Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:4037

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
29 januari 2026
Publicatiedatum
1 maart 2026
Zaaknummer
C/09/695279 / FA RK 25-8971
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Voorlopige voorzieningen inzake zorgregeling en alimentatie na echtscheiding

Partijen zijn gehuwd sinds 2006 en hebben twee kinderen, waarvan één minderjarig. De vrouw verzoekt om het uitsluitend gebruik van de echtelijke woning, toevertrouwing van het minderjarige kind aan haar, een zorgregeling voor het kind, en voorlopige partner- en kinderalimentatie.

De rechtbank wijst het verzoek tot toevertrouwing van het minderjarige kind aan de vrouw toe, aangezien de man geen bezwaar maakt en het belang van het kind dit niet tegenstaat. Het verzoek tot uitsluitend gebruik van de woning is ingetrokken door de vrouw.

De voorlopige zorgregeling wordt aangepast aan de wens van het kind, die voorkeur uitspreekt voor een zorgverdeling over halve weken. De rechtbank stelt een gedetailleerde tweewekelijkse zorgregeling vast waarbij het kind afwisselend bij beide ouders verblijft, inclusief de weekenden.

De voorlopige kinderalimentatie wordt vastgesteld op €461 per maand, gebaseerd op een draagkrachtvergelijking en een zorgkorting van 35%. Het verzoek tot voorlopige partneralimentatie wordt afgewezen wegens onvoldoende onderbouwing van de behoefte door de vrouw.

De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad en bevat een gedetailleerde motivering van de draagkrachtberekening en zorgregeling, met het belang van het kind als uitgangspunt.

Uitkomst: De rechtbank wijst het verzoek tot toevertrouwing en zorgregeling toe, stelt voorlopige kinderalimentatie vast en wijst het verzoek tot partneralimentatie af wegens onvoldoende onderbouwing.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG
Enkelvoudige kamer
Rekestnummer: FA RK 25-8971
Zaaknummer: C/09/695279
Datum beschikking: 29 januari 2026

Voorlopige voorzieningen

Beschikking op het op 27 november 2025 ingekomen verzoek van:

[de vrouw],
de vrouw,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. R.J. Ottens te Noordwijk.
Als belanghebbende wordt aangemerkt:
[de man],
de man,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. P.F.D.P. de Milliano te Katwijk.

Procedure

De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:
  • het verzoekschrift;
  • het verweerschrift tevens verzoekschrift;
- het F9-formulier van 5 januari 2026 van de zijde van de vrouw, met bijlagen.
Op 15 januari 2026 is de zaak ter terechtzitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen:
  • de vrouw bijgestaan door mr. Bouwmeester (als waarnemer van mr. R.J. Ottens);
  • de man bijgestaan door zijn advocaat.
[de minderjarige] heeft in een gesprek met de rechter laten weten wat zij van het verzoek vindt.

Feiten

- Partijen zijn op 21 september 2006 te Katwijk met elkaar gehuwd.
- Zij zijn de ouders van de nu nog minderjarige [de minderjarige] , geboren op [geboortedatum 1] 2009 te [geboorteplaats 1] , en het meerderjarige kind [de meerderjarige] , geboren op [geboortedatum 2] 2005 te [geboorteplaats 2] .
- De man heeft de Duitse nationaliteit en de vrouw heeft de Nederlandse nationaliteit.
- De ouders oefenen gezamenlijk het gezag over de kinderen uit.

Verzoek en verweer

De vrouw verzoekt dat:
- de vrouw gerechtigd zal zijn tot het uitsluitend gebruik van de echtelijke woning te [adres] gedurende de even weken van zondag tot zondag met het bevel dat de man de woning in die even weken dient te verlaten en verder niet mag betreden;
- [de minderjarige] aan de vrouw wordt toevertrouwd;
- een regeling inzake de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken ten aanzien van [de minderjarige] wordt vastgesteld inhoudende dat [de minderjarige] de ene week bij de moeder verblijft en de andere week bij de vader;
- een door de man aan de vrouw te betalen voorlopige partneralimentatie van € 1.750,- per maand wordt vastgesteld, met ingang van 22 juli 2025 en subsidiair datum indiening verzoek, telkens bij vooruitbetaling te voldoen;
- een door de man aan de vrouw te betalen voorlopige kinderalimentatie van € 222,- per maand zolang [de minderjarige] bij de vader staat ingeschreven en € 465 per maand vanaf
het moment dat [de minderjarige] bij de moeder staat ingeschreven en zij aanspraak kan maken op het kindgebonden budget dan wel een bedrag die de rechtbank juist acht, met ingang van 22 juli 2025 en subsidiair de datum van indiening van dit verzoek, telkens bij vooruitbetaling te voldoen
een en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.
De man voert verweer – onder referte van de vaststelling van de zorgregeling – welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.

Beoordeling

Rechtsmacht en toepasselijk recht
Aan de Nederlandse rechter komt in deze voorlopige voorzieningen procedure rechtsmacht toe. De rechtbank past Nederlands recht toe in deze procedure.
Toevertrouwing minderjarige
De vrouw verzoekt toevertrouwing van [de minderjarige] aan haar. De man heeft geen verweer gevoerd en heeft ter zitting verklaard geen bezwaar te hebben tegen toevertrouwing van [de minderjarige] aan de vrouw. De rechtbank zal het verzoek van de vrouw als niet weersproken en op de wet gegrond toewijzen, ook omdat niet is gebleken dat het belang van [de minderjarige] zich hiertegen verzet.
Uitsluitend gebruik echtelijke woning
De vrouw heeft haar verzoek tot het uitsluitend gebruik van de echtelijke woning ingetrokken, aangezien zij inmiddels over eigen woonruimte beschikt. De rechtbank hoeft op dit punt dus niets meer te beslissen.
Voorlopige zorgregeling
Partijen waren het in principe eens over een zorgregeling, waarbij [de minderjarige] de ene week bij de vrouw verblijft en de andere week bij de man.
Tijdens het kindgesprek dat de rechtbank met [de minderjarige] heeft gehad, heeft zij echter duidelijk aangegeven de voorkeur te hebben voor een verdeling van de zorg over halve weken, in plaats van een volledige week bij één ouder. Gelet op de leeftijd van [de minderjarige] acht de rechtbank het wenselijk rekening te houden met haar wensen. Dit heeft zij op de zitting met de ouders besproken en die hebben hiermee ingestemd.
Tijdens de zitting is met partijen afgesproken dat de rechtbank een beslissing zou nemen over de invulling van de zorgregeling. De rechtbank acht het in het belang van [de minderjarige] dat zij de weekenden afwisselend bij beide ouders doorbrengt, zodat wordt voorkomen dat één ouder uitsluitend de weekenddagen met haar heeft en de andere ouder uitsluitend doordeweekse dagen. Met inachtneming van dit uitgangspunt stelt de rechtbank de volgende tweewekelijkse zorgregeling vast. [de minderjarige] verblijft in de eerste week van maandag tot woensdagavond bij de man en van woensdagavond tot en met maandagavond bij de vrouw. In de tweede week verblijft [de minderjarige] van maandagavond tot woensdagavond bij de man, van woensdagavond tot vrijdagavond bij de vrouw en van vrijdagavond tot woensdagavond bij de man, waarna de regeling zich herhaalt.
Voorlopige kinderalimentatie
De rechtbank stelt voorop dat het hier gaat om een vaststelling van een voorlopige kinderalimentatie in het kader van voorlopige voorzieningen. Deze vaststelling heeft het karakter van een ordemaatregel, waarbij het gaat om eventuele bijdragen voor de duur van de echtscheidingsprocedure. Daarbij is het uitgangspunt dat summier onderzoek wordt gedaan en wordt uitgegaan van de actuele situatie van partijen, voor zover de rechtbank daar voldoende inzicht in heeft. Als de rechtbank onvoldoende inzicht in de situatie van partijen heeft, zal de rechtbank beoordelen wat zij redelijk acht en in dat kader een schatting maken.
Bij de vaststelling en berekening van de kinderalimentatie neemt de rechtbank de aanbevelingen van de Expertgroep Alimentatie opgenomen in het Rapport Alimentatienormen (het rapport) als uitgangspunt. De rechtbank rondt hierna in haar berekening de bedragen telkens af op hele euro's.
Behoefte
Partijen zijn het erover eens dat de behoefte van [de minderjarige] € 990,- per maand bedraagt. Geïndexeerd naar 2026 bedraagt deze behoefte € 1.036,- per maand.
Draagkracht vrouw
Partijen zijn het erover eens dat de draagkracht van de vrouw € 565,- per maand bedraagt, zodat de rechtbank dat zal volgen.
Draagkracht man
De rechtbank volgt de berekening van de man en gaat voor de bepaling van de draagkracht van de man uit van een inkomen van € 7.282,- bruto per maand te vermeerderen met € 328,- Expatriatievergoeding, € 387,- kostwinnerstoelage en € 527,- kind toeslag.
De rechtbank houdt verder rekening met:
  • de pensioenpremie van € 955,-;
  • de werkloosheidsverzekering van € 142,-;
  • de ziektekostenverzekering van € 124,-;
  • de ongevallenverzekering van € 7,-
  • dubbele kinderbijslag van € 123,-;
Op basis van de hiervoor genoemde uitgangspunten en rekening houdend met de in de aangehechte berekening opgenomen heffingskortingen en toeslagen, berekent de rechtbank zijn NBI in 2026 op € 6.425,- per maand. De rechtbank verwijst hiervoor naar de aangehechte berekening.
Omdat het NBI van de man hoger is dan € 2.200,- zal de rechtbank voor de berekening van zijn draagkracht de formule 70% x [NBI – (0,3 x NBI + € 1.365,-)] gebruiken. De draagkracht van de man bedraagt dan: 70% x [6.425 – (1.928 + 1.365)] = € 2.192,- per maand.
Draagkrachtvergelijking
De draagkracht van partijen bedraagt gezamenlijk € 2.757,- per maand (€ 565,- + € 2.192,-). Dit is voldoende om in de behoefte van [de minderjarige] te voorzien. De rechtbank zal daarom een draagkrachtvergelijking maken waarbij de behoefte naar rato van ieders draagkracht zal worden verdeeld. Hiervoor gebruikt de rechtbank de formule: ieders draagkracht gedeeld door de totale draagkracht vermenigvuldigd met de behoefte.
Het eigen aandeel van de man bedraagt: 2.192 / 2.757 x 1036 = € 824,-
Het eigen aandeel van de vrouw bedraagt: 565 / 2.757 x 1036 =
€ 212,-
samen € 1.036,-
Van de totale behoefte van [de minderjarige] komt een gedeelte van € 824,- per maand voor rekening van de man. Een gedeelte van € 212,- per maand voor rekening van de vrouw.
Zorgkorting
Partijen zijn het erover eens dat sprake is van een zorgkortingspercentage van 35%. De zorgkorting bedraagt dan € 363 per maand (35% van € 1.036,- (
behoeftebedrag)).
De zorgkorting strekt in mindering op het hiervoor berekende aandeel. De door de man te betalen bijdrage bedraagt dan € 461,- per maand (€ 824,-
(aandeel)-/- € 363,- (
bedrag aan zorgkorting)).
Ingangsdatum
De rechtbank zal als ingangsdatum de datum van de beschikking hanteren, omdat vanaf dat moment pas een zorgregeling zal gelden waarbij [de minderjarige] regelmatig bij de vrouw verblijft.
Conclusie
De rechtbank bepaalt dat de man aan de vrouw met ingang van de datum beschikking voorlopig een kinderalimentatie van € 461,- per maand zal betalen, telkens bij vooruitbetaling te voldoen.
Voorlopige partneralimentatie
De vrouw verzoekt een voorlopige partneralimentatie. Zij stelt dat zij, gezien de inkomens van partijen, een netto behoefte heeft van €3.364,- per maand en een bruto behoefte van € 5.873,- per maand. Volgens de vrouw heeft de man onvoldoende draagkracht om dit bedrag te voldoen. De vrouw beperkt haar verzoek dan ook tot een voorlopige bijdrage van € 1.750,- per maand.
De man voert verweer. Hij plaatst vraagtekens bij de behoeftigheid van de vrouw. De vrouw heeft inkomen uit arbeid en zij is volgens de man in staat om meer uren te werken. De man wijst er daarnaast op dat de vrouw niet eerder een verzoek tot enige bijdrage in het levensonderhoud heeft gedaan. Zij is al anderhalf jaar weg bij de man en nooit is gebleken dat er financiële nood was. De man stelt zich primair op het standpunt dat het verzoek van de vrouw moet worden afgewezen wegens het ontbreken van belang en/of behoeftigheid. Subsidiair stelt de man zich op het standpunt dat de gevraagde bijdrage moet worden beperkt tot een bedrag van €1092,- per maand, nu zijn draagkracht geringer is dan door de vrouw is gesteld.
De rechtbank overweegt als volgt. De vrouw stelt weliswaar dat zij behoefte heeft aan partneralimentatie, maar heeft deze stelling op geen enkele wijze onderbouwd. Zij heeft geen financiële stukken of berekeningen overgelegd waaruit haar behoefte, dan wel haar aanvullende behoefte, kan worden afgeleid. Het had, mede gelet op het door de man gevoerde verweer, op de weg van de vrouw gelegen haar verzoek deugdelijk te onderbouwen. Nu zij dit heeft nagelaten, zal de rechtbank het verzoek wegens onvoldoende onderbouwing afwijzen.

Beslissing

De rechtbank:
bepaalt dat de minderjarige [de minderjarige] , geboren op [geboortedatum 1] 2009 te [geboorteplaats 1] aan de vrouw zal worden toevertrouwd;
bepaalt de volgende voorlopige tweewekelijkse zorgregeling: [de minderjarige] verblijft in de eerste week van maandag tot woensdagavond bij de man en van woensdagavond tot en met maandagavond bij de vrouw. In de tweede week verblijft [de minderjarige] van maandagavond tot woensdagavond bij de man, van woensdagavond tot vrijdagavond bij de vrouw, en van vrijdagavond tot woensdagavond bij de man, waarna de regeling zich herhaalt;
bepaalt dat de man aan de vrouw, met ingang van de datum beschikking voorlopig een kinderalimentatie ten behoeve van [de minderjarige] (bij co-ouderschap eventueel:
medeverzorgt en opvoedt) van € 461,- per maand zal betalen, telkens bij vooruitbetaling te voldoen;
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mr. C. de Jong-Kwestro, rechter, tevens kinderrechter, bijgestaan door mr. L.E. Visser als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 29 januari 2026.