ECLI:NL:RBDHA:2026:3926

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
27 januari 2026
Publicatiedatum
27 februari 2026
Zaaknummer
C/09/696432 / JE RK 25-2156
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:260 BWArt. 1:265c lid 2 BWArt. 1:265j lid 3 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verlenging ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing van twee minderjarigen

De gecertificeerde instelling verzocht om verlenging van de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing van twee minderjarigen, geboren in 2009 en 2012, voor een periode van zes maanden. De moeder, belast met het ouderlijk gezag, was afwezig bij de zitting. De minderjarigen gaven geen mening.

De kinderrechter constateerde dat de minderjarigen nog steeds ernstig in hun ontwikkeling worden bedreigd. De oudste heeft een verstoord dag- en nachtritme en een hoog schoolverzuim, maar start binnenkort met een opleiding met ondersteuning van een coach. De jongste kampt met obesitas, maar krijgt begeleiding van een diëtist en wil gaan sporten. Zij doet het goed op school en heeft een stabiele omgang met de moeder.

De moeder verblijft vanwege psychische problematiek nog in een instelling en is ondanks stabilisatie en medicatie nog niet in staat de zorg voor de kinderen op zich te nemen. De kinderrechter achtte verlenging van de ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing noodzakelijk in het belang van de verzorging en opvoeding. De beschikking werd uitvoerbaar bij voorraad verklaard en de verlenging geldt tot 21 augustus 2026.

Uitkomst: De ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing van de twee minderjarigen worden verlengd tot 21 augustus 2026.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Familie- en Jeugdrecht
Zaaknummer: C/09/696432 / JE RK 25-2156
Datum uitspraak: 27 januari 2026
Beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling en verlenging machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van:
Stichting Jeugdbescherming west Haaglanden, gevestigd te Den Haag,
hierna te noemen: de gecertificeerde instelling,
over
[minderjarige 1], geboren op [geboortedatum 1] 2009 in [geboorteplaats] ([geboorteland])
hierna te noemen: [minderjarige 1],
[minderjarige 2], geboren op [geboortedatum 2] 2012 in [geboorteplaats] ([geboorteland]),
hierna te noemen: [minderjarige 2].
De kinderrechter merkt als belanghebbende aan:
[de moeder],
hierna te noemen: de moeder,
wonende in [woonplaats].

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
  • het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 19 december 2025;
  • het e-mailbericht van de moeder van 6 januari 2026;
  • het nagezonden advies van de Raad voor de Kinderbescherming als bedoeld in artikel 1:265j, derde lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW) van 23 januari 2026.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 27 januari 2026. Daarbij waren [naam 1] en [naam 2] namens de gecertificeerde instelling aanwezig.
De moeder heeft zich bij e-mailbericht van 6 januari 2026 afgemeld voor de zitting.
1.3.
De kinderrechter heeft [minderjarige 1] en [minderjarige 2] naar hun mening gevraagd. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben geen mening gegeven.

2.De feiten

2.1.
De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2].
2.2.
[minderjarige 1] verblijft in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder (bij [instantie 1])
2.3.
[minderjarige 2] verblijft in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder ([instelling 1] van [instantie 2]
).
2.4.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 11 februari 2025 de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] verlengd tot 21 februari 2026 en voor dezelfde duur de machtiging verlengd om [minderjarige 1] en [minderjarige 2] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder.

3.Het verzoek

3.1.
De gecertificeerde instelling verzoekt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] te verlengen voor de duur van zes maanden. Ook verzoekt de gecertificeerde instelling de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder te verlengen voor de duur van zes maanden. De gecertificeerde instelling verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

4.De beoordeling

4.1.
De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een verlenging van de ondertoezichtstelling is voldaan. [1] Ook is de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] noodzakelijk in het belang van de verzorging en opvoeding. [2] De kinderrechter overweegt daartoe als volgt.
4.2.
Uit de stukken en de zitting is gebleken dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] nog steeds ernstig in hun ontwikkeling worden bedreigd. [minderjarige 1] zijn dag- en nachtritme is verstoord, waardoor hij moeite heeft met slapen en opstaan en zich daarom regelmatig verslaapt. In het afgelopen jaar is sprake geweest van een hoog schoolverzuim. Positief is dat [minderjarige 1] per 1 februari 2026 zal gaan starten met de Ddak opleiding, waarbij hij door zijn coach vanuit [instantie 3] ondersteund zal worden. Zijn coach helpt hem ook bij zijn dag- en nachtritme. [minderjarige 1] ziet de moeder in de weekenden, en hier is de coach ook regelmatig bij. Bij [minderjarige 2] zijn er nog zorgen over haar gewicht, er is obesitas bij haar vastgesteld. Positief is dat er inmiddels een diëtist bij haar betrokken is en er een voedingsschema wordt gemaakt. Daarnaast heeft [minderjarige 2] aangegeven dat zij ook wil gaan sporten. [minderjarige 2] doet het goed op school en heeft sinds een aantal maanden een stabiele omgang met de moeder bij [instelling 2], die door een ambulante hulpverlener van [instantie 2] wordt gefaciliteerd. [minderjarige 2] zal binnenkort doorstromen op een pubergroep op hetzelfde terrein van [instantie 2]. De moeder verblijft nog bij [instelling 2] vanwege haar psychische problematiek. Hoewel de situatie al een jaar stabiel is en zij haar medicatie slikt, is de moeder nog erg kwetsbaar waardoor zij niet in staat om de zorg en opvoeding voor de kinderen op zich te nemen. De moeder is tevreden over de plekken waar [minderjarige 1] en [minderjarige 2] verblijven. De kinderrechter zal daarom de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder verlengen voor de duur van zes maanden, zoals verzocht.
4.3.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.

5.De beslissing

De kinderrechter:
5.1.
verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] tot 21 augustus 2026;
5.2.
verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder tot 21 augustus 2026;
5.3.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 27 januari 2026 door mr. N.B. Haverhoek, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. M. Veiga als griffier, en op schrift gesteld op 4 februari 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Voetnoten

1.Artikel 1:260 BW Pro.
2.Artikel 1:265c, tweede lid, BW.