ECLI:NL:RBDHA:2026:3877
Rechtbank Den Haag
- Beschikking
- Rechtspraak.nl
Vaststelling van staatloosheid van verzoeker na afwijzing nationaliteitsbewijs
Verzoeker, geboren in 1981 in een land, verblijft sinds 2002 zonder geldige verblijfstitel in Nederland. Hij heeft herhaaldelijk geprobeerd zijn nationaliteit van het land van herkomst te laten vaststellen, maar dit is door de ambassade geweigerd. De Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) heeft in eerdere procedures vastgesteld dat verzoeker zijn nationaliteit niet aannemelijk heeft gemaakt.
De rechtbank beoordeelt het verzoek tot vaststelling van staatloosheid op basis van de Wet vaststellingsprocedure staatloosheid van 2023. Verzoeker is ontvankelijk omdat hij in Nederland woont en een onmiddellijk belang heeft. De Staat heeft aanvankelijk betoogd dat ook een ander land betrokken moet worden, maar heeft dit later laten vallen.
De rechtbank oordeelt dat het niet verenigbaar is dat de IND in vreemdelingenprocedures stelt dat verzoeker zijn nationaliteit niet kan aantonen, maar in de staatloosheidsprocedure beweert dat hij wel die nationaliteit bezit. Dit leidt tot een onmogelijke positie voor verzoeker. Omdat verzoeker niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij een nationaliteit bezit, stelt de rechtbank vast dat hij staatloos is en wijst het verzoek toe.
Uitkomst: De rechtbank stelt vast dat verzoeker staatloos is en wijst het verzoek tot vaststelling van staatloosheid toe.