ECLI:NL:RBDHA:2026:3954

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
26 februari 2026
Publicatiedatum
27 februari 2026
Zaaknummer
NL26.5157
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 30 VwVerordening (EU) nr. 604/2013Art. 8:54 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep ongegrond tegen niet in behandeling nemen asielaanvraag op grond van Dublinverordening

Eiser, een Syrische nationaliteit dragende persoon geboren in 2003, diende op 15 augustus 2025 een asielaanvraag in Nederland in. De minister van Asiel en Migratie nam deze aanvraag niet in behandeling omdat Spanje volgens de Dublinverordening verantwoordelijk is voor de behandeling. Dit werd bevestigd door Eurodac-gegevens waaruit bleek dat eiser op 4 januari 2025 illegaal via Spanje de EU binnenkwam.

De minister stuurde op 15 oktober 2025 een overnameverzoek aan Spanje, dat op 21 oktober 2025 instemde met de overname. Eiser voerde aan dat hij niet terug kan naar Spanje vanwege een gebrek aan eerlijke behandeling en negatieve ervaringen, maar kon dit niet met documenten onderbouwen.

De rechtbank oordeelde dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel geldt en dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat dit in zijn geval niet opgaat. Zijn beweringen over slechte behandeling en verblijf op straat zijn onvoldoende om de hoge drempel van zwaarwegendheid te halen. Bovendien heeft hij geen asielaanvraag in Spanje gedaan en geen bewijs geleverd dat hij geen toegang zal krijgen tot de asielprocedure en opvang.

Spanje heeft met het accepteren van het overnameverzoek gegarandeerd de asielaanvraag conform Europese richtlijnen te behandelen. De rechtbank verklaarde het beroep daarom ongegrond en wees een proceskostenveroordeling af.

Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en bevestigt dat Spanje verantwoordelijk is voor de behandeling van de asielaanvraag.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.5157

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiser

V-nummer: [V-nummer] ,
(gemachtigde: mr. M.M. van Woensel),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

Inleiding

Bij besluit van 27 januari 2026 (het bestreden besluit) heeft verweerder de asielaanvraag van eiser niet in behandeling genomen, omdat Spanje verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
De rechtbank doet uitspraak zonder zitting. [1]

Beoordeling door de rechtbank

1. Eiser stelt te zijn geboren op [datum] 2003 en de Syrische nationaliteit te hebben. Eiser heeft op 15 augustus 2025 asiel aangevraagd in Nederland.
2. Verweerder heeft de asielaanvraag van eiser niet in behandeling genomen op grond van artikel 30, eerste lid, van de Vw. [2] In dit artikel is bepaald dat een asielaanvraag niet in behandeling wordt genomen indien op grond van Dublinverordening [3] is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag. Uit Eurodac is gebleken dat eiser op 4 januari 2025 illegaal via Spanje het grondgebied van de lidstaten is ingereisd. Verweerder heeft 15 oktober 2025 een overnameverzoek gestuurd aan de Spaanse autoriteiten. Deze hebben op 21 oktober 2025 bericht dat zij akkoord zijn met overname van eiser.
3. Eiser voert daartegen aan dat hij niet terug kan naar Spanje. Hij verwacht in Spanje geen eerlijke behandeling. Verweerder is onvoldoende ingegaan op de door hem in Spanje ondervonden behandeling door de autoriteiten. Eiser beschikt niet over documenten om zijn relaas te onderbouwen.
4. Niet in geschil is dat Spanje verantwoordelijk is voor de behandeling van de asielaanvraag van eiser. In beginsel mag verweerder ten opzichte van Spanje van het interstatelijk vertrouwensbeginsel uitgaan. Dit wordt bevestigd door rechtspraak van de Afdeling. [4] Het is aan eiser om aannemelijk te maken dat in zijn geval niet van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan.
5. Eiser is daarin niet geslaagd. Eiser herhaalt in beroep enkel dat hij in Spanje geen eerlijke behandeling verwacht en dat hij in Spanje al vervelende ervaringen heeft gehad. Eiser zou in Spanje enkele dagen op straat hebben geleefd, zonder geld of telefoon. Deze gestelde ervaringen van eiser zijn onvoldoende om de hoge drempel van zwaarwegendheid te bereiken, als bedoeld in het arrest Jawo. [5] Bovendien heeft eiser in Spanje geen asiel aangevraagd en heeft hij daarom nog geen ervaringen met de Spaanse asiel- en opvangprocedure. Eiser heeft verder niet onderbouwd dat hij na overdracht in Spanje geen toegang zal krijgen tot de asielprocedure en de opvangvoorzieningen. Spanje heeft met het aanvaarden van het overnameverzoek van verweerder gegarandeerd de asielaanvraag van eiser in behandeling te nemen met inachtneming van de Europese asiel- en opvangrichtlijnen.
6. Verweerder heeft eisers asielaanvraag terecht niet in behandeling genomen. Het beroep is kennelijk ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan op 26 februari 2026 door mr. E.J. Govaers, rechter, in aanwezigheid van mr. S.D.C.J. Verheezen, griffier en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Informatie over verzet
Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.

Voetnoten

1.Op grond van artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
2.Vreemdelingenwet 2000.
3.Verordening (EU) nr. 604/2013.
4.Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Zie de uitspraak van 20 juli 2023 ECLI:RVS:2023:2803, uitspraak van 24 juni 2024 ECLI:NL:RVS:2024:2548, uitspraak van 3 februari 2025 ECLI:RVS:2025:381 en de uitspraak van 25 november 2025 ECLI:NL:RVS:2025:5661.
5.Arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 19 maart 2019, ECLI:EU:C:2019:218.