ECLI:NL:RBDHA:2026:3836

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
26 januari 2026
Publicatiedatum
26 februari 2026
Zaaknummer
NL25.57331 en NL25.57332
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 31 Vw 2000Art. 30b Vw 2000Art. 6:22 AwbArtikel 3 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing asielaanvraag Nigeriaanse man wegens ongeloofwaardige identiteit en onvoldoende risico op vervolging

Eiser, een Nigeriaanse man, vroeg asiel aan in Nederland nadat hij in Nigeria was betrapt op homoseksuele handelingen en slachtoffer werd van mensenhandel. Hij legde een juju-eed af die hem zou bedreigen bij terugkeer. De minister wees de aanvraag af als kennelijk ongegrond vanwege ongeloofwaardige identiteit en het ontbreken van een reëel risico op vervolging.

De rechtbank oordeelde dat het asielmotief van homoseksuele handelingen niet als apart motief hoefde te worden aangemerkt, omdat eiser zelf aangaf Nigeria te hebben verlaten vanwege armoede en mensenhandel. De identiteit van eiser werd als ongeloofwaardig beoordeeld vanwege het ontbreken van onderbouwing met documenten en tegenstrijdige persoonsgegevens.

Hoewel eiser slachtoffer is van mensenhandel, concludeerde de rechtbank dat de minister een voldoende risico-analyse had gemaakt, waarbij alle relevante factoren waren betrokken. Het juju-ritueel werd niet als bedreiging gezien vanwege landeninformatie. Het verzoek om voorlopige voorziening werd afgewezen en eiser werd veroordeeld in de proceskosten.

Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de asielaanvraag wordt ongegrond verklaard en het bestreden besluit blijft in stand.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummers: NL25.57331 en NL25.57332
uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaken tussen

[eiser] , V-nummer: [v-nummer] , eiser/verzoeker (hierna: eiser)

(gemachtigde: mr. F.H. Bruggink),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. G.L. Wischhoff).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn asielaanvraag en beoordeelt de voorzieningenrechter zijn verzoek om een voorlopige voorziening. Eiser heeft op 30 oktober 2025 een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Verweerder heeft met het bestreden besluit van 14 november 2025 deze aanvraag in de algemene procedure afgewezen als kennelijk ongegrond. [1]
1.1.
De rechtbank heeft het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening op 13 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, A.K. Umar als tolk, en de gemachtigde van verweerder.

Beoordeling door de rechtbank

Waar gaat deze zaak over?
2. Eiser stelt de Nigeriaanse nationaliteit te hebben en te zijn geboren op [geboortedatum] 1997. Eiser legt aan zijn asielaanvraag het volgende ten grondslag. Eiser komt uit een arm gezin. Hij is in Nigeria betrapt terwijl hij homoseksuele handelingen verrichtte met zijn leermeester. Daarna is hij in contact gekomen met een mensenhandelaar, die eiser heeft gedwongen in Europa in de prostitutie te werken. Eiser heeft ook een juju eed af moeten leggen die maakt dat hij dood zou gaan als hij terugkeert naar Nigeria terwijl hij zijn schuld aan de mensenhandelaar niet heeft afbetaald.
3. Het asielrelaas van eiser bevat volgens verweerder de volgende asielmotieven:
de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser;
dat eiser slachtoffer is van mensenhandel.
Dat eiser is betrapt terwijl hij homoseksuele handelingen verrichtte met zijn leermeester en dat eiser in Nigeria in de prostitutie heeft gewerkt om in zijn levensonderhoud te voorzien, merkt verweerder niet aan als asielmotieven, omdat dat volgens verweerder geen aanleiding vormde om het land te verlaten.
4. Verweerder vindt de nationaliteit en herkomst van eiser geloofwaardig. Verweerder vindt eisers identiteit niet geloofwaardig, omdat eiser geen pogingen heeft ondernomen deze met identificerende documenten te onderbouwen en omdat eiser andere persoonsgegevens heeft opgegeven dan in een eerdere procedure. [2] Verweerder wijst er daarnaast op dat eiser zijn aanvraag zonder goede verklaring niet zo snel mogelijk heeft ingediend en dat hij niet in grote lijnen als geloofwaardig kan worden beschouwd. [3] Dat eiser slachtoffer is van mensenhandel, is volgens verweerder geloofwaardig. Eiser heeft echter geen gegronde vrees voor vervolging in vluchtelingrechtelijke zin [4] en loopt geen reëel risico op ernstige schade in de zin van artikel 3 van Pro het EVRM. [5] Volgens verweerder is namelijk niet aannemelijk de mensenhandelaar eiser nog zoekt of hem zou kunnen vinden bij terugkeer naar Nigeria. Eiser heeft ook niet te vrezen vanwege het juju ritueel, omdat de vloek die voodoo priesters uitgesproken hebben voor alle slachtoffers van mensenhandel ongedaan is gemaakt. Verweerder wijst de aanvraag van eiser af als kennelijk ongegrond omdat eiser verweerder heeft misleid over zijn identiteit, de aanvraag alleen heeft ingediend om uitzetting te voorkomen, en omdat eiser niet zo snel mogelijk asiel heeft aangevraagd.
Wat vindt eiser in beroep?
5. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit en voert – kort samengevat – het volgende aan. Allereerst moest verweerder eisers problemen vanwege de betrapping met zijn leermeester als apart asielmotief aanmerken. Eiser staat in de negatieve belangstelling omdat de vrouw van eisers leermeester de autoriteiten op de hoogte heeft gebracht. Verweerder moest daarnaast eisers identiteit geloofwaardig vinden. Omdat eiser nooit identificerende documenten heeft gehad, kan hem niet worden tegengeworpen dat hij er in deze procedure geen heeft overgelegd. Daarnaast heeft eiser eerder valse gegevens opgegeven onder druk van de mensenhandelaar. Gelet op rechtspraak van de hoogste bestuursrechter, heeft verweerder ook niet genoeg gemotiveerd dat eiser geen problemen zal hebben met de mensenhandelaar bij terugkeer naar Nigeria. [6] Verweerder heeft op dat punt geen goede risico-analyse gemaakt. Verweerder heeft eisers asielaanvraag ook ten onrechte kennelijk ongegrond verklaard. Tot slot moest verweerder eisers aanvraag in de verlengde asielprocedure behandelen, omdat de reguliere procedure waarin eiser mogelijk verblijfsrecht heeft als aangever van mensenhandel, moest worden afgewacht.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
6. De rechtbank beoordeelt het beroep van eiser aan de hand van zijn beroepsgronden. De rechtbank geeft eiser alleen gelijk op zijn punt over de risico-analyse, maar dit leidt niet tot onrechtmatigheid van het bestreden besluit. Op de andere punten krijgt hij geen gelijk. Hieronder legt de rechtbank dat uit.
De aanmerking van de asielmotieven
7. De rechtbank is van oordeel dat verweerder eisers problemen vanwege de seksuele handelingen met zijn leermeester niet hoefde aan te merken als apart asielmotief. Uit het verslag van het nader gehoor volgt dat eiser nadrukkelijk heeft verklaard dat hij Nigeria heeft verlaten omdat hij uit een zeer arm gezin komt en dat er geen andere redenen zijn voor zijn vertrek. [7] Eiser heeft het in het vrije relaas weliswaar gehad over de seksuele handelingen met zijn leermeester, maar heeft op verschillende vervolgvragen gereageerd dat hij alleen vreest voor de mensenhandelaar. Verweerder heeft eiser ook gevraagd of hij vreest voor problemen vanwege de seksuele handelingen met zijn leermeester. [8] Daarop heeft eiser aangegeven dat hij vreest dat hij bij terugkeer in de prostitutie zal belanden om te overleven, maar niet dat hij negatieve gevolgen vreest van de eerdere gebeurtenis met zijn leermeester. Hiermee is naar het oordeel van de rechtbank duidelijk dat eiser Nigeria niet heeft verlaten vanwege de seksuele handelingen met zijn leermeester. De rechtbank merkt nog op dat partijen het erover eens zijn dat eiser zichzelf ziet als heteroseksueel, zodat het niet het geval is dat eisers seksuele gerichtheid als apart asielmotief moest worden aangemerkt.
De identiteit van eiser
8. Naar het oordeel van de rechtbank mocht verweerder de identiteit van eiser ongeloofwaardig vinden. Anders dan eiser heeft betoogd, mocht verweerder er hierbij op wijzen dat eiser geen poging heeft gedaan om zijn identiteit met documenten te onderbouwen. De verklaring dat eiser niet eerder identificerende documenten heeft gehad, maakt niet dat hij in het geheel geen pogingen heeft kunnen doen zijn identiteit te onderbouwen, vooral ook nu eiser al ruim tien jaar in Europa verblijft en verschillende asielprocedures heeft gehad. Ook mocht verweerder aan eiser tegenwerpen dat hij kennelijk tegenstrijdig verschillende persoonsgegevens heeft opgegeven. Dat eiser dit eerder heeft gedaan onder druk van de mensenhandelaar, is niet onderbouwd. Daarnaast mocht verweerder in dit kader aan eiser tegenwerpen dat hij zijn asielaanvraag pas laat heeft ingediend en dat hij niet in grote lijnen als geloofwaardig kan worden beschouwd, vanwege zijn sterk wisselende verklaringen en het feit dat hij eerder met onbekende bestemming is vertrokken.
De mensenhandel
9. De rechtbank is ook van oordeel dat verweerder geen reden hoefde te zien om aan te nemen dat eiser vanwege zijn ervaringen met de mensenhandelaar risico loopt in de zin van artikel 3 van Pro het EVRM.
10. Partijen zijn het erover eens dat uit de uitspraak van de hoogste bestuursrechter van 27 mei 2025 volgt dat verweerder in eisers geval een risico-analyse moest maken op basis van de Country Guidance Nigeria 2021, nu aannemelijk is gevonden dat eiser slachtoffer is geworden van mensenhandel. Verweerder moest beoordelen of eiser bij terugkeer naar Nigeria risico loopt op represailles van de mensenhandelaar en daarbij de volgende factoren betrekken: het bedrag van de ‘schuld’ aan mensenhandelaren, het machtsniveau en de capaciteit van de mensenhandelaren, kennis van de mensenhandelaren over de familie en de achtergrond van het slachtoffer, de leeftijd en gezinsstatus van het slachtoffer, de sociaaleconomische achtergrond en financiële middelen van het slachtoffer, het opleidingsniveau van het slachtoffer en de beschikbaarheid van een ondersteunend familiaal of ander netwerk of de betrokkenheid van de familie van het slachtoffer bij de mensenhandel.
11. De rechtbank constateert dat verweerder in het voornemen en in het bestreden besluit onder verwijzing naar de uitspraak van de hoogste bestuursrechter en de Country Guidance een risico-analyse heeft opgenomen. [9] Verweerder heeft erop gewezen dat er geen indicaties zijn dat de mensenhandelaar eiser nog zoekt. Eiser heeft in de afgelopen twee jaar geen problemen ondervonden met de mensenhandelaar. Daarnaast heeft verweerder verwezen naar landeninformatie waaruit volgt dat het niet waarschijnlijk is dat de mensenhandelaar eiser zou kunnen vinden bij terugkeer naar Nigeria. Verweerder heeft in dit onderdeel van het besluit niet nadrukkelijk verwezen naar eisers achtergrond en netwerk.
12. In het voorgaande ziet de rechtbank een gebrek in het bestreden besluit. Echter volgt uit het voornemen en de rest van het besluit naar het oordeel van de rechtbank dat verweerder de relevante factoren voldoende heeft betrokken bij de beoordeling van het risico voor eiser bij terugkeer naar Nigeria. Verweerder heeft de openstaande schuld betrokken, net als de verklaringen van eiser over zijn contacten met het mensenhandelnetwerk en de informatie die zij over hem en zijn familie hebben. Daarnaast heeft verweerder meegenomen dat eiser uit een groot gezin komt, die een netwerk vormt. Ook heeft verweerder eisers sociaal-economische achtergrond voldoende betrokken door mee te nemen dat eiser arm is opgegroeid en analfabeet is. Ter zitting heeft verweerder nog nader gemotiveerd hoe hij deze elementen in het geval van eiser weegt. Gelet op deze motivering en de finale geschilbeslechting, ziet de rechtbank aanleiding om het geconstateerde gebrek te passeren nu eiser erdoor niet in zijn belangen is geschaad. [10]
13. Wat betreft het jujuritueel heeft verweerder overtuigend gewezen op landeninformatie waaruit volgt dat de gevolgen van dit ritueel zijn opgeheven. Eiser heeft hier geen informatie tegenover gesteld waaruit volgt dat de opheffing niet voor hem geldt.
14. Eisers betoog dat zijn aanvraag in de verlengde asielprocedure moest worden behandeld, slaagt niet. Eiser heeft hiertoe aangevoerd dat hem bedenktijd moest worden geboden om te beslissen of hij aangifte wil doen van mensenhandel. De rechtbank is echter met verweerder eens dat verweerder voor eiser geen bedenktijd hoefde af te wachten. Allereerst heeft verweerder erop mogen wijzen dat eiser nadrukkelijk heeft verklaard dat hij niet van plan is aangifte te doen van mensenhandel. Eiser heeft ook ter zitting bevestigd dat hij geen aangifte heeft gedaan, terwijl hij al langere tijd in Nederland is en op ieder moment aangifte kon doen. Daar komt bij dat uit het beleid van verweerder [11] blijkt dat de vreemdelingenpolitie of de Koninklijke Marechaussee vaststelt of bedenktijd moet worden aangeboden. Dit is in eisers geval niet gebeurd. Verweerder hoefde er ook niet zelf op over te gaan aan eiser bedenktijd aan te bieden.
Kennelijk ongegrond
15. Naar het oordeel van de rechtbank mocht verweerder eisers aanvraag ook kennelijk ongegrond verklaren. Dit mocht omdat eiser verweerder heeft misleid over zijn identiteit. Eiser heeft niet nader onderbouwd dat hij eerder onder druk van de mensenhandelaar valse gegevens heeft opgegeven. Daarbij komt dat eiser al in maart 2025 in Nederland was en eerst een asielaanvraag heeft ingediend in oktober 2025 nadat hij door de politie is staandegehouden en in bewaring is gesteld.

Conclusie en gevolgen

16. Verweerder heeft de aanvraag mogen afwijzen als kennelijk ongegrond.
Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft.
16.1.
Omdat op het beroep is beslist, bestaat er geen aanleiding meer voor het treffen van een voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter wijst het verzoek daarom af.
16.2.
In het geconstateerde gebrek ziet de rechtbank aanleiding om verweerder te veroordelen in de proceskosten van eiser. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op € 2.802,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het indienen van het verzoekschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een wegingsfactor 1 met een waarde per punt van € 934,-).

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep ongegrond;
  • veroordeelt verweerder in de totale proceskosten van eiser tot een bedrag van
€ 2.802,-.
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.J.P. Bosman, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. H.S. van Wessel, griffier.
De beslissing is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak op het beroep, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen een week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Op basis van artikel 31, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) in samenhang met artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder c, f en h, van de Vw 2000.
2.Zie artikel 31, zesde lid, aanhef en onder a en c van de Vw 2000.
3.Zie artikel 31, zesde lid, aanhef en onder d en e van de Vw 2000.
4.Verdrag betreffende de status van vluchtelingen.
5.Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
6.Zie de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 23 november 2023 (ECLI:NL:RVS:2023:4346) en van 7 mei 2025 (ECLI:NL:RVS:2025:1996).
7.Zie pagina 13 van het verslag nader gehoor.
8.Zie pagina 15 van het verslag nader gehoor.
9.Zie pagina 4 van het bestreden besluit.
10.Zie artikel 6:22 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
11.Paragraaf B8/3.1 van de Vreemdelingencirculaire 2000. Zie ook Werkinstructie 2024/1 ‘Mensenhandel in asielzaken’ van verweerder.