Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
een verzoek om het verlenen van een machtiging tot uithuisplaatsing
een zelfstandig verzoek van de vader
1.Het verloop van de procedure
- het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 24 december 2025;
- het verweerschrift van de advocaat van de vader met 8 producties van
- het verweerschrift van de advocaat van de moeder van 22 januari 2026.
- [naam 1] en [naam 2], namens de gecertificeerde instelling;
- de moeder met haar advocaat;
- de vader met zijn advocaat.
2.De feiten
- [minderjarige] verblijft in de oneven weken van maandagmiddag uit school tot en met maandagochtend naar school bij de vader en in de even weken van maandagmiddag uit school tot maandagochtend naar school bij de moeder;
- [minderjarige] verblijft bij de vader conform een in die beschikking uitgewerkte vakantie- en feestdagenregeling.
3.Verzoek van de gecertificeerde instelling en zelfstandig verzoek van de vader
4.De standpunten
5.De beoordeling
e-mailadres zo spoedig mogelijk naar de bijzondere curator te sturen (naar het in de beslissing opgenomen e-mailadres), zodat de bijzondere curator [minderjarige], de vader en de moeder kan uitnodigen voor een eerste gesprek.
uiterlijk op 2 maart 2026schriftelijk verslag van haar eerste bevindingen te doen aan de rechtbank, de gecertificeerde instelling en alle belanghebbenden. Voorts verzoekt de rechtbank de bijzondere curator de leidraad werkwijze en verslag bijzondere curatoren ex artikel 1:250 Burgerlijk Pro Wetboek in acht te nemen.
6.De beslissing
uiterlijk op 2 maart 2026schriftelijk verslag van haar eerste bevindingen te doen aan de rechtbank, aan de gecertificeerde instelling, aan de vader en de moeder;
uiterlijk één week na ontvangst van het verslagvan de bijzondere curator; deze reactie dient aan de rechtbank, aan de bijzondere curator en aan de andere belanghebbenden te worden toegezonden;
mr. C.M. Koole, mr. J.E. Bierling en mr. E.E. Schotte, kinderrechters, in aanwezigheid van
mr. I.M. Kroon als griffier, en op schrift gesteld op 30 januari 2026.
- degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
- andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.