ECLI:NL:RBDHA:2026:4042

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
29 januari 2026
Publicatiedatum
1 maart 2026
Zaaknummer
C/09/698525 / JE RK 26-142
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:265b BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Spoedmachtiging tot uithuisplaatsing van minderjarige wegens ernstig gevaar

De gecertificeerde instelling verzoekt een spoedmachtiging tot uithuisplaatsing van een minderjarige, die sinds 9 januari 2026 in een crisispleeggezin verblijft. Door toenemend probleemgedrag en het plotselinge stoppen van de pleegmoeder met zorgen, is een alternatieve plaatsing noodzakelijk.

De kinderrechter constateert dat een zitting niet kan worden afgewacht zonder ernstig gevaar voor de minderjarige. Een plaatsing bij de grootouders is niet mogelijk vanwege beperkte slaapruimte en gezondheidsproblemen. Er is een geschikte plek beschikbaar bij een jeugdhulpaanbieder waar de minderjarige per direct terechtkan.

Daarom wordt een machtiging verleend voor uithuisplaatsing van 29 januari 2026 tot 12 februari 2026, met onmiddellijke werking. De verdere behandeling van het verzoek wordt aangehouden tot een zitting op 11 februari 2026, waarbij ook een kindgesprek gepland staat. Belanghebbenden worden in de gelegenheid gesteld hun mening te geven.

Uitkomst: De kinderrechter verleent een spoedmachtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarige voor twee weken met onmiddellijke werking.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Familie- en Jeugdrecht
Zaaknummer: C/09/698525 / JE RK 26-142
Datum uitspraak: 29 januari 2026
Beschikking van de kinderrechter over een spoedmachtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
de gecertificeerde instelling
Stichting Jeugdbescherming west Haaglanden, gevestigd te Den Haag,
hierna te noemen de gecertificeerde instelling,
over
[minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2012 in [geboorteplaats],
hierna te noemen [minderjarige].
De kinderrechter merkt als belanghebbende aan:
[de moeder],
hierna te noemen de moeder,
wonende in [woonplaats],
advocaat: mr. J. Grabowsky uit Den Haag.

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt mee in de beoordeling:
- het schriftelijke verzoek van de gecertificeerde instelling met bijlagen, ontvangen op 29 januari 2026.

2.De feiten

2.1.
De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige].
2.2.
[minderjarige] verblijft in een pleeggezin.
2.3.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 23 oktober 2025 de ondertoezichtstelling van [minderjarige] verlengd tot 31 oktober 2026.
2.4.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 22 januari 2026 een machtiging verleend [minderjarige] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een voorziening voor pleegzorg tot 22 april 2026. Het verzoek is voor het overige aangehouden.

3.Het verzoek

3.1.
De gecertificeerde instelling verzoekt een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder te verlenen voor de duur van zes maanden en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. De gecertificeerde instelling verzoekt hierop te beslissen zonder de belanghebbenden te horen.

4.De beoordeling

4.1.
Op basis van het verzoekschrift van de gecertificeerde instelling is de kinderrechter van oordeel dat het noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding dat [minderjarige] uit huis wordt geplaatst. [1]
4.2.
De kinderrechter is ook van oordeel dat een zitting niet kan worden afgewacht zonder onmiddellijk en ernstig gevaar voor [minderjarige]. [minderjarige] verblijft sinds 9 januari 2026 in het crisispleeggezin waar zij tot 6 februari 2026 zou kunnen blijven. Aanvankelijk verliep dit goed, maar de afgelopen periode liet [minderjarige] met toenemende mate probleemgedrag zien. Op 28 januari 2026 heeft de pleegmoeder plots aangegeven niet meer voor [minderjarige] te kunnen zorgen. [minderjarige] heeft vervolgens bij haar opa en oma vaderszijde gelogeerd om tot rust te komen. Een plaatsing bij de opa en oma is echter niet mogelijk, omdat [minderjarige] daar op de bank slaapt en de opa en oma kampen met gezondheidsproblemen. Er is een plek voor [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder beschikbaar, welke plek gelet op de ervaren problematiek van [minderjarige] geschikt is en waar zij per direct terechtkan. De kinderrechter zal daarom een machtiging verlenen om [minderjarige] uit huis te plaatsen in een accommodatie voor een jeugdhulpaanbieder voor de duur van twee weken.
4.3.
De kinderrechter verklaart de beslissing om de machtiging tot uithuisplaatsing af te geven uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
4.4.
De gecertificeerde instelling, [minderjarige] en de belanghebbenden worden in de gelegenheid gesteld hun mening te geven. Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.

5.De beslissing

De kinderrechter:
5.1.
verleent een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder met ingang van 29 januari 2026 tot 12 februari 2026;
5.2.
verklaart de beslissing onder 5.1. uitvoerbaar bij voorraad
5.3.
houdt de behandeling van het verzoek voor het overige aan tot de zitting van mr. S. van der Harg op
11 februari 2026 om 11:45 uurin het gerechtsgebouw van de rechtbank Den Haag, waarbij het aangehouden deel van het verzoek met zaaknummer C/09/697438 / JE RK 26-40 gelijktijdig zal worden behandeld;
5.4.
vraagt de griffier voor die zitting op te roepen:
- Stichting Jeugdbescherming west Haaglanden;
- de moeder;
- de advocaat van de moeder;
5.5.
vraagt de griffier om [minderjarige] voor het
kindgesprekop te roepen op
10 februari 2026 om 15:30 uurin het gerechtsgebouw van de rechtbank Den Haag.
Deze beschikking is gegeven door W.G. de Boer, kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken op 29 januari 2026, in aanwezigheid van V.A.H. Schoorl als griffier.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Voetnoten

1.Artikel 1:265b, eerste lid, Burgerlijk Wetboek (BW).