachte.
2.2.
In het proces-verbaal van de terechtzitting van 20 februari 2026 is, voor zover van belang, het volgende opgenomen:
“De verdachte verzoekt om wraking van alle leden van deze meervoudige kamer.
(…)
De verdachte voert het woord als volgt:
Gaat u nou weer dreigen? U negeert toch alles? De officier van justitie heeft toch een sepotverzoek gehad van de klachtencommissie? Dat is het zoveelste stuk dat de officier van justitie zogenaamd niet ontvangen heeft en waar hij niet op reageert. Ik heb het allemaal netjes volgens de wet geprobeerd en jullie negeren het allemaal. Ik heb geen vertrouwen in u. Er wordt hier geen recht gesproken. U beschermt de officier van justitie en u beschermt advocatenkantoor De Klerk. Zij mogen liegen en dingen negeren. Bij deze een wrakingsverzoek.
De voorzitter vraagt aan de verdachte of het klopt dat hij een wrakingsverzoek doet omdat hij geen vertrouwen heeft in de rechtbank.
De verdachte voert het woord als volgt:
Wat wilt u nou van me? Vind u dat dit vertrouwenswaardig overkomt? U negeert toch alles wat ik zeg en u brabbelt er maar overheen. (…). U heeft geen enkele intentie om naar mij te luisteren of recht te spreken. (…).”

3.De beoordeling

3.1.
Een rechter kan alleen gewraakt worden als zich omstandigheden voordoen waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Daarvan is sprake als de rechter jegens een procesdeelnemer vooringenomen is of als de vrees daarvoor objectief gerechtvaardigd is. Daarbij is het uitgangspunt dat een rechter wordt vermoed onpartijdig te zijn omdat hij of zij als rechter is aangesteld. Voor het oordeel dat de rechterlijke onpartijdigheid toch schade lijdt, bestaat alleen grond in geval van bijzondere omstandigheden die een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het aannemen van (de objectief gerechtvaardigde schijn van) partijdigheid.
3.2.
Uit het wrakingsverzoek leidt de wrakingskamer af dat verzoeker de rechters wil wraken omdat deze alles negeren wat hij zegt en verder omdat hij geen vertrouwen in hen heeft.
3.3.
Deze aangevoerde gronden betreffen slechts veronderstellingen en suggesties van verzoeker. Hij heeft niet onderbouwd waarop deze veronderstellingen en suggesties zijn gebaseerd. Concrete feiten waaruit de wrakingskamer de vooringenomenheid van de rechters of zwaarwegende aanwijzingen voor de objectief gerechtvaardigde vrees daarvoor kan afleiden, ontbreken. De wrakingskamer is dan ook van oordeel dat het verzoek tot wraking kennelijk ongegrond is en zal het verzoek daarom afwijzen.
3.4.
Verzoeker heeft in deze strafzaak reeds eerder een wrakingsverzoek gedaan dat is afgewezen omdat de aangevoerde gronden slechts niet onderbouwde veronderstellingen betroffen. Ook dat wrakingsverzoek heeft geleid tot onredelijke vertraging van de rechtspleging. Naar het oordeel van de wrakingskamer gebruikt verzoeker het middel van wraking voor een ander doel dan waarvoor het is gegeven of met geen ander doel dan de voortgang van de procedure te frustreren. Daarmee is sprake van misbruik. De wrakingskamer zal daarom bepalen dat een volgend verzoek tot wraking in deze strafzaak niet meer in behandeling zal worden genomen.
3.5.
Voor een behandeling van het wrakingsverzoek ter terechtzitting bestaat geen reden. Het in de wet opgenomen recht op een mondelinge behandeling is door de wetgever bedoeld voor het debat over de gegrondheid van het verzoek, maar aan dat debat wordt gezien het vorenstaande niet toegekomen.

4.De beslissing

De wrakingskamer:
4.1.
wijst het verzoek tot wraking af;
4.2.
bepaalt dat het proces in de strafzaak wordt voortgezet in de stand waarin het zich bevond ten tijde van het indienen van het wrakingsverzoek;
4.3.
bepaalt dat een volgend wrakingsverzoek in deze zaak niet in behandeling zal worden genomen;
4.4.
beveelt dat (een afschrift van) deze beslissing met inachtneming van het bepaalde bij artikel 515, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegezonden aan:
• de verzoeker;
• de officier van justitie mr. S. Sleeswijk-Visser;
• de rechters;
• de benadeelde partij, p/a mr. M.P. de Klerk,
Deze beslissing is gegeven door mrs. S.M. Krans, A.M.A. Keulen en A.M. Boogers, in tegenwoordigheid van de griffier mr. M.L. van Nooijen-Kühler en in het openbaar uitgesproken op 26 februari 2026.
de griffier de voorzitter
Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.