ECLI:NL:RBDHA:2026:4060

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
29 januari 2026
Publicatiedatum
1 maart 2026
Zaaknummer
C/09/698138 / JE RK 26-100
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:251b BWArt. 1:253b BWArt. 1:257 BWArt. 1:265b BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Voorlopige ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing van minderjarigen wegens zorgelijke veiligheidssituatie

De Raad voor de Kinderbescherming verzoekt de voorlopige ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing van twee minderjarige kinderen bij hun moeder vanwege ernstige zorgen over fysiek geweld en veiligheid binnen het gezin.

De kinderrechter constateert dat er een acuut en ernstig vermoeden bestaat dat de ontwikkeling van de kinderen wordt bedreigd. Er zijn signalen van huiselijk geweld, letsel bij de moeder en een incident waarbij een kind mogelijk letsel heeft opgelopen. De politie adviseert verblijf op een geheime locatie vanwege onveiligheid thuis.

De vader erkent de zorgen maar voert verweer tegen het verzoek en wenst op termijn contact met de kinderen. De moeder werkt mee en wil veiligheid voor zichzelf en de kinderen. De gecertificeerde instelling ondersteunt het verzoek en benadrukt de noodzaak van toezicht en hulpverlening.

De kinderrechter oordeelt dat vrijwillige hulpverlening onvoldoende is gebleken en dat een jeugdbeschermer nodig is om regie te voeren en veiligheid te waarborgen. Daarom wordt de voorlopige ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing voor drie maanden toegekend, met onmiddellijke ingang en uitvoerbaar bij voorraad.

Uitkomst: De kinderrechter stelt de minderjarigen voorlopig onder toezicht en verleent een machtiging tot uithuisplaatsing bij de moeder voor drie maanden wegens ernstige veiligheidszorgen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Jeugd- en Zorgrecht
Zaaknummer: C/09/698138 / JE RK 26-100
Datum uitspraak: 29 januari 2026
Beschikking van de kinderrechter over een voorlopige ondertoezichtstelling en een machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van:
de Raad voor de Kinderbescherming, Den haag,
hierna te noemen: de Raad,
over:
[minderjarige 1], geboren op [geboortedatum 1] 2023 in [geboorteplaats 1],
hierna te noemen: [minderjarige 1],
[minderjarige 2], geboren op [geboortedatum 2] 2024 in [geboorteplaats 2],
hierna te noemen: [minderjarige 2].
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder],
hierna te noemen: de moeder,
wonende in [woonplaats 1],
advocaat: mr. L. Windhorst uit Den Haag,
[de vader],
hierna te noemen: de vader,
wonende in [woonplaats 2],
advocaat: N. Gierdharie uit Den Haag.
De kinderrechter merkt als informant aan:
William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering, hierna te noemen: de gecertificeerde instelling.

1.Het verdere verloop van de procedure

1.1.
Bij beschikking van 22 januari 2026 heeft de kinderrechter [minderjarige 1] en [minderjarige 2] voorlopig onder toezicht gesteld en middels spoedvoorziening een machtiging verleend [minderjarige 1] en [minderjarige 2] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen bij de moeder met gezag tot 5 februari 2026. Het verzoek is voor het overige aangehouden.
1.2.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- de beschikking van 22 januari 2026 en de daarin genoemde stukken.
1.3.
De kinderrechter heeft de vader en de moeder, op verzoek van de gecertificeerde instelling, apart gehoord.
1.4.
Op 29 januari 2026 heeft de kinderrechter de zitting met gesloten deuren voortgezet. Daarbij waren aanwezig:
  • de moeder met haar advocaat, bij de behandeling met de moeder;
  • de vader met zijn advocaat, bij de behandeling met de vader;
- [naam 1] namens de raad;
- [naam 2], [naam 3] (bij de behandeling met de moeder) en [naam 4] (bij de behandeling met de vader) namens gecertificeerde instelling.

2.De feiten

2.1.
[minderjarige 1] en [minderjarige 2] zijn bij hun geboorte erkend door de vader.
2.2.
Ten tijde van de geboorte van [minderjarige 1] was de moeder minderjarig. Het is de kinderrechter niet gebleken dat er op dat moment voor [minderjarige 1] een tijdelijke gezagsmaatregel is verleend. De moeder heeft vervolgens van rechtswege het gezag over [minderjarige 1] verkregen op het moment dat zij meerderjarig werd, zo volgt uit artikel 1:253b BW. Op dat moment kreeg de vader ook het gezag over [minderjarige 1]. Dit leidt de kinderrechter af uit de parlementaire geschiedenis bij artikel 1:251b BW (Kamerstukken II 2021/22, 34605, H, p. 3 en Handelingen I 2021/22, nr. 21, item 11, p. 20). De vader en de moeder hebben derhalve het gezamenlijk gezag over [minderjarige 1].
2.3.
De moeder was meerderjarig toen [minderjarige 2] werd geboren. De moeder en de vader hebben ook het gezamenlijk gezag over [minderjarige 2].
2.4.
Voor de overige feiten verwijst de kinderrechter naar de beschikking van 22 januari 2026.

3.Het verzoek

3.1.
De Raad verzoekt [minderjarige 1] en [minderjarige 2] voorlopig onder toezicht te stellen voor de duur van drie maanden. Ook verzoekt de Raad een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] bij de moeder met gezag te verlenen voor de duur van drie maanden en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
3.2.
De Raad motiveert het verzoek als volgt. De Raad wil de gemelde zorgen over fysiek geweld in het gezin onderzoeken. Er lijkt sprake te zijn van een zorgelijke situatie, die al langere tijd speelt. Ook zijn er al verschillende instanties betrokken bij het gezin. Het onderzoek zal zich voornamelijk richten op de fysieke veiligheid van de moeder en de kinderen. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] zijn jong en daarmee volledig afhankelijk van de ouders. Er moet onderzocht worden hoe de veiligheid van de moeder en de kinderen kan worden gewaarborgd, ook op de lange termijn. De moeder is kwetsbaar en er zijn zorgen om haar belastbaarheid. Er zijn signalen van een dreiging voor femicide. De Raad vindt het van belang dat de moeder zich dit realiseert en alles doet om haar eigen veiligheid en dat van de kinderen te waarborgen en dat zij geen contact zoekt met de vader, wanneer dit niet wordt geadviseerd. De vader heeft op dit moment een huisverbod tot 12 februari 2026. De machtiging tot uithuisplaatsing wordt verzocht om te waarborgen dat de kinderen veilig zijn. Gedurende het raadsonderzoek zal ook gekeken worden naar het eventuele contact tussen de vader en de kinderen, omdat de kinderen de vader missen. Dit moet echter zorgvuldig gedaan worden. Voor nu heeft de Raad ervoor gekozen om door middel van de uithuisplaatsing de rust te bewaken.

4.De standpunten

4.1.
Door en namens de moeder wordt gerefereerd aan het oordeel van de kinderrechter. De moeder heeft fijn contact met de hulpverlening en wil aan alles meewerken. Zij vindt het belangrijk dat zijzelf en de kinderen veilig zijn en dat zij voor de kinderen kan zorgen. Er moet rust komen in de situatie.
4.2.
Door en namens de vader is verweer gevoerd tegen het verzoek. De vader wil wel hulp voor de situatie, omdat er veel is gebeurd en dit niet goed is voor de kinderen. Volgens de vader zijn de omstandigheden voornamelijk onveilig voor de kinderen wanneer de ouders samen zijn. De vader wil dat de situatie verandert en hij wil op dit moment geen contact met de moeder. Op termijn wil hij dit contact wel weer opbouwen, omdat zij verbonden zijn door de kinderen en hij de kinderen samen groot wil brengen. Ook wil de vader de kinderen zo snel mogelijk zien, aangezien hij ze, vanwege zijn detentie, al een paar maanden niet heeft gezien. De moeder heeft aangegeven dat zij geen bezwaar heeft tegen het contact tussen de kinderen en de vader. De vader heeft een goed netwerk, met een betrokken grootmoeder, moeder en broertje. De vader wil hulp accepteren, waardoor het gedwongen kader niet nodig is. Door en namens de vader wordt verzocht het verzoek af te wijzen.
4.3.
De gecertificeerde instelling kan zich vinden in het verzoek. De gecertificeerde instelling maakt zich zorgen over de mate waarin de moeder bewust is dat niemand mag weten waar zij verblijft. In een gesprek met de moeder heeft de moeder gevraagd of een vriendin bij haar mocht verblijven in het weekend. Dit liet voor de gecertificeerde instelling zien dat de moeder de ernst van situatie niet inziet. De gecertificeerde instelling wil met de moeder aan de slag en haar de hulp bieden die zij nodig heeft. Het is nog niet gelukt om met de vader in contact te komen. In het verleden is op vrijwillige basis geprobeerd hulpverlening aan te bieden, maar dit is niet van de grond gekomen omdat de ouders niet meewerkten. Ook is de gecertificeerde instelling van mening dat de voorlopige ondertoezichtstelling nodig is om de omgang met de vader op een veilige manier op te bouwen.

5.De beoordeling

5.1.
De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een voorlopige ondertoezichtstelling is voldaan. [1] Er is een ernstig vermoeden dat de ontwikkeling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] acuut en ernstig wordt bedreigd. De voorlopige ondertoezichtstelling is noodzakelijk om die bedreiging weg te nemen. Daarnaast is de kinderrechter van oordeel dat het noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] uit huis worden geplaatst. [2]
5.2.
De kinderrechter legt hieronder uit waarom. De kinderrechter ziet dat er grote zorgen zijn om de veiligheid en ontwikkeling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2], maar ook om hun basale en medische verzorging. De moeder heeft aangifte gedaan tegen de vader van huiselijk geweld, waar de kinderen volgens haar getuige van zijn geweest. Er is letsel gezien bij de moeder waaronder een blauw oog en wurgsporen bij de nek. Er heeft zich ook een incident voorgedaan waarbij de moeder door de vader van de slaapbank zou zijn geduwd waarbij [minderjarige 2], die op de moeder lag, van 30 centimeter hoogte op haar hoofdje is gevallen. [minderjarige 1] heeft eerder brandwonden opgelopen door een ongeluk waarbij hij heet frituurvet over zich heen heeft gekregen. Hij heeft vanwege de ernst van de brandwonden heel veel zorg nodig. Zijn revalidatie stagneert doordat de ouders niet meer verschenen zijn bij [zorginstantie] sinds de kerstvakantie. Gelet op de recente ontwikkelingen heeft de politie geadviseerd dat de moeder en de kinderen op een geheime plek verblijven, totdat de situatie veilig genoeg is. De politie kan de veiligheid van de kinderen op dit moment niet garanderen als zij terug naar huis gaan. Het is daarom van belang dat de kinderen bij de moeder blijven op de plek waar zij nu verblijven. Daar kan de moeder hulp krijgen en tot rust komen. Hoewel de vader de zorgen erkent, is de kinderrechter van oordeel dat op dit moment onvoldoende is gebleken dat de kinderen veilig zijn bij de vader. De jeugdbeschermer moet goed onderzoeken welke hulpverlening de vader en de moeder nodig hebben om ervoor te zorgen dat de kinderen veilig zijn. De jeugdbeschermer zal ook moeten onderzoeken of de kinderen veilig in contact kunnen komen met de vader. De zorgen kunnen onvoldoende worden weggenomen in het vrijwillig kader. Ouders zijn in het verleden niet open geweest over hun problemen en hulpverlening is niet van de grond gekomen omdat de ouders niet meewerkten. De kinderrechter vindt daarom dat het noodzakelijk is dat voorlopig een jeugdbeschermer betrokken raakt om regie te voeren, zicht te krijgen op de veiligheid van kinderen en het maken van veiligheidsafspraken, en om de nodige (medische) hulpverlening in te zetten voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2].
5.3.
Daarom zal de kinderrechter [minderjarige 1] en [minderjarige 2] voorlopig onder toezicht stellen voor de duur van drie maanden. Ook machtigt de kinderrechter de gecertificeerde instelling om [minderjarige 1] en [minderjarige 2] uit huis te plaatsen bij hun moeder op een geheime locatie voor de duur van drie maanden.
5.4.
De kinderrechter zal de beslissing om de machtiging tot uithuisplaatsing af te geven uitvoerbaar bij voorraad verklaren, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.

6.De beslissing

De kinderrechter:
6.1.
stelt [minderjarige 1] en [minderjarige 2] voorlopig onder toezicht van William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering met ingang van 5 februari 2026 tot 22 april 2026;
6.2.
verleent een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] bij de moeder met gezag met ingang van 5 februari 2026 tot 22 april 2026;
6.3.
verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 29 januari 2026 door mr. N.B. Haverhoek, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. M.I. Klijn als griffier, en op schrift gesteld op 10 februari 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking over de machtiging tot uithuisplaatsing is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Voetnoten

1.Artikel 1:257 BW Pro.
2.Artikel 1:265b, eerste lid, Burgerlijk Wetboek (BW).