ECLI:NL:RBDHA:2026:3832

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
26 januari 2026
Publicatiedatum
26 februari 2026
Zaaknummer
NL25.57953
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 31 Vreemdelingenwet 2000Art. 3 EVRMVerdrag betreffende de status van vluchtelingen
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing asielverzoek Colombiaanse vrijwilliger wegens ongeloofwaardige bedreiging door ELN

Eiser, een Colombiaanse maatschappelijk werker die vrijwilligerswerk met jongeren verrichtte, verzocht om asiel wegens bedreigingen door de guerrillagroep ELN. Hij overhandigde een originele aangifte van bedreiging, maar zijn verklaringen werden als onsamenhangend en onvoldoende onderbouwd beoordeeld.

De rechtbank oordeelde dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij als sociaal leider wordt gezien of dat hij daadwerkelijk bedreigd wordt door de ELN. Ook werd geoordeeld dat eiser geen bewijs leverde van het ontbreken van effectieve bescherming door de Colombiaanse autoriteiten.

Het beroep werd ontvankelijk verklaard ondanks een kleine termijnoverschrijding. De rechtbank volgde de minister in de afwijzing van het asielverzoek en wees het beroep af. Eiser kreeg geen proceskostenvergoeding. De uitspraak is openbaar en bevat informatie over hoger beroep.

Uitkomst: Het beroep van eiser wordt ongegrond verklaard en het bestreden besluit tot afwijzing van de asielaanvraag blijft in stand.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.57953

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , V-nummer: [v-nummer], eiser

(gemachtigde: mr. W.N. van der Voet),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. G.L. Wischhoff).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn asielaanvraag. Eiser heeft op 20 oktober 2025 een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Verweerder heeft met het bestreden besluit van 18 november 2025 deze aanvraag in de algemene procedure afgewezen als ongegrond. [1]
1.1.
De rechtbank heeft het beroep op 13 januari 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, A. Hairan als tolk, en de gemachtigde van verweerder.

Beoordeling door de rechtbank

Waar gaat deze zaak over?
2. Eiser heeft de Colombiaanse nationaliteit en is geboren op [geboortedatum] 2000. Eiser legt aan zijn asielaanvraag ten grondslag dat hij is bedreigd door de bende Ejército de Liberación Nacional (ELN). Na zijn afstuderen als maatschappelijk werker deed eiser vrijwilligerswerk met jongeren. Hij heeft toen via WhatsApp bedreigingen ontvangen. Eiser heeft aangifte gedaan bij het Openbaar Ministerie. Nadat verweerder het voornemen had uitgebracht, heeft eiser de originele aangifte overgelegd.
3. Het asielrelaas van eiser bevat volgens verweerder de volgende asielmotieven:
de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser;
de bedreiging door de ELN.
4. Verweerder vindt de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser geloofwaardig, maar de bedreiging door de ELN niet. Eisers verklaringen over de bedreiging vormen namelijk geen samenhangend en aannemelijk geheel. [2] Verweerder vindt eisers verklaringen over waarom en door wie hij bedreigd is niet aannemelijk en vindt dat eiser niet handelt als iemand die internationale bescherming verlangt. De originele aangifte is niet voldoende om tot een andere conclusie te komen. Eiser heeft daarom geen gegronde vrees voor vervolging in vluchtelingrechtelijke zin [3] en hij loopt geen reëel risico op ernstige schade in de zin van artikel 3 van Pro het EVRM. [4]
Wat vindt eiser in beroep?
5. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit en voert – kort samengevat – het volgende aan. Verweerder heeft miskend dat eiser met de originele aangifte een begin van bewijs van zijn asielrelaas heeft gegeven. Eiser heeft daarnaast wel degelijk aannemelijk verklaard over de bedreigingen. Hij loopt gevaar omdat hij opkomt voor de gemeenschap en kan geen effectieve bescherming van de Colombiaanse autoriteiten krijgen. Ook heeft verweerder miskend dat eiser ook gevaar loopt door andere bendes in Colombia die in drugs handelen. Verweerder is in dit kader niet voldoende ingegaan op de landeninformatie die eiser bij de zienswijze heeft overgelegd. [5]
Wat is het oordeel van de rechtbank?
6. De rechtbank geeft eiser geen gelijk. De rechtbank zal dit oordeel hieronder uitleggen.
7. De rechtbank ziet zich allereerst voor de vraag gesteld of eisers beroep ontvankelijk is. Omdat het bestreden besluit is genomen op 18 november 2025, verliep de beroepstermijn aan het einde van de dag op 25 november 2025. Eiser heeft op 26 november 2025 om vierentwintig minuten na middernacht beroep ingesteld. Ter zitting heeft de gemachtigde van eiser aangevoerd dat dit te maken had met onderhoud aan digitale systemen. Gelet op de zeer beperkte termijnoverschrijding en het belang van eiser bij een inhoudelijke beoordeling van zijn beroep, acht de rechtbank de termijnoverschrijding verschoonbaar. Het beroep van eiser is dus ontvankelijk. Hierna zal de rechtbank het beroep inhoudelijk beoordelen.
8. De rechtbank is van oordeel dat verweerder eiseres problemen met de ELN ongeloofwaardig mocht vinden. Allereerst hoefde verweerder niet aannemelijk te vinden dat eiser vanwege zijn vrijwilligerswerk als sociaal leider wordt gezien en om die reden is bedreigd. Eiser heeft verklaard dat hij twee maanden lang iedere week sportte met jongeren. Ook als deze werkzaamheden aannemelijk zijn, volgt hieruit niet dat eiser een rol als sociaal leider inneemt. De rechtbank volgt verweerder daarom dat eiser niet inzichtelijk heeft gemaakt dat zijn vrijwilligerswerk hem in de negatieve belangstelling heeft geplaatst. Daar komt bij dat eiser zijn vrijwilligerswerk niet heeft onderbouwd met stukken, terwijl verweerder dit wel van hem mocht verwachten. Ook mocht verweerder tegenwerpen dat eiser pas bij het nader gehoor de naam heeft kunnen noemen van de groepering die hem bedreigd heeft. Verweerder heeft de overgelegde originele aangifte naar het oordeel van de rechtbank ook voldoende betrokken in de besluitvorming. Verweerder mocht erop wijzen dat de aangifte is gebaseerd op eisers eigen verklaringen, dat die verklaringen oppervlakkig zijn en dat eiser bij de aangifte niet heeft kunnen aangeven wie hem heeft bedreigd. Dat eiser aangifte heeft gedaan, leidt daarom niet tot de conclusie dat hij gevaar loopt. Ook is naar het oordeel van de rechtbank niet gebleken dat eiser geen bescherming kan krijgen van de autoriteiten. Hij heeft de behandeling van de aangifte niet afgewacht en heeft geen andere acties ondernomen om bescherming te krijgen. Verweerder heeft naar het oordeel van de rechtbank voldoende met landeninformatie onderbouwd dat er wel beschermingsmogelijkheden waren voor eiser. [6]
8.1.
Eisers betoog in de gronden dat hij gevaar loopt van iedere bende die in drugs handelt, slaagt niet. Eiser heeft in de gehoren en op andere momenten in de procedure geen informatie naar voren gebracht waaruit blijkt dat hij problemen heeft met andere bendes. Nu verweerder eiser niet als sociaal leider hoefde aan te merken, is ook niet aannemelijk dat hij vanwege die rol gevaar loopt met alle bendes die actief zijn in Colombia. De stelling dat het vrijwilligerswerk van eiser doet tegen de doelstellingen van zulke groeperingen in gaat, is niet voldoende voor deze conclusie.

Conclusie en gevolgen

9. Verweerder heeft de aanvraag mogen afwijzen als ongegrond.
Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft.
9.1.
Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.J.P. Bosman, rechter, in aanwezigheid van mr. H.S. van Wessel, griffier.
De beslissing is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen een week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Op grond van artikel 31, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000).
2.Artikel 31, zesde lid, onder c van de Vw 2000.
3.Verdrag betreffende de status van vluchtelingen.
4.Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
5.Brief van VluchtelingenWerk Nederland van 14 november 2025, Colombia-EMC (Carolina Ramírez Front)
6.Zie pagina 5 en 6 van het voornemen, waarin verweerder verwijst naar het Algemeen Ambtsbericht over Colombia van 2024.