ECLI:NL:RBDHA:2026:4012

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
28 januari 2026
Publicatiedatum
28 februari 2026
Zaaknummer
C/09/697783 / FA RK 26-419
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:4 WvggzArt. 3:3 WvggzArt. 3:4 WvggzArt. 5:9 lid 1 sub a WvggzArt. 5:14 lid 1 sub a Wvggz
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek tot machtiging verplichte zorg wegens ontbreken diagnose en ernstig nadeel

De officier van justitie verzocht op 15 januari 2026 om een zorgmachtiging voor betrokkene op grond van de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg (Wvggz). De rechtbank hield op 28 januari 2026 een mondelinge behandeling waarbij betrokkene, bijgestaan door zijn advocaat, en een sociaal psychiatrisch verpleegkundige werden gehoord. De officier van justitie was niet aanwezig.

Betrokkene en zijn advocaat betwistten het bestaan van een psychiatrische stoornis en ernstig nadeel. De onafhankelijke psychiater had slechts een kort gesprek gevoerd en geen diagnose gesteld. De sociaal psychiatrisch verpleegkundige gaf aan dat betrokkene zich onttrekt aan zorg en dat opname nodig is voor diagnostiek.

De rechtbank oordeelde dat een zorgmachtiging alleen kan worden verleend indien een (voorlopige) diagnose is gesteld, wat hier ontbrak. Het zorgplan en de medische verklaring bevatten slechts vermoedens. Ook het ernstig nadeel, zoals zelfverwaarlozing en overlast, was onvoldoende onderbouwd. De aanwezigheid van een bewindvoerder en het ontbreken van recente politiemutaties wegen mee.

Gelet op het ultimum remedium karakter van verplichte zorg en de grote inbreuk op autonomie, concludeerde de rechtbank dat niet aan de wettelijke vereisten is voldaan en wees het verzoek af.

Uitkomst: Het verzoek tot machtiging verplichte zorg wordt afgewezen wegens ontbreken van een (voorlopige) diagnose en onvoldoende ernstig nadeel.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Team Jeugd- en Zorgrecht
Zaak-/rekestnr.: C/09/697783 / FA RK 26-419
Datum beschikking: 28 januari 2026

Afwijzing machtiging tot het verlenen van verplichte zorg

Beschikkingnaar aanleiding van het door de officier van justitie ingediende verzoek tot het verlenen van een zorgmachtiging als bedoeld in artikel 6:4 van Pro de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg (Wvggz), ten aanzien van:
[betrokkene] ,
hierna te noemen: betrokkene,
geboren op [geboortedatum] 1988 te [geboorteplaats] ,
wonende te [woonplaats] ,
advocaat: mr. K. Moene te Den Haag.

ProcesverloopBij verzoekschrift, ingekomen ter griffie op 15 januari 2026, heeft de officier van justitie verzocht om een zorgmachtiging.

Bij het verzoekschrift zijn de volgende bijlagen gevoegd:
- een op 12 januari 2026 ondertekende medische verklaring van [naam 1] , psychiater, die betrokkene heeft onderzocht maar niet bij de behandeling betrokken was;
- een blanco zorgkaart;
- een zorgplan van 14 januari 2026;
- de bevindingen van de geneesheer-directeur van 14 januari 2026;
- een uittreksel uit de justitiële documentatie;
- een brief van de officier van justitie van 19 november 2025, waaruit blijkt dat er ten aanzien van betrokkene geen recente politiemutaties zijn.
De mondelinge behandeling van het verzoek heeft plaatsgevonden op 28 januari 2026. Daarbij zijn gehoord:
- betrokkene, bijgestaan door zijn advocaat;
- de sociaal psychiatrisch verpleegkundige, [naam 2] (telefonisch).
Omdat door de officier van justitie een nadere toelichting op of motivering van het verzoek niet nodig werd geacht en het de rechtbank ter zitting is gebleken dat diens aanwezigheid ook niet noodzakelijk was om tot een inhoudelijke beslissing te kunnen komen, is de officier van justitie niet gehoord.

Standpunten ter zitting

Betrokkene heeft aangegeven niet achter de aanvraag van de zorgmachtiging te staan, omdat hij alleen somatische klachten ervaart. Er is volgens hem geen sprake van psychiatrische problematiek.
De advocaat bepleit namens betrokkene afwijzing van het verzoek, omdat er volgens haar geen sprake is van een psychiatrische stoornis. De onafhankelijke psychiater heeft de informatie in de medische verklaring gebaseerd op een kort gesprek van slechts twee minuten en er is nog geen exacte diagnose gesteld. Dat er een zorgmachtiging wordt verzocht om een diagnose te kunnen stellen, bevestigt volgens de advocaat dat er op dit moment nog geen sprake is van een diagnose. Daarnaast betwist de advocaat dat er sprake is van ernstig nadeel, omdat betrokkene geen direct gevaar voor zichzelf en zijn omgeving vormt. Betrokkene probeert juist zijn leven verder op te bouwen en er is een bewindvoerder aangesteld. Dit maakt volgens de advocaat dat er geen ernstig nadeel bestaat.
De sociaal psychiatrisch verpleegkundige heeft naar voren gebracht dat er sinds 2022 klachten over betrokkene binnen komen bij het Meldpunt Zorg en Overlast. Het wijkteam probeert daarom al langere tijd om afspraken te maken met betrokkene, maar deze komen - ondanks aanhoudende inspanningen- niet tot stand. Er heeft aldus nog geen diagnostiek plaats kunnen vinden, waardoor volgens de sociaal psychiatrisch verpleegkundige een opname is vereist. Inmiddels is er wel een bewindvoerder aangesteld.

Beoordeling

Op grond van het bepaalde in artikel 6:4 Wvggz Pro kan een zorgmachtiging worden verleend indien is voldaan aan de criteria voor verplichte zorg, zoals beschreven in artikel 3:3 Wvggz Pro en het doel van verplichte zorg, bedoeld in artikel 3:4, onderdelen b tot en met e, Wvggz.
Artikel 3:3 Wvggz Pro bepaalt dat indien het gedrag van een persoon als gevolg van zijn psychische stoornis leidt tot ernstig nadeel, als uiterste middel verplichte zorg kan worden verleend.
De rechtbank overweegt als volgt. Bij elke stap in de procedure tot het indienen van een verzoek om een zorgmachtiging – het zorgplan, de medische verklaring van de onafhankelijk psychiater, de bevindingen van de geneesheer-directeur en het verzoekschrift van de officier van justitie – moet duidelijk zijn dat een (voorlopige) diagnose van een psychische stoornis is gesteld. De rechter kan een zorgmachtiging enkel afgeven indien de psychische stoornis “
met voldoende zekerheid” is vastgesteld. Als niet een (voorlopige) diagnose is gesteld, kan een zorgmachtiging niet worden verleend.
In zijn verzoekschrift aan de rechtbank vermeldt de officier van justitie dat uit de medische verklaring en het zorgplan blijkt dat betrokkene lijdt aan schizofreniespectrum- en andere psychotische stoornissen en neurobiologische ontwikkelingsstoornissen (o.a. verstandelijke beperkingen en autismespectrumstoornissen)
De medische verklaring vermeldt dat betrokkene sinds 2022 in beeld is bij Meldpunt Zorg en Overlast, waarbij er zorgen zijn om zijn mentale en sociaalmaatschappelijke ontwikkeling en het vermoeden bestaat dat er sprake is van een psychotische stoornis. Goede diagnostiek is blijkens de medische verklaring echter niet mogelijk gebleken omdat betrokkene zich onttrekt aan zorg. Een opname zou volgens de medische verklaring geïndiceerd zijn om dit helder te krijgen. Hoewel niet valt uit te sluiten dat de onafhankelijke psychiater heeft bedoeld een (voorlopige) diagnose te stellen, inhoudende dat het toestandsbeeld van betrokkene wijst op een psychotische stoornis, vermeldt de medische verklaring niet de op grond van artikel 5:9 lid 1 sub a Wvggz Pro vereiste diagnose of voorlopige diagnose.
De rechtbank constateert daarnaast dat ook het zorgplan geen door de zorgverantwoordelijke gestelde diagnose bevat, zoals art. 5:14 lid 1 sub a Wvggz Pro vereist. Het zorgplan vermeldt slechts een vermoeden van een primair psychotische stoornis (zij het een reeds meerdere jaren bestaand “ernstig vermoeden”). De zorgverantwoordelijke geeft in het zorgplan aan dat er nog geen diagnose is vastgesteld, aangezien betrokkene nog niet in beeld/zorg is geweest bij GGZ Rivierduinen en niet openstaat voor behandeling.
De rechtbank stelt vast dat uit deze stukken en hetgeen ter zitting is besproken blijkt dat er weliswaar veel zorgen zijn over betrokkene, maar dat er tot op heden geen (voorlopige) diagnose is gesteld omdat goede diagnostiek niet mogelijk is gebleken. Uit de overgelegde stukken is slechts gebleken dat het vermoeden bestaat dat er sprake is van een psychotische stoornis. De rechtbank is daarom van oordeel dat zowel uit de stukken als de mondelinge behandeling onvoldoende blijkt dat betrokkene lijdt aan een psychische stoornis.
Ten aanzien van het gestelde ernstig nadeel overweegt de rechtbank als volgt. Het ernstig nadeel dat wordt omschreven in het verzoek en overige stukken ziet met name op maatschappelijke en financiële teloorgang, zelfverwaarlozing en het oproepen van agressie over zichzelf. Zo zou de zelfzorg van betrokkene matig zijn, zou hij onverzorgd ogen en zou er een sterke lichaamsgeur om hem heen hangen. Er zouden betalingsachterstanden zijn ontstaan, waardoor hij zijn woning zou kunnen verliezen en dakloos zou kunnen raken. Daarnaast geven de buren aan dat betrokkene vreemd gedrag vertoont rondom/in de woning. Zo hij zou onder andere eten van het balkon hebben gegooid en bier over een kat van de buren hebben gegooid.
De rechtbank begrijpt dat er zorgen zijn over betrokkene, maar de rechtbank ziet in deze zorgen onvoldoende ernstig nadeel om een (eerste) zorgmachtiging te rechtvaardigen. De rechtbank heeft geconstateerd dat betrokkene ter zitting niet onverzorgd oogt. En hoewel de rechtbank begrijpt dat het gedrag van betrokkene voor de buren vervelend kan zijn, is de rechtbank van oordeel dat dit vreemde gedrag op dit moment onvoldoende is om te kunnen spreken van ernstig nadeel zoals benoemd in de Wvggz. Daarbij weegt de rechtbank mee dat er de afgelopen drie maanden geen politiemutaties zijn opgemaakt met betrekking tot betrokkene. Betrokkene heeft ontkend dat er sprake is van overlast en bij gebreke van nadere onderbouwing hiervan, zoals bijvoorbeeld meldingen of politiemutaties, is dit (risico op) ernstig nadeel niet komen vast te staan.
De financiële zorgen van betrokkene worden momenteel bovendien ondervangen door inzet van de bewindvoering. Deze maatregel is minder ingrijpend dan verplichte geestelijke gezondheidszorg en kan het gestelde ernstige financiële nadeel voorkomen, dan wel bestrijden.
Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de zorgaanbieder, in het licht van de betwisting door betrokkene, onvoldoende onderbouwd heeft dat er momenteel sprake is van ernstig nadeel dat verplichte zorg rechtvaardigt. Daarbij weegt de rechtbank mee dat de sociaal psychiatrisch verpleegkundige ter zitting heeft aangegeven dat het doel van de zorgmachtiging een klinische opname van betrokkene zou zijn. Met het oog op het karakter van de Wvggz is verplichte zorg een ultimum remedium. Het inzetten van verplichte zorg vormt een grote inbreuk op de autonomie en op de lichamelijke integriteit van een individu.
Het vorenstaande brengt mee dat er op dit moment niet is voldaan aan de wettelijke vereisten voor het verlenen van een zorgmachtiging. De rechtbank zal het verzoek afwijzen.

Beslissing

De rechtbank:
wijst het verzoek af.
Deze beschikking is gegeven door mr. H.J.M. Bellekom, rechter, bijgestaan door mr. F.H. Lüchinger als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 28 januari 2026.
De schriftelijke uitwerking van deze beschikking is vastgesteld op 11 februari 2026.
Tegen deze beschikking staat het rechtsmiddel van cassatie open.