De zaak betreft een verzoek van de gecertificeerde instelling tot verlenging van de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing van een minderjarige tot aan haar meerderjarigheid. De minderjarige verblijft bij pleegouders en de moeder oefent het ouderlijk gezag uit. De kinderrechter heeft de stukken en het advies van de Raad voor de Kinderbescherming in overweging genomen.
Tijdens de zitting, die met gesloten deuren plaatsvond, waren de moeder en pleegouders niet aanwezig, hoewel zij correct waren opgeroepen. De minderjarige is gevraagd naar haar mening, maar heeft deze niet gegeven. De kinderrechter constateert dat de eerdere ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing tot 4 februari 2026 waren verlengd.
De gecertificeerde instelling verzocht om verlenging tot aan de meerderjarigheid van de minderjarige, met een termijn van vijf dagen. De kinderrechter oordeelt dat de zorgen over het toekomstperspectief en het contact met de moeder niet meer leiden tot een ernstige bedreiging van de ontwikkeling die een ondertoezichtstelling rechtvaardigt. De minderjarige is aangemeld voor passende voorzieningen en begeleid wonen, en kan voorlopig in het pleeggezin blijven.
Er is ook een verzoek tot mentorschap en bewindvoering ingediend. De kinderrechter concludeert dat niet langer aan de wettelijke criteria voor ondertoezichtstelling wordt voldaan, waardoor ook de grondslag voor verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing ontbreekt. Het verzoek wordt daarom afgewezen.