Verzoekers, als wettelijk vertegenwoordigers van een minderjarige geboren in Peru, verzochten de rechtbank vast te stellen dat er een nauwe persoonlijke betrekking bestaat tussen de minderjarige en verzoeker, en dat de minderjarige de Nederlandse nationaliteit bezit. De IND betwistte dit op grond van het feit dat verzoeker ten tijde van de erkenning nog gehuwd was met een andere vrouw dan de moeder van de minderjarige.
De rechtbank oordeelde dat de erkenning van de minderjarige door verzoeker rechtsgeldig is volgens Peruaans recht en dat de familierechtelijke betrekking erkend kan worden in Nederland. De rechtbank stelde vast dat er ten tijde van de erkenning een band bestond die gelijk te stellen is met een huwelijk en dat er een nauwe persoonlijke betrekking tussen verzoeker en de minderjarige was.
Op grond hiervan werd vastgesteld dat de minderjarige sinds de erkenning in 2009 de Nederlandse nationaliteit bezit. De rechtbank bepaalde dat iedere partij de eigen proceskosten draagt en wees uitvoerbaarheid bij voorraad af.