ECLI:NL:RBDHA:2026:3841

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
2 februari 2026
Publicatiedatum
26 februari 2026
Zaaknummer
NL25.54569
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3.86 Vreemdelingenbesluit 2000Art. 3.98 Vreemdelingenbesluit 2000Art. 66a Vreemdelingenwet 2000Art. 6.5a, vijfde lid Vreemdelingenbesluit 2000Art. 8:81, eerste lid Algemene wet bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing voorlopige voorziening tegen intrekking verblijfsvergunning en inreisverbod

Verzoeker, met de Marokkaanse nationaliteit en geboren in Nederland, heeft bezwaar gemaakt tegen de intrekking van zijn verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd, het opgelegde terugkeerbesluit met onmiddellijke vertrekplicht, een zwaar inreisverbod van tien jaar en een SIS-signalering. Deze besluiten zijn genomen door de minister van Asiel en Migratie op 29 oktober 2025 vanwege herhaalde veroordelingen en politiecontacten.

De voorzieningenrechter heeft het verzoek om een voorlopige voorziening behandeld op 27 januari 2026. Verzoeker wilde dat de werking van het terugkeerbesluit en het inreisverbod werd geschorst zodat hij in Nederland kon blijven tijdens de bezwaarprocedure. De minister verzette zich tegen dit verzoek.

De voorzieningenrechter oordeelt dat er sprake is van een spoedeisend belang, maar dat het bezwaar geen redelijke kans van slagen heeft. De intrekking van de verblijfsvergunning en de opgelegde maatregelen zijn naar voorlopig oordeel goed gemotiveerd en gebaseerd op de relevante wet- en regelgeving. De gedragsverandering van verzoeker weegt onvoldoende op tegen de ernst en herhaling van zijn strafbare feiten. Ook het feit dat verzoeker mogelijk gehoord kan worden op afstand in de bezwaarprocedure verandert dit oordeel niet.

De voorzieningenrechter wijst het verzoek af, waardoor verzoeker Nederland moet verlaten en de behandeling van het bezwaar niet in Nederland kan afwachten. Verzoeker krijgt geen griffierecht of proceskostenvergoeding terug. Tegen deze uitspraak is geen hoger beroep mogelijk.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen intrekking verblijfsvergunning en inreisverbod wordt afgewezen, waardoor verzoeker Nederland moet verlaten.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.54569

uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen

[verzoeker] , V-nummer: [v-nummer] , verzoeker

(gemachtigde: mr. J. Hemelaar),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. M. van Boheemen).

Inleiding

1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoeker tegen de intrekking van zijn verblijfsvergunning, het aan hem opgelegde terugkeerbesluit en inreisverbod en de signalering in het Schengeninformatiesysteem (SIS).
1.1.
Verweerder heeft dit besluit genomen op 29 oktober 2025. Verzoeker heeft hiertegen bezwaar gemaakt.
1.2.
Bij schrijven van 13 januari 2026 heeft verweerder aangegeven zich te verzetten tegen de toewijzing van het verzoek.
1.3.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 27 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoeker, de gemachtigde van verzoeker en de gemachtigde van verweerder.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

Waar gaat deze zaak over?
2. Verzoeker heeft de Marokkaanse nationaliteit en is op [geboortedatum] 1992 in Nederland geboren. Verweerder heeft verzoekers reguliere verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd ingetrokken met terugwerkende kracht tot 1 juni 2021 en hem een terugkeerbesluit met onmiddellijke vertrekplicht opgelegd. Verweerder heeft met hetzelfde besluit aan eiser een zwaar inreisverbod voor de duur van tien jaar opgelegd en eiser voor tien jaar gesignaleerd in het SIS. Verweerder baseert het besluit erop dat verzoeker regelmatig in aanraking is gekomen met de politie en herhaaldelijk voor misdrijven is veroordeeld.
Wat vindt verzoeker?
3. Verzoeker verzoekt een voorlopige voorziening met als strekking dat hij niet uitgezet mag worden terwijl het bezwaar loopt, dat de werking van het terugkeerbesluit en inreisverbod tot die tijd wordt geschorst en dat hij wordt behandeld alsof hij rechtmatig verblijf heeft.
Wat is het oordeel van de voorzieningenrechter?
4. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe hij tot dit oordeel komt. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventuele) bodemprocedure niet.
5. Wanneer voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank tegen een besluit bezwaar is gemaakt, kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd kan worden in de hoofdzaak op verzoek een voorlopige voorziening treffen wanneer onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. [1]
6. Nu in het primaire besluit staat dat verzoeker de uitkomst van zijn bezwaarprocedure niet in Nederland mag afwachten, verweerder uitdrukkelijk te kennen heeft gegeven zich te verzetten tegen toewijzing van het verzoek en in het licht van wat op zitting is besproken, is de voorzieningenrechter van oordeel dat sprake is van een spoedeisend belang.
7. De voorzieningenrechter beoordeelt bij de vraag of hij een voorlopige voorziening zal treffen of het bezwaar een redelijke kans van slagen heeft. Dat kan een reden zijn om de rechtsgevolgen van het bestreden besluit te schorsen. Daarbij geldt dat hoe zekerder de voorzieningenrechter is over de rechtmatigheid van het bestreden besluit, hoe minder ruimte er is om gewicht toe te kennen aan de belangen van verzoeker bij het schorsen daarvan.
7.1.
Naar het voorlopige oordeel van de voorzieningenrechter heeft verweerder het terugkeerbesluit, het inreisverbod en de SIS-signalering op goede gronden opgelegd. Gelet op de artikelen 3.86 en 3.98 van het Vreemdelingenbesluit 2000 mocht verweerder bij deze verblijfsduur en deze optelling van strafbare feiten komen tot een intrekking van de verblijfsvergunning, zoals gemotiveerd in het besluit. Met betrekking tot het onmiddellijke vertrek heeft verweerder juiste toepassing gegeven aan paragraaf A3/3.4 van de Vreemdelingencirculaire 2000 en de duur van het inreisverbod is onderbouwd met verwijzingen naar artikel 66a van de Vreemdelingenwet 2000 en artikel 6.5a, vijfde lid van het Vreemdelingenbesluit 2000.
7.2.
Naar het voorlopige oordeel van de voorzieningenrechter heeft verweerder ook voldoende gemotiveerd dat verzoeker door zijn persoonlijke gedrag een actuele, werkelijke en ernstige bedreiging voor een fundamenteel belang van de samenleving vormt. Verweerder heeft bij deze beoordeling het tijdsverloop sinds het laatste misdrijf voldoende meegewogen. Hij mocht er echter op wijzen dat verzoeker herhaaldelijk is veroordeeld voor ernstige feiten en dat niet uit objectieve gegevens is gebleken dat verzoekers normbesef zodanig is verbeterd dat niet meer voor een nieuw misdrijf hoeft te worden gevreesd. Het betoog van verzoeker dat verweerder te weinig waarde heeft gehecht aan de gedragsverandering die hij heeft laten zien, heeft daarom weinig kans van slagen. Voor zover verzoeker in de bezwaargronden heeft aangevoerd dat hij niet wist dat het slachtoffer van de door hem gepleegde ontucht minderjarig was, wat daar verder ook van zij, wijst de voorzieningenrechter erop dat reeds in het strafrechtelijke vonnis is geoordeeld dat dit niet af kan doen aan de strafbaarheid van eiser. Ook de verwijzing van verzoeker naar Werkinstructie 2026/1 van verweerder doet aan het voorgaande niet af. Uit de besluitvorming volgt namelijk dat verweerder de verschillende belangen heeft betrokken die in de werkinstructie zijn genoemd, waaronder de banden van verzoeker met Nederland en Marokko, zijn gezinssituatie en de duur van zijn verblijf in Nederland.
7.3.
Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter heeft het bezwaar dan ook geen redelijke kans van slagen.
7.4.
Ook de mogelijkheid dat verzoeker moet worden gehoord in de bezwaarprocedure, leidt niet tot een andere conclusie. Verweerder heeft er in dat kader op mogen wijzen dat eiser op afstand kan worden gehoord en dat zijn vertrek naar Marokko niet onomkeerbaar zou zijn.

Conclusie en gevolgen

8. De voorzieningenrechter begrijpt dat het verzoeker zwaar valt om Nederland te moeten verlaten en dat hij moeite heeft met de onzekerheid die deze procedure met zich meebrengt. Verweerder heeft echter in het licht van de regelgeving waaraan hij zich moet houden en waaraan de rechtbank moet toetsen, naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter kunnen bepalen dat verzoeker Nederland dient te verlaten. De voorzieningenrechter wijst het verzoek daarom af. Dat betekent dat verzoeker de behandeling van zijn bezwaar niet in Nederland mag afwachten.
9. Verzoeker krijgt het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. B. van Dokkum, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. H.S. van Wessel, griffier.
De beslissing is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht.