ECLI:NL:RBDHA:2026:3871

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
27 januari 2026
Publicatiedatum
27 februari 2026
Zaaknummer
C/09/679136 / HA RK 25-43
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 10:101 BWArt. 10:100 BWArt. 10:95 BWArt. 1:204 BWArt. 4 RWN
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vaststelling nauwe persoonlijke betrekking en Nederlanderschap minderjarige

Verzoekers, als wettelijk vertegenwoordigers van een minderjarige geboren in Peru, verzochten de rechtbank vast te stellen dat er een nauwe persoonlijke betrekking bestaat tussen de minderjarige en verzoeker, en dat de minderjarige de Nederlandse nationaliteit bezit. De IND betwistte dit op grond van het feit dat verzoeker ten tijde van de erkenning nog gehuwd was met een andere vrouw dan de moeder van de minderjarige.

De rechtbank oordeelde dat de erkenning van de minderjarige door verzoeker rechtsgeldig is volgens Peruaans recht en dat de familierechtelijke betrekking erkend kan worden in Nederland. De rechtbank stelde vast dat er ten tijde van de erkenning een band bestond die gelijk te stellen is met een huwelijk en dat er een nauwe persoonlijke betrekking tussen verzoeker en de minderjarige was.

Op grond hiervan werd vastgesteld dat de minderjarige sinds de erkenning in 2009 de Nederlandse nationaliteit bezit. De rechtbank bepaalde dat iedere partij de eigen proceskosten draagt en wees uitvoerbaarheid bij voorraad af.

Uitkomst: De rechtbank stelt vast dat de minderjarige sinds 30 december 2009 de Nederlandse nationaliteit bezit vanwege een nauwe persoonlijke betrekking en een band gelijk aan een huwelijk tussen de ouders.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG
Meervoudige kamer
Rekestnummer: HA RK 25-43
Zaaknummer: C/09/679136
Datum beschikking: 27 januari 2026

Vaststelling van Nederlanderschap

Beschikking op het op 21 januari 2025 ingekomen verzoekschrift van:

[verzoeker] en [verzoekster] ,

verzoekers, dan wel verzoeker en verzoekster,
in de hoedanigheid van wettelijk vertegenwoordigers van de minderjarige:
[minderjarige], geboren op [geboortedatum 1] 2009, te [geboorteplaats 1] , [geboorteland] ,
wonende te [woonplaats] , Peru ,
advocaat: mr. J. van de Wiel te Maastricht.
Als belanghebbende wordt aangemerkt:

DE STAAT DER NEDERLANDEN,

(Ministerie van Justitie en Veiligheid, Immigratie- en Naturalisatiedienst,
verder te noemen “de IND”),
zetelende te ’s-Gravenhage,
vertegenwoordigd door: mr. M.L.K. Law.

Procedure

De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:
- het verzoekschrift;
- de brief van 27 februari 2025 van de IND;
- de brief van 16 april 2025 van verzoekers;
- de brief van 28 mei 2025, met bijlagen, van verzoekers;
- de brief van 18 juni 2025 van de IND;
- het e-mailbericht van 15 juli 2025 van verzoekers;
- de brief van 7 november 2025, met bijlage, van verzoekers;
- de brief van 8 december 2025, met bijlagen, van verzoekers.
Op 9 december 2025 is de zaak op de zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen: verzoeker via een videoverbinding, zijn advocaat en M.L.K. Law namens de IND. Verzoekster is niet verschenen.

Verzoek en het standpunt van de IND

Het verzoekschrift strekt ertoe dat de rechtbank:
  • vaststelt dat er tussen de minderjarige [minderjarige] en verzoeker een nauwe persoonlijke betrekking bestaat en altijd heeft bestaan;
  • vaststelt dat tussen verzoekers een band bestaat welke ten tijde van de erkenning van [minderjarige] door verzoeker ook al bestond, die in voldoende mate met een huwelijk op één lijn valt te stellen;
  • het Nederlanderschap van [minderjarige] vaststelt,
een en ander uitvoerbaar bij voorraad en met compensatie van de proceskosten.
De IND heeft schriftelijk zijn standpunt kenbaar gemaakt.

Feiten

  • Verzoeker is geboren op [geboortedatum 2] 1961 te [geboorteplaats 2] , en verkreeg de Nederlandse nationaliteit door geboorte via zijn Nederlandse vader.
  • Verzoeker is gehuwd geweest met [naam] . Dit huwelijk is ontbonden door inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand van de gemeente 's-Gravenhage, op [dag] 2010.
  • Verzoekster is geboren op [geboortedatum 3] 1981 te [geboorteplaats 1] , [geboorteland] .
  • Op [geboortedatum 1] 2009 is te [geboorteplaats 1] , [geboorteland] geboren [minderjarige] .
  • Verzoekster en de minderjarige [minderjarige] hebben de Peruaanse nationaliteit.
  • Verzoekster is niet gehuwd geweest.
  • Verzoekers zijn niet gehuwd.
  • Op de Peruaanse geboorteakte van [minderjarige] , geregistreerd op 30 december 2009, staan verzoekers opgenomen als ouders. Beiden zijn bovendien als informant op de geboorteakte vermeld en hebben de geboorteakte ondertekend en een vingerafdruk geplaatst.
  • Verzoeker was ten tijde van de geboorte van [minderjarige] en de aangifte daarvan, nog gehuwd met [naam] .
  • Verzoekers hebben op 5 juli 2023 bij de Nederlandse ambassade te Lima, Peru een eerste aanvraag voor een Nederlands paspoort voor [minderjarige] ingediend. De aanvraag is niet in behandeling genomen met de motivering dat [minderjarige] niet in het bezit is van de Nederlandse nationaliteit omdat verzoeker ten tijde van de erkenning nog gehuwd was met een andere vrouw dan de moeder van [minderjarige] .

Beoordeling

Rechtsmacht en toepasselijk recht
Gelet op de omstandigheden die blijken uit het dossier, acht de rechtbank voldoende aanknopingspunten met de Nederlandse rechtssfeer aanwezig om van het onderhavige verzoek kennis te nemen. Op de verzoeken is Nederlands recht van toepassing.
Inhoudelijke beoordeling
Uit het standpunt van de IND blijkt dat het Ministerie van Buitenlandse Zaken heeft bevestigd dat naar Peruaans recht een gehuwde man een kind van een andere vrouw dan zijn echtgenote rechtsgeldig kan erkennen.
Erkenning vindt naar Peruaans recht plaats bij de ambtenaar van de burgerlijke stand, bij een openbare akte of bij testament. Erkenning kan, nog steeds volgens Peruaans recht, bij de geboorteaangifte of daarna. In het laatste geval wordt er ook een nieuwe geboorteakte opgemaakt. Niet in geschil is dat er naar Peruaans recht een rechtsgeldige erkenning van [minderjarige] door verzoeker heeft plaatsgevonden.
De IND stelt zich op het standpunt dat, omdat de verzoeker ten tijde van de erkenning, met een andere vrouw dan de moeder was gehuwd, [minderjarige] niet van rechtswege de Nederlandse nationaliteit heeft verkregen. Dat is slechts anders indien de rechtbank vaststelt dat tussen [minderjarige] en verzoeker ten tijde van de erkenning een nauwe persoonlijke betrekking bestond of dat er sprake was van een band tussen de ouders van [minderjarige] , die in voldoende mate gelijk te stellen is met een huwelijk. De IND heeft ten aanzien hiervan geadviseerd verzoekers op de zitting te horen zodat de rechtbank in staat is te bepalen of hiervan sprake is.
Verzoekers stellen dat zij al voor de geboorte van [minderjarige] een relatie hadden, als waren zij gehuwd. Ook heeft verzoeker vanaf de geboorte van [minderjarige] altijd een verzorgende rol gehad binnen het gezin zodat sprake is van een nauwe persoonlijke betrekking tussen [minderjarige] en haar vader, dus ook reeds ten tijde van de erkenning.
De rechtbank zal beoordelen of [minderjarige] de Nederlandse nationaliteit heeft. Daarvoor is van belang dat zij in familierechtelijke betrekking staat tot haar vader. Of dat het geval is, beoordeelt de rechtbank daarom eerst.
Artikel 10:101 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW) bepaalt dat een in het buitenland tot stand gekomen rechtsfeit of rechtshandeling waarbij familierechtelijke betrekkingen zijn vastgesteld of gewijzigd, welke zijn neergelegd in een door een bevoegde instantie overeenkomstig de plaatselijke voorschriften opgemaakte akte, van rechtswege in Nederland wordt erkend, tenzij sprake is van een weigeringsgrond als genoemd in artikel 10:100 BW Pro.
[minderjarige] is geboren in [geboorteland] en verzoekers hebben de Peruaanse geboorteakte van [minderjarige] overgelegd, voorzien van een apostille, waarop verzoeker als vader is vermeld.
Vast staat dat deze akte door een bevoegde instantie overeenkomstig de plaatselijke voorschriften zijn opgemaakt. De familierechtelijke betrekking die in deze akte is neergelegd komt dan ook voor erkenning in Nederland in aanmerking. De rechtbank dient vervolgens te onderzoeken of zich een van de weigeringsgronden voordoet. Daarbij komt het in dit geval aan op beantwoording van de vraag of de erkenning van die familierechtelijke betrekking onverenigbaar is met de openbare orde (artikel 10:101 jo Pro 10:100 lid 1 sub c); dat sprake zou zijn van een andere weigeringsgrond is gesteld noch gebleken.
De rechtbank is van oordeel dat van strijd met de openbare orde in dit geval geen sprake is. Uit de stukken blijkt genoegzaam dat [minderjarige] is geboren uit de relatie van verzoekers. Op het moment van de geboorte van [minderjarige] was verzoeker echter nog gehuwd met een andere vrouw. Tot 1 april 2014 kon erkenning van [minderjarige] door de verzoeker in Peru niet van rechtswege worden erkend in Nederland. Dat kwam omdat, op grond van het toentertijd geldende recht, sprake was van strijd met de openbare orde, omdat verzoeker op het moment van de erkenning nog gehuwd was met een andere vrouw dan de moeder van [minderjarige] . Het vóór 1 april 2014 geldende recht bracht mee dat een erkenning door een met een ander dan de moeder gehuwde man slechts in Nederland kon worden erkend indien vastgesteld zou worden dat er ten tijde van de erkenning sprake was van een nauwe persoonlijke betrekking tussen verzoeker en [minderjarige] dan wel dat tussen de verzoekers sprake was van een band die op één lijn te stellen is met het huwelijk. Per 1 april 2014 is echter artikel 1:204 lid 1 sub e BW Pro komen te vervallen. Daardoor kan de weigeringsgrond als bedoeld in artikel 10:101 lid 2 sub a BW Pro zich niet meer voordoen voor wat betreft de omstandigheid dat een man ten tijde van de erkenning van een kind met een andere vrouw gehuwd was dan de moeder van het kind. In zoverre kan de erkenning van [minderjarige] door verzoeker worden erkend in Nederland, mits de erkenning in overeenstemming is met het Peruaans recht.
De rechtbank moet ambtshalve beoordelen of, op grond van artikel 10:95 lid 3 BW Pro, naar Peruaans recht is voldaan aan de vereisten die aan de toestemming van de moeder voor de erkenning worden gesteld. Uit het Peruaanse recht volgt dat toestemming van de moeder tot erkenning van haar kind niet nodig is. De rechtbank overweegt volledigheidshalve dat uit het feit dat verzoekers samen aangifte van de geboorte van [minderjarige] hebben gedaan en het feit dat verzoekers samen dit verzoekschrift hebben ingediend, volgt dat voldoende aannemelijk is dat de moeder heeft ingestemd met de erkenning van [minderjarige] door verzoeker. Van een schijnhandeling is voorts niet gebleken.
Uit het voorgaande volgt dat de Peruaanse erkenning van [minderjarige] door verzoeker op grond van artikel 10:101 BW Pro kan worden erkend en dat is niet is gebleken van een weigeringsgrond. Er is dus sprake van een familierechtelijke betrekking tussen [minderjarige] en verzoeker.
De vraag die vervolgens beantwoord dient te worden is of [minderjarige] daarmee ook het Nederlanderschap heeft verkregen.
Op grond van artikel 4 van Pro de Rijkswet op het Nederlanderschap (RWN) verkrijgt een minderjarige vreemdeling die door een Nederlander wordt erkend van rechtswege het Nederlanderschap ongeacht of er sprake is van een erkenning die in Nederland is gedaan dan wel van een in het buitenland gedane erkenning die voor erkenning in Nederland in aanmerking komt. De verkrijging van het Nederlanderschap op grond van artikel 4 RWN Pro vindt plaats op het tijdstip van de erkenning. Uit artikel 2 lid 1 RWN Pro volgt dat de verkrijging van het Nederlanderschap geen terugwerkende kracht heeft. De Hoge Raad heeft in de uitspraak van 21 december 2018 (ECLI:NL:HR:2018:2377) overwogen dat een en ander betekent dat de gevolgen van een erkenning voor de verkrijging van het Nederlanderschap moeten worden beoordeeld naar het tijdstip waarop die erkenning plaatsvindt en met inachtneming van de op dat moment in Nederland geldende wetgeving.
Het voorgaande brengt mee dat de erkenning van [minderjarige] door verzoeker op 30 december 2009 er niet zonder meer toe leidt dat [minderjarige] ook de Nederlandse nationaliteit heeft verkregen. Alleen als aannemelijk is dat op het moment van erkenning tussen [minderjarige] en verzoeker een nauwe persoonlijke betrekking bestond dan wel dat op dat moment tussen de vader en de moeder (verzoekers) sprake was van een band die in voldoende mate met een huwelijk op één lijn is te stellen, heeft [minderjarige] het Nederlanderschap verkregen. Ten tijde van de erkenning gold immers nog het bepaalde in artikel 1:204 lid 1 aanhef Pro en onder e (oud) BW.
De rechtbank is van oordeel dat voldoende is gebleken dat tussen de verzoekers ten tijde van de erkenning sprake was van band die in voldoende mate met een huwelijk op één lijn is te stellen en dat tussen verzoeker en [minderjarige] ten tijde van de erkenning sprake was van een nauwe persoonlijke betrekking. Hiertoe overweegt de rechtbank dat uit de stukken, maar ook uit wat verzoeker op de zitting heeft verklaard, blijkt dat verzoekers ten tijde van de geboorte van [minderjarige] al geruime tijd een relatie met elkaar hadden, die nog altijd voortduurt. Uit die relatie is in 2009 [minderjarige] geboren. Enkele dagen na de geboorte hebben verzoekers samen aangifte van de geboorte gedaan in Peru. Bovendien is een koopakte van een woning overgelegd die door verzoeker is gekocht. Uit de geboorteaangifte blijkt dat verzoekster op dat moment op dat adres woonachtig was (en nog is). Verzoeker heeft verder verklaard dat hij, ten tijde van het beëindigen van de relatie met zijn voormalige echtgenote in 2005, een restaurant in Bolivia leidde en daarnaast een groot deel van de tijd werkzaam was als reisbegeleider, waarbij hij met groepen toeristen door Zuid-Amerika trok. Omdat hij veel op reis was en de noodzaak ontbrak, heeft het geruime tijd geduurd voor de echtscheidingsprocedure werd gestart. In 2006 hebben verzoekers een relatie gekregen en in 2009 raakte verzoekster zwanger van [minderjarige] . Omdat de ex-echtgenote van verzoeker in 2009 in het huwelijk wilde treden met een andere man, zijn toen stappen ondernomen om het huwelijk formeel te beëindigen. De echtscheiding is uitgesproken door de rechtbank Amsterdam op 16 juni 2010, welke echtscheiding op [dag] 2010 is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand. Een en ander is door de ex-echtgenote schriftelijk verklaard.
Omdat de echtscheidingsprocedure pas later is gestart, was verzoeker ten tijde van de geboorte van [minderjarige] nog getrouwd met zijn toenmalige echtgenote. Volgens verzoekers leven zij echter al sinds medio 2008 samen en sinds de geboorte van [minderjarige] als gezin met elkaar, onderhoudt verzoeker het gezin financieel en hebben zij altijd gezamenlijk zorggedragen voor de opvoeding en verzorging van [minderjarige] . Gelet op het vorenstaande komt de rechtbank tot de conclusie dat ten tijde van de erkenning van [minderjarige] tussen verzoekers sprake was van een band die in voldoende mate gelijk te stellen is aan een huwelijk en dat die band nog steeds voortduurt en dat tussen verzoeker en [minderjarige] sprake was en is van een nauwe persoonlijke betrekking.
Het voorgaande betekent dat [minderjarige] vanaf de datum van erkenning door verzoeker in het bezit is van de Nederlandse nationaliteit.
De aard van de zaak verzet zich tegen uitvoerbaarverklaring bij voorraad.
Proceskosten
Omdat het hier een familierechtelijke procedure betreft zal de rechtbank de proceskosten compenseren als na te melden.

Beslissing

De rechtbank:
*
stelt vast dat tussen de minderjarige [minderjarige] , geboren op [geboortedatum 1] 2009, te [geboorteplaats 1] , [geboorteland] , en [verzoeker] , geboren op [geboortedatum 2] 1961 te
[geboorteplaats 2] , ten tijde van de erkenning op 30 december 2009 een nauwe persoonlijke betrekking bestond;
*
stelt vast dat de band tussen de vader van [minderjarige] , [verzoeker] , geboren op [geboortedatum 2] 1961 te [geboorteplaats 2] , en de moeder van [minderjarige] , [verzoekster] , geboren op [geboortedatum 3] 1981 te [geboorteplaats 1] , [geboorteland] , in voldoende mate gelijk was te stellen met een huwelijk ten tijde van de erkenning van [minderjarige] ;
*
stelt vast dat [minderjarige] , geboren op [geboortedatum 1] 2009, te [geboorteplaats 1] , [geboorteland] , sinds 30 december 2009 de Nederlandse nationaliteit bezit;
*
bepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten draagt.
Deze beschikking is gegeven door mrs. A.M. Brakel, A.M. van der Vliet en A.P. de Klerk, rechters, bijgestaan door mr. P. Hillebrand als griffier en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 27 januari 2026.