ECLI:NL:RBDHA:2026:3881

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
27 januari 2026
Publicatiedatum
27 februari 2026
Zaaknummer
C/09/688422 / FA RK 25-5302
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
  • G. van Zeben-de Vries
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:247a BWArt. 1:253a BWArt. 1:377e BWArt. 1:402a BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Wijziging zorgregeling en vaststelling kinderalimentatie na echtscheiding

De rechtbank Den Haag behandelde een verzoek tot wijziging van de zorgregeling en vaststelling van kinderalimentatie voor een minderjarig kind van gescheiden ouders. De vader verzocht om aanpassing van de omgangsregeling vanwege gewijzigde omstandigheden, waaronder zijn hertrouwen en het betrekken van een eigen woning. De moeder verzocht zelfstandig om vaststelling van kinderalimentatie.

De rechtbank constateerde dat de omstandigheden inderdaad waren gewijzigd en dat de vader daarom ontvankelijk was in zijn verzoek. De ouders bereikten onder leiding van de rechter overeenstemming over een nieuwe zorgregeling waarbij het kind de ene week van vrijdag na school tot maandag bij de vader verblijft en de andere week van woensdag na school tot zaterdagochtend na zwemles.

Met betrekking tot de kinderalimentatie stelde de rechtbank vast dat de behoefte van het kind €475 per maand bedraagt. De draagkracht van de vader werd berekend op €909 per maand en die van de moeder op €25 per maand. Na toepassing van de zorgkorting van 35% resulteerde dit in een kinderalimentatie van €296 per maand, maar de rechtbank kende het door de moeder gevraagde bedrag van €275 toe, met ingang van 5 augustus 2025 en jaarlijkse indexering vanaf 1 januari 2026.

De beschikking wijzigt de eerdere beschikking van 28 december 2021 en is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

Uitkomst: De rechtbank wijzigt de zorgregeling en stelt de kinderalimentatie vast op €275 per maand met ingang van 5 augustus 2025, inclusief jaarlijkse indexering.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG
Enkelvoudige kamer
Rekestnummer: FA RK 25-5302
Zaaknummer: C/09/688422
Datum beschikking: 27 januari 2026

Verdeling van de zorg- en opvoedingstaken en kinderalimentatie

Beschikking op het op 14 juli 2025 ingekomen verzoek van:

[de vader] ,

de vader,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. L. Leenders te ’s-Gravenhage.
Als belanghebbende wordt aangemerkt:

[de moeder] ,

de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. A.A.G. Balkenende te Katwijk.

Procedure

De rechtbank heeft kennis genomen van de stukken waaronder:
  • het verzoekschrift;
  • het verweerschrift tevens zelfstandig verzoek;
- het verweer tegen het zelfstandig verzoek;
- de brief van 28 november 2025, met bijlagen, namens de vader.
De minderjarige [minderjarige] heeft zich op 8 december 2025 in raadkamer uitgelaten over het verzoek.
Op 9 december 2025 is de zaak op de zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen: de vader en de moeder met hun advocaten en namens de raad M.J. van Dam.

Feiten

- De vader en de moeder zijn gehuwd geweest van [dag 1] 2016 tot [dag 2] 2022.
- Zij zijn de ouders van het volgende thans nog minderjarige kind:
- [minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2017 te [geboorteplaats] .
- [minderjarige] heeft de hoofdverblijfplaats bij de moeder.
- De ouders oefenen het gezamenlijk gezag over [minderjarige] uit.
- De ouders hebben overeenkomstig artikel 1:247a van het Burgerlijk
Wetboek (BW) een op 29 juli 2021 ondertekend ouderschapsplan opgesteld, dat op
gezamenlijk verzoek is vastgelegd in de beschikking van deze rechtbank van
28 december 2021. In dit plan is – voor zover hier van belang – overeengekomen:
Verzorging en opvoeding:
Het minderjarige kind zal iedere weekend bij de man verblijven. De feestdagen en
vakanties zullen, in onderling overleg, bij helfte worden verdeeld. De ouders zullen
flexibel omgaan met deze regeling.
[…]

Financiën

Partijen zijn overeengekomen dat er geen aanvullende bijdrage zal worden geleverd
in de kosten van verzorging en opvoeding van het minderjarige kind.

Verzoek en verweer

Het verzoek strekt – voor zover mogelijk met uitvoerbaar bij voorraad– tot wijziging van de beschikking van deze rechtbank van 28 december 2021 waarin is opgenomen het ouderschapsplan, in die zin dat de vader thans verzoekt:
Primair: te bepalen dat de vastgestelde zorgregeling wordt gewijzigd met de navolgende invulling: dat de vader een weekend per twee weken omgang heeft met [minderjarige] vanaf donderdag na school tot zondag en de andere week de omgang doordeweeks plaatsvindt, waarbij de vader van woensdag na school tot vrijdag na school omgang zal hebben met [minderjarige] en de moeder vervolgens [minderjarige] zal ophalen bij de school;
Secundair: te bepalen dat de vastgestelde zorgregeling wordt gewijzigd met de
navolgende invulling: dat de vader een weekend per twee weken omgang heeft
met [minderjarige] vanaf donderdag tot zondag en de andere week de omgang doordeweeks plaatsvindt, waarbij de vader van donderdag na school tot zaterdagochtend omgang zal hebben met [minderjarige] en de vader [minderjarige] zal brengen naar de zwemles en de overdracht na de zwemles zal plaatsvinden.
De vader doet zijn verzoek steunen op de stelling dat de omstandigheden nadien zijn gewijzigd.
De moeder voert verweer, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.
Tevens verzoekt de moeder zelfstandig –na aanvulling – tot wijziging van de beschikking van deze rechtbank van 28 december 2021 waarin is opgenomen het ouderschapsplan, in die zin dat:
de door de vader aan de moeder te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige] vast te stellen op een bedrag van € 275,- per maand met ingang
van 1 juli 2025, vermeerderd met de indexeringsverhoging ex artikel 1:402a BW met ingang van 1 januari 2026, althans op een zodanig bedrag vast te stellen en/of met ingang van een zodanige ingangsdatum als de rechtbank juist acht;
een en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.

Beoordeling

Wijziging zorgregeling
Omdat de ouders gezamenlijk zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] is artikel 1:253a BW van toepassing op het verzoek tot wijziging van de zorgregeling.
Uit het vierde lid van artikel 1:253a BW volgt dat artikel 1:377e BW van overeenkomstige toepassing is, zodat de rechtbank op verzoek van de ouders of van één van hen een beslissing over de omgang alsmede een door de ouders onderling getroffen regeling kan wijzigen op grond dat nadien de omstandigheden zijn gewijzigd, of dat bij het nemen van de beslissing van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan.
De rechtbank begrijpt dat sinds het uit elkaar gaan van de ouders de vader opnieuw in mei 2025 is gehuwd en niet meer bij zijn ouders woont, maar een eigen woning heeft betrokken. Gelet hierop is er sprake van een wijziging van omstandigheden, als hiervoor bedoeld. Dat betekent dat de vader kan worden ontvangen in zijn verzoek.
Ter onderbouwing van zijn verzoek voert de vader aan dat hij in mei 2025 opnieuw is gehuwd en ook graag een weekend alleen met zijn nieuwe partner wil doorbrengen. Daarnaast woonde hij voorheen bij zijn ouders die hem hielpen bij de opvang, maar dat lukt nu niet meer omdat hij een eigen woning heeft.
De moeder verweert zich in zoverre tegen de verzochte wijziging dat zij zich kan vinden in de verzochte zorgregeling als zij hiervoor een financiële tegemoetkoming ontvangt. De moeder werkt nu immers ieder weekend en ontvangt daarvoor een hogere vergoeding. Op de zitting heeft de moeder nader toegelicht dat als [minderjarige] doordeweeks bij de vader is zij de mogelijkheid heeft om avonddiensten te draaien, wat ook meer verdient.
Op de zitting hebben de ouders onder regie van de rechter overeenstemming bereikt over een wijziging van de zorgregeling. De ouders zijn overeengekomen dat [minderjarige] de ene week van vrijdag na school tot maandag naar school bij de vader verblijft en de andere week van woensdag na school tot zaterdagochtend na de zwemles. De rechtbank zal overeenkomstig deze overeenkomst beslissen, omdat de rechtbank dit ook in het belang van [minderjarige] vindt.
Kinderalimentatie
De moeder verzoekt een kinderalimentatie voor [minderjarige] vast te stellen van € 275,- per maand met ingang van 1 juli 2025 althans een zodanig bedrag en met ingang van een zodanige datum als de rechtbank juist acht. Tevens verzoekt de moeder het vast te stellen bedrag met ingang van 1 januari 2026 wettelijk te indexeren. De vader verzet zich tegen het verzochte bedrag van € 275,- per maand aan kinderalimentatie. De vader is bereid om € 200,- per maand aan kinderalimentatie te betalen en daarnaast de kosten van de zwemles, de Arabische les, zakgeld en sparen, voor zover hij hiervoor de financiële mogelijkheid heeft.
Omdat partijen niet tot overeenstemming zijn gekomen, zal de rechtbank de kinderalimentatie berekenen, wat overigens ook door beide partijen op de zitting is verzocht.
Daarbij begrijpt de rechtbank dat de moeder het zeer zou waarderen als de vader de kosten van de Arabische les, zwemles, zakgeld en het sparen voor zijn rekening blijft nemen, maar dit is geen verplichting.
Ingangsdatum
Om proceseconomische redenen zal de rechtbank eerst de ingangsdatum vaststellen.
De rechtbank zal zoals gebruikelijk is in dit soort zaken de datum van indiening van het inleidend (zelfstandig) verzoek bij de griffie van de rechtbank (in deze zaak 5 augustus 2025) als ingangsdatum hanteren.
Behoefte [minderjarige]
Bij de berekening van de kinderalimentatie wordt eerst gekeken naar wat de kosten van een kind (de behoefte) zijn. De ouders zijn het erover eens dat de behoefte van [minderjarige] in 2025 € 475,- per maand bedraagt.
Draagkracht beide ouders
De vader en de moeder moeten in de behoefte van [minderjarige] voorzien naar rato van ieders draagkracht. De rechtbank zal hierna de draagkracht van beide ouders beoordelen. Dit doet de rechtbank aan de hand van het NBI van de vader en de moeder. Vervolgens moet het bedrag aan draagkracht volgens het Rapport alimentatienormen 2025 berekend worden aan de hand van de formule 70% x [NBI – (0,3 NBI + € 1.310,-)]. Voor de lagere inkomens beneden een NBI van € 2.125,- zijn vaste bedragen van toepassing.
De rechtbank zal bij haar berekening de door de moeder als productie 6 overgelegde alimentatieberekening als uitgangspunt nemen, omdat de vader deze niet of onvoldoende heeft betwist.
NBI en draagkracht vader in 2025
Voor de bepaling van de draagkracht van de vader gaat de rechtbank uit van het door de moeder gestelde en door de vader niet of onvoldoende betwiste bedrag aan winst uit onderneming van € 52.862,- per jaar in 2024.
Op basis van dit bedrag en rekening houdend met de in de aangehechte berekening opgenomen heffingskortingen, berekent de rechtbank volgens de aangehechte berekening het NBI van de vader in 2025 op € 3.727,- per maand (tarief 2025-2).
Tussen de vader en de moeder is in geschil of voor de bepaling van de draagkracht van de vader moet worden uitgegaan van zijn werkelijke woonlast in plaats van het gebruikelijke woonbudget. De vader stelt dat bij hem rekening moet worden gehouden met zijn werkelijke woonlasten en niet met het woonbudget, omdat zijn netto woonlasten € 1.900,- per maand bedragen en het forfait aan woonlasten slechts € 1.100,- per maand. De moeder betwist het standpunt van de vader en stelt dat gerekend moet worden met het gebruikelijke woonbudget, omdat uit de door de vader overgelegde huurovereenkomst blijkt dat zijn nieuwe echtgenote als medehuurder de huurovereenkomst is aangegaan en kan meebetalen aan de woonlasten.
De rechtbank overweegt dat bij de vaststelling van de kinderalimentatie in beginsel rekening wordt gehouden met een woonbudget. Dat is 30% van het NBI. De rechtbank ziet in dit geval geen aanleiding om bij de vader van het woonbudget af te wijken en uit te gaan van de werkelijke woonlasten, omdat de vader opnieuw is gehuwd en samenwoont met zijn huidige echtgenote. De rechtbank is van oordeel dat, gelet op het duurzame samenwonen van de vader met zijn echtgenote, de woonlasten gedeeld kunnen worden. Omdat gebleken is dat de woonlasten wel hoog zijn, ziet de rechtbank ook geen aanleiding om in dit geval rekening te houden met de helft van het woonbudget (15% van het NBI). Alles afwegende zal de rechtbank rekening houden met het gebruikelijke woonbudget van 30% van het NBI.
De draagkracht van de vader bedraagt volgens de aangehechte berekening € 909,- per maand in 2025.
NBI en draagkracht moeder in 2025
De rechtbank zal bij het bepalen van de draagkracht van de moeder uitgaan van het door haar onbetwist gestelde inkomen over 2024 van € 13.298,- per jaar. Op basis van dit inkomen en rekening houdend met de in de aangehechte berekening opgenomen fiscale heffingskortingen en toeslagen, berekent de rechtbank volgens de aangehechte berekening het NBI van de moeder voor kinderalimentatie in 2025 op € 1.600,- per maand (tarief 2025-2) en haar draagkracht op € 25,- per maand.
Verdeling van de draagkracht
De draagkracht van de ouders bedraagt gezamenlijk € 934,- per maand (€ 909+ € 25). Dit is voldoende om in de behoefte van [minderjarige] van € 475,- te voorzien. De rechtbank zal daarom een draagkrachtvergelijking maken waarbij de behoefte naar rato van ieders draagkracht zal worden verdeeld. Hiervoor gebruikt de rechtbank de formule: ieders draagkracht gedeeld door de totale draagkracht vermenigvuldigd met de behoefte.
Het eigen aandeel van de vader bedraagt: 909 / 934 x 475 = € 462,-
Het eigen aandeel van de moeder bedraagt: 25 / 934 x 475 =
€ 13,-
samen € 475,-
Van de totale behoefte van [minderjarige] komt een gedeelte van € 462,- per maand voor rekening van de vader. Een gedeelte van € 13,- per maand komt voor rekening van de moeder.
Zorgkorting en conclusie kinderalimentatie
De ouders zijn het erover eens dat sprake is van een zorgkortingspercentage van 35%. De zorgkorting bedraagt dan afgerond € 166,- per maand (35% van € 475
)). Dit betekent dat
€ 166,- per maand op mindering komt op het eigen aandeel van de vader van € 462,- per maand, waardoor de vader per saldo aan de moeder volgens de aangehechte berekening per 5 augustus 2025 een kinderalimentatie voor [minderjarige] van € 296,- per maand (€ 462 -/- € 166) zou moeten betalen. Voor de goede orde merkt de rechtbank echter op dat het haar procesrechtelijk niet is toegestaan om meer kinderalimentatie toe te wijzen dan is verzocht.
Concluderend zal de rechtbank bepalen dat de vader aan de moeder een kinderalimentatie van € 275,- per maand moet betalen, bij vooruitbetaling te voldoen en jaarlijks wettelijk te indexeren, voor het eerst per 1 januari 2026.

Beslissing

De rechtbank – met wijziging in zoverre van de beschikking van deze rechtbank van 28 december 2021 met daarin opgenomen het ouderschapsplan van 29 juli 2021 –:
*
bepaalt dat de minderjarige [minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2017 te
[geboorteplaats] bij de vader zal zijn:
  • de ene week van vrijdag na school tot maandag naar school;
  • de andere week van woensdag na school tot zaterdagochtend na de zwemles;
*
bepaalt dat de vader aan de moeder, met ingang van 5 augustus 2025 een kinderalimentatie ten behoeve van [minderjarige] van € 275,- per maand zal betalen, vanaf nu telkens bij vooruitbetaling te voldoen en jaarlijks wettelijk te indexeren, voor het eerst per 1 januari 2026;
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
*
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mr. G. van Zeben-de Vries, kinderrechter, bijgestaan door mr. M.G. Coopmans-Veraa als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 27 januari 2026.