ECLI:NL:RBDHA:2026:3843

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
2 februari 2026
Publicatiedatum
26 februari 2026
Zaaknummer
NL25.47546
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing aanvraag machtiging voorlopig verblijf als familie- of gezinslid bij zoon met Eritrese nationaliteit

Eiseres, met de Eritrese nationaliteit, verzocht om een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) in Nederland om bij haar zoon te verblijven, die sinds 2015 een verblijfsvergunning asiel heeft. De minister van Asiel en Migratie wees de aanvraag af omdat er geen gezinsleven in de zin van artikel 8 EVRM Pro bestaat en het jongvolwassenenbeleid niet van toepassing is, aangezien de zoon in zijn eigen onderhoud voorziet en geen bijkomende afhankelijkheid bestaat.

Eiseres voerde in beroep aan dat het jongvolwassenenbeleid wel van toepassing is vanwege de noodgedwongen vlucht van haar zoon en dat er bijkomende afhankelijkheid is. Ook stelde zij dat de hoorplicht in bezwaar was geschonden. De rechtbank oordeelde dat het jongvolwassenenbeleid niet van toepassing is omdat de zoon al ruim tien jaar zelfstandig in Nederland woont en werkt, en dat de minister terecht rekening hield met het lange tijdsverloop en de zelfstandigheid van de zoon.

Verder concludeerde de rechtbank dat er geen bijkomende elementen van afhankelijkheid zijn, aangezien de relatie tussen moeder en zoon als gebruikelijk wordt beschouwd en er geen bewijs is van specifieke afhankelijkheid, financieel of emotioneel. De rechtbank vond ook dat de hoorplicht niet was geschonden omdat het bezwaar kennelijk ongegrond was en er geen reden was de zitting uit te stellen.

Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en het bestreden besluit bleef in stand. Eiseres kreeg geen proceskostenvergoeding. De uitspraak werd gedaan door rechter B. van Dokkum op 2 februari 2026.

Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de aanvraag mvv als familie- of gezinslid wordt ongegrond verklaard en het besluit blijft in stand.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.47546

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiseres] , V-nummer: [v-nummer] , eiseres

(gemachtigde: mr. L. Leenders),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. M. van Boheemen).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen de afwijzing van haar aanvraag voor een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) voor het doel ‘verblijf als familie- of gezinslid.’
1.1.
Verweerder heeft deze aanvraag met het besluit van 26 januari 2024 afgewezen. Met het bestreden besluit van 10 september 2025 op het bezwaar van eiseres is verweerder bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
1.2.
De rechtbank heeft het beroep op 27 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van verweerder.

Beoordeling door de rechtbank

Waar gaat deze zaak over?
2. Eiseres heeft de Eritrese nationaliteit en is geboren op [geboortedatum] 1977. Namens eiseres is op 20 december 2021 een mvv aangevraagd omdat zij in Nederland wil verblijven bij haar zoon, [referent] (referent). Referent verblijft in Nederland met een verblijfsvergunning asiel, geldig vanaf 7 juli 2015.
3. Verweerder heeft de aanvraag afgewezen, omdat tussen eiseres en referent geen gezinsleven bestaat in de zin van artikel 8 van Pro het EVRM. Het jongvolwassenenbeleid is niet op referent van toepassing, omdat hij in zijn eigen onderhoud voorziet. Ook is geen sprake van bijkomende elementen van afhankelijkheid tussen eiseres en referent.
Wat vindt eiseres in beroep?
4. Eiseres is het niet eens met het bestreden besluit en voert het volgende aan. Het jongvolwassenenbeleid is wel van toepassing op referent. Verweerder heeft er onvoldoende rekening mee gehouden dat referent als minderjarige noodgedwongen is gevlucht. Hij moest daarom wel in zijn eigen levensonderhoud gaan voorzien. Subsidiair is er sprake van bijkomende elementen van afhankelijkheid. Daarnaast heeft verweerder de hoorplicht in bezwaar geschonden.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
5. De rechtbank geeft eiseres geen gelijk. De rechtbank zal dit oordeel hieronder uitleggen.
6. De gemachtigde van eiseres heeft bij aanvang van de zitting aangegeven dat referent bij zijn moeder in Ethiopië is omdat zij ziek is. Referent heeft de rechtbank daarom verzocht de zitting op een later moment te houden, zodat hij aanwezig zou kunnen zijn. Hoewel de rechtbank begrijpt dat referent graag bij de zitting wilde zijn, heeft de rechtbank geen aanleiding gezien om de zitting uit te stellen, omdat de gemachtigde van eiseres ter zitting heeft kunnen toelichten wat referent de rechtbank wilde meegeven.
7. Verweerder gebruikt het jongvolwassenenbeleid om vast te stellen of tussen een meerderjarig kind en zijn ouder(s) familie- of gezinsleven bestaat als bedoeld in artikel 8 van Pro het EVRM zonder dat daarvoor bijkomende elementen van afhankelijkheid zijn vereist. Het jongvolwassenenbeleid bevat vier cumulatieve vereisten: het meerderjarig kind moet jongvolwassen zijn, met zijn ouder(s) in gezinsverband samenleven, niet in zijn eigen onderhoud voorzien en geen zelfstandig gezin hebben gevormd. [1] Als een meerderjarig kind geen geslaagd beroep kan doen op het jongvolwassenenbeleid, beoordeelt verweerder of er tussen dat kind en zijn ouder(s) sprake is van bijkomende elementen van afhankelijkheid op basis waarvan zij familie- of gezinsleven hebben. Deze elementen kunnen zijn: samenwoning, de mate van financiële afhankelijkheid, de mate van emotionele afhankelijkheid en de gezondheid van betrokkenen.
Het jongvolwassenenbeleid
8. De hoogste bestuursrechter heeft overwogen dat het peilmoment in reguliere gezinsherenigingszaken voor de vraag of er sprake is van familie- of gezinsleven het moment van het besluit op de aanvraag is. [2] Dit geldt ook voor de toepassing van het jongvolwassenenbeleid, nu dit onderdeel uitmaakt van de beoordeling of er sprake is van familie- of gezinsleven. Uit dezelfde uitspraak volgt ook dat verweerder op het moment van zijn besluit op bezwaar alle feiten en omstandigheden moet betrekken die relevant zijn voor de beoordeling van het familie- of gezinsleven in de zin van artikel 8 van Pro het EVRM, waaronder feiten en omstandigheden die zich hebben voorgedaan sinds het primaire besluit. Het betoog van eiseres dat verweerder moet beoordelen of er sprake is van familie- en gezinsleven op basis van de situatie ten tijde van het vertrek van referent uit Eritrea, slaagt daarom niet.
8.1.
Uit rechtspraak van de hoogste bestuursrechter [3] volgt ook dat als het meerderjarig kind noodgedwongen zelfstandig is geworden, bijvoorbeeld vanwege een vluchtsituatie, verweerder dit niet zomaar mag tegenwerpen bij de beoordeling of het meerderjarig kind feitelijk tot het gezin is blijven behoren. Verweerder mag dit wel tegenwerpen als dat kind zich zelfstandig en moeiteloos handhaaft. Hieraan is voldaan wanneer het meerderjarig kind zelfstandig is gaan wonen en er ten tijde van de mvv-aanvraag in is geslaagd zijn leven zelfstandig vorm te geven. Hieraan is niet voldaan als een meerderjarig kind slechts noodgedwongen de noodzakelijke stappen heeft ondernomen om zichzelf staande te kunnen houden. Uit deze uitspraak volgt echter niet dat stappen die naar zelfstandigheid worden ondernomen, reeds vanwege het gedwongen karakter van het vertrek als noodgedwongen stappen moeten worden aangemerkt.
8.2.
Verweerder heeft naar het oordeel van de rechtbank voldoende rekening gehouden met de gedwongen vlucht van referent en mocht concluderen dat referent zich inmiddels al lang zelfstandig handhaaft nu hij in Nederland zelfstandig woont en werkt. Verweerder mocht hierbij wijzen op het lange tijdsverloop, nu referent al ruim tien jaar in Nederland verblijft. Dat wordt niet anders door het betoog dat [organisatie] fouten zou hebben gemaakt bij de oorspronkelijke nareisaanvraag. Verweerder heeft er namelijk op mogen wijzen dat in de nareisprocedure vast is komen te staan dat de termijnoverschrijding mede aan referent te wijten was en dat referent – ook nadat de fout bekend was – pas vijf jaar later deze aanvraag heeft ingediend voor zijn moeder. De rechtbank is daarom van oordeel dat verweerder op goede gronden heeft geconcludeerd dat het jongvolwassenenbeleid niet op referent van toepassing is.
Bijkomende elementen van afhankelijkheid
9. Naar het oordeel van de rechtbank mocht verweerder ook concluderen dat tussen eiseres en referent geen sprake is van bijkomende elementen van afhankelijkheid. Verweerder mocht de band tussen eiseres en referent aanmerken als een gebruikelijke band tussen een volwassen kind en diens ouder. Hoewel zij in het verleden hebben samengewoond, wonen zij inmiddels al lang los van elkaar, ook rekening houdend met de gedwongen aard van het oorspronkelijke vertrek van referent. Daarnaast is niet gebleken dat eiseres specifiek afhankelijk is van referent vanwege de medische klachten aan haar schouder. Wat betreft de financiële steun heeft verweerder erop mogen wijzen dat referent heeft verklaard dat het gaat om incidentele steun en dat deze daarnaast niet met stukken is onderbouwd. Verweerder heeft er ook voldoende rekening mee gehouden dat eiseres in Ethiopië verblijft en niet terug kan naar Eritrea.
De hoorplicht
10. Tot slot volgt de rechtbank het standpunt van eiseres niet dat verweerder de hoorplicht heeft geschonden. Van het horen in bezwaar mag pas worden afgezien, als er op voorhand redelijkerwijs geen twijfel over mogelijk is dat de gronden van bezwaar niet tot een andersluidend oordeel kunnen leiden. Gelet op de motivering van het primaire besluit en de inhoud van de gronden van het bezwaar van eiseres, mocht verweerder het bezwaar kennelijk ongegrond verklaren en afzien van het horen.

Conclusie en gevolgen

11. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft.
12. Eiseres krijgt geen vergoeding van haar proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. B. van Dokkum, rechter, in aanwezigheid van mr. H.S. van Wessel, griffier.
De beslissing is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Zie paragraaf B7/3.8.1 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc).
2.Zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 20 november 2024, ECLI:NL:RVS:2024:4630.
3.Zie de uitspraak van de Afdeling van 29 mei 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2145.