ECLI:NL:RBDHA:2026:4061

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
29 januari 2026
Publicatiedatum
1 maart 2026
Zaaknummer
C/09/673788 / FA RK 24-7272
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 10:56 BWArt. 3:181 BWArt. 1:94 BWArt. 1:100 BWArt. 4 Haags Huwelijksvermogensverdrag
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Echtscheiding met partneralimentatie en verdeling huwelijksgemeenschap inclusief onroerend goed in Brazilië

De rechtbank Den Haag heeft op 29 januari 2026 uitspraak gedaan in een echtscheidingszaak tussen partijen gehuwd sinds 1998. De rechtbank heeft de echtscheiding uitgesproken wegens duurzaam ontwricht huwelijk. De vrouw vroeg partneralimentatie, een bijdrage in de kosten van levensonderhoud, en de verdeling van de huwelijksgemeenschap inclusief toedeling van huurrechten van woningen.

De rechtbank oordeelde dat de vrouw haar gewone verblijfplaats in Nederland heeft, ondanks tijdelijk verblijf in Brazilië, en paste Nederlands recht toe. De behoefte van de vrouw werd vastgesteld op €4.616 netto per maand, terwijl haar draagkracht beperkt is. De man heeft een netto draagkracht van €1.658 per maand, wat resulteert in een bruto partneralimentatie van €2.655 per maand die de man aan de vrouw moet betalen.

De verdeling van de huwelijksgemeenschap omvat onder meer toedeling van aandelen in de BV aan de man met vergoeding aan de vrouw, toedeling van inboedels, bankrekeningen, auto's en loonstamrecht. Het onroerend goed in Brazilië zal worden verkocht om de rekening-courantschuld van de BV af te lossen. De rechtbank wijst verzoeken omtrent huurrecht van de woning aan het [adres 2] af omdat partijen niet in die woning willen blijven wonen.

De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad, de proceskosten worden ieder voor eigen rekening genomen en de afspraken omtrent verkoop en schuldaflossing worden door de rechtbank als bindend geacht.

Uitkomst: Echtscheiding uitgesproken, partneralimentatie vastgesteld op €2.655 bruto per maand, huwelijksgemeenschap verdeeld en huurrecht woning aan man toegewezen.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG
Meervoudige Kamer
Rekestnummers: FA RK 24-7272 en FA RK 25-4759
Zaaknummers: C/09/673788 en C/09/687445
Datum beschikking: 29 januari 2026

Scheiding met nevenvoorzieningen

Beschikking op het op 9 oktober 2024 ingekomen verzoek van:

[de man] ,

de man,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. P. Crans te Amsterdam.
Als belanghebbende wordt aangemerkt:

[de vrouw] ,

de vrouw,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. L. de Roode te Leiderdorp (voorheen: R.W. van den Hoek te Leiden).

Procedure

De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:
  • het verzoekschrift, met bijlagen;
  • het F9-formulier van 5 november 2024, met bijlagen, van de zijde van de man;
  • het F9-formulier van 6 november 2024, met bijlage, van de zijde van de man;
  • het verweerschrift tevens zelfstandig verzoekschrift, met bijlagen;
- het verweer tegen het zelfstandig verzoek, tevens aanvullend verzoek, met bijlagen;
- reactie op verweerschrift tevens verweer tegen aanvullend verzoek, met bijlagen;
- het F9-formulier van 20 mei 2025, met bijlagen, van de zijde van de vrouw;
- het verweerschrift op aanvullende zelfstandige verzoeken;
- de brief van 24 november 2025, met aanvullende verzoeken en bijlagen, van de zijde van de man;
- de brief van 24 november 2025, met aanvullende verzoeken en bijlagen, van de zijde van de vrouw;
- het F9-formulier van 3 december 2025, met bijlagen, van de zijde van de man.
Op 4 december 2025 is de zaak op de zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen: de man, bijgestaan door zijn advocaat en de vrouw (digitaal via Teams), bijgestaan door haar advocaat. Door de advocaat van de man zijn pleitnotities overgelegd en door de advocaat van de vrouw zijn pleitnotities en nadere stukken overgelegd.

Feiten

- Partijen zijn gehuwd op [dag] 1998 te [plaats] .
- De man heeft de Nederlandse nationaliteit en de vrouw heeft de Nederlandse en Braziliaanse nationaliteit.
- Partijen zijn gehuwd in gemeenschap van goederen.
- Deze rechtbank heeft op 5 september 2025 voorlopige voorzieningen getroffen, voor zover van belang, inhoudende dat het verzoek van de vrouw tot vaststelling van door de man aan de vrouw te betalen partneralimentatie is afgewezen.

Verzoek en verweer

Het verzoek, zoals dat, na wijziging, luidt, strekt tot echtscheiding, met nevenvoorzieningen tot:
- de vrouw in haar verzoek om een bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud niet ontvankelijk te verklaren, dan wel het verzoek om een bijdrage voor de kosten van levensonderhoud van de vrouw ten laste van de man als zijnde ongegrond en niet onderbouwd af te wijzen, dan wel met ingang van de dag van de ten deze af te geven beschikking, die bijdrage vast te stellen op € 1.636,- bruto per maand, dan wel op een bijdrage als de rechtbank in goede justitie vermeent te behoren;
- vaststelling van de verdeling van de huwelijksgemeenschap, conform het voorstel van de man;
- toedeling aan de man van het huurrecht van de woning aan de [adres 1] ;
- toedeling aan de vrouw van het huurrecht van de woning aan het [adres 2] ,
een en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.
De vrouw voert – onder referte voor de echtscheiding – verweer tegen de verzochte nevenvoorzieningen, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.
Bovendien heeft de vrouw, na wijziging, zelfstandig verzocht om:
- vaststelling van door de man aan de vrouw te betalen partneralimentatie van € 3.770,- bruto per maand, met ingang van de in deze te nemen beslissing;
- vaststelling van de verdeling van de huwelijksgemeenschap, conform
het voorstel van de vrouw;
- toedeling aan de man van het huurrecht van de woning aan de [adres 1] ;
- toedeling aan de man of de kinderen van partijen van het huurrecht van de woning aan het [adres 2] ;
een en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad en de kosten van deze procedure, gezien de aard ervan, te compenseren in die zin dat ieder der partijen zijn of haar eigen kosten draagt.
De man voert verweer, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.

Beoordeling

Aan de wettelijke formaliteiten is voldaan.
Echtscheiding
Rechtsmacht en toepasselijk recht
Nu beide echtgenoten in elk geval de Nederlandse nationaliteit hebben, komt de Nederlandse rechter met betrekking tot het verzoek tot echtscheiding rechtsmacht toe.
De rechtbank zal krachtens artikel 10:56, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek Nederlands recht op het verzoek tot echtscheiding toepassen.
Inhoudelijke beoordeling
De man heeft verzocht de echtscheiding tussen partijen uit te spreken. Hij heeft gesteld dat het huwelijk duurzaam is ontwricht. De vrouw heeft bevestigd dat het huwelijk tussen partijen duurzaam is ontwricht. De rechtbank zal het verzoek tot echtscheiding, als niet weersproken en op de wet gegrond, toewijzen.
Partneralimentatie
Rechtsmacht
De Nederlandse rechter heeft rechtsmacht ten aanzien van het verzoek om partneralimentatie van de vrouw. Deze rechtsmacht is gebaseerd op de Verordening (EG) nr. 4/2009 betreffende de bevoegdheid, het toepasselijke recht, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen, en de samenwerking op het gebied van onderhoudsverplichtingen (hierna aangeduid als: de Alimentatieverordening). De Alimentatieverordening is van toepassing op onderhoudsverplichtingen die voortvloeien uit onder meer een huwelijk. Artikel 3 sub c van Pro de Alimentatieverordening bepaalt dat het gerecht dat rechtsmacht heeft met betrekking tot het verzoek tot echtscheiding in die echtscheidingsprocedure ook rechtsmacht heeft ten aanzien van een nevenverzoek om partneralimentatie, tenzij de rechtsmacht uitsluitend is gebaseerd op de nationaliteit van een van de partijen. In dit geval is de rechtsmacht van de Nederlandse rechter ten aanzien van de echtscheiding gebaseerd op de nationaliteit van beide partijen, daarom komt de Nederlandse rechter ook rechtsmacht toe ten aanzien van het alimentatieverzoek.
Toepasselijk recht
Tussen (ex-)echtgenoten geldt het recht van de gewone verblijfplaats van de onderhoudsgerechtigde (artikel 3), tenzij een van partijen daartegen bezwaar maakt en het recht van een andere Staat nauwer met het huwelijk verbonden is.
De man stelt dat op het verzoek van de vrouw tot partneralimentatie het Braziliaanse recht van toepassing is, omdat de vrouw als onderhoudsgerechtigde haar gewone verblijfplaats in Brazilië heeft. De vrouw verblijft vanaf 15 augustus 2025 in Brazilië, zij is sindsdien niet meer in Nederland geweest en het is ook zeer aannemelijk dat zij niet meer zal terugkeren naar Nederland. De vrouw voert verweer en stelt dat zij, door de echtscheidingssituatie en het gebrek aan financiële middelen, tijdelijk bij haar familie in Brazilië verblijft, maar dat haar gewone verblijfplaats in Nederland is. Zij staat ook in Nederland in de Basisregistratie personen ingeschreven en zij heeft zich ingeschreven bij Woonnet Haaglanden voor een nieuwe betaalbare huurwoning.
De rechtbank volgt de vrouw in haar standpunt dat zij slechts tijdelijk in Brazilië verblijft en dat haar gewone verblijfplaats in Nederland is; de vrouw heeft op de zitting bevestigd dat zij naar Nederland wil terugkeren, zodra dat financieel mogelijk is, de vrouw staat (nog steeds) in Nederland in de Basisregistratie personen ingeschreven en heeft zich als woningzoekende ingeschreven bij Woonnet Haaglanden. De rechtbank zal daarom Nederlands recht toepassen op het verzoek van de vrouw tot vaststelling van partneralimentatie.
Inhoudelijke beoordeling
De vrouw stelt dat zij behoefte heeft aan een bijdrage van de man in de kosten van haar levensonderhoud. Partijen hadden altijd een traditioneel rollenpatroon in hun huwelijk, waarbij de man het geld binnenbracht en de vrouw zorgde voor de kinderen, de man en het huishouden.
De vrouw is gelet op haar leeftijd en haar zeer beperkte werkervaring en mogelijkheden op de arbeidsmarkt niet in staat om in haar eigen levensonderhoud te voorzien. De vrouw heeft haar behoefte met behulp van de hofnorm (uitgaande van een gesteld netto besteedbaar gezinsinkomen van € 9.859,-) berekend op een bedrag van € 6.691,- netto per maand.
De man betwist dat de vrouw behoeftig is en ook betwist hij de hoogte van de behoefte van de vrouw. Zij geeft niet aan over welke inkomsten zij in Nederland/Brazilië beschikt/kan beschikken. Zij heeft in ieder geval huurinkomsten uit onroerend goed in Brazilië. Ook moet zij in staat kunnen worden geacht om eigen inkomen te verwerven, aldus de man.
De rechtbank is van oordeel dat de vrouw voldoende heeft onderbouwd dat zij behoefte heeft aan een bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud en zal hierna de door de man aan de vrouw te betalen bijdrage berekenen.
Behoefte
De rechtbank zal de huwelijksgerelateerde behoefte van de vrouw berekenen aan de hand van de hofnorm. Hierbij wordt de behoefte van de onderhoudsgerechtigde vastgesteld op 60% van het netto besteedbaar gezinsinkomen ten tijde van het uiteengaan van partijen.
De vrouw stelt dat partijen begin 2024 uit elkaar zijn gegaan en dat voor de berekening van het NBI van partijen daarom dient te worden uitgegaan van het inkomen van partijen in 2023. De man meent dat moet worden uitgegaan van het NBI van partijen in het jaar van separatie, te weten 2024.
Partijen zijn begin 2024 feitelijk uit elkaar gegaan. De rechtbank zal het netto besteedbaar gezinsinkomen berekenen met in inachtneming van de tarieven van 2024 (eerste helft). Bij de berekening gaat de rechtbank uit van de inkomensgegevens van partijen uit 2023, omdat dat inkomen bepalend kan worden geacht voor de levenstandaard van partijen tot het moment van het feitelijk uiteengaan.
Het jaarinkomen van de vrouw (uit de onderneming van de man: [bedrijf] B.V.) was volgens de aangifte IB 2023 € 24.350,- bruto.
De rechtbank neemt aan de zijde van de man, conform de jaaropgave 2023 en de aangifte IB 2023, een salaris van € 76.866,- bruto per jaar als uitgangspunt. Voorts houdt de rechtbank rekening met een fiscale bijtelling van € 7.267,- voor het privé gebruik van de auto. Ook houdt de rechtbank rekening van de van toepassing zijnde heffings- en arbeidskorting.
In geschil is of bij de berekening van het netto besteedbaar gezinsinkomen ook rekening moet worden gehouden met een door de man te ontvangen dividenduitkering uit zijn onderneming dan wel met door de man als DGA gedane rekening-courantopnames. De vrouw stelt dat de man in 2022 een dividenduitkering van € 75.000,- aan zichzelf heeft uitgekeerd en in 2023 was het plan om € 67.000,- aan dividend uit te keren. De vrouw is daarom van mening dat het redelijk is om bij de berekening van het gezinsinkomen rekening te houden met een (gemiddelde) dividenduitkering van € 71.000,-. De man voert verweer en stelt dat er, gelet op de rekening-courant schuld en omdat eerdere rekening-courant opnames zijn gebruikt voor onroerend goed investeringen in Brazilië en voor ondersteuning van de familie van de vrouw in Brazilië en niet voor partijen zelf, geen rekening dient te worden gehouden met een dividenduitkering. De vrouw betwist dat geld is aangewend voor ondersteuning van haar familie.
De rechtbank overweegt dat bij de bepaling van de behoefte wordt gekeken naar de mate van welstand waarin partijen hebben geleefd. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de vrouw voldoende onderbouwd dat partijen gedurende het huwelijk een hoge levensstandaard hadden en dat partijen -naast het inkomen van de man- ook hebben geleefd van een dividenduitkering en rekening-courantopnames uit de onderneming van de man. De rechtbank zal bij de berekening van het gezinsinkomen voor het bepalen van de huwelijksgerelateerde behoefte van de vrouw daarom ook rekening houden met een jaarlijkse dividenduitkering, die zij in redelijkheid vaststelt op € 20.000,-.
Gelet op het voorgaande berekent de rechtbank het netto besteedbaar inkomen van de man op € 4.930,- en dat van de vrouw op € 1.977,-. Het netto besteedbaar gezinsinkomen komt daarmee op € 6.907,- per maand. De huwelijksgerelateerde behoefte van de vrouw bedraagt dan volgens de hofnorm € 4.144,- netto per maand (60% van € 6.907,-).
Geïndexeerd naar 2026 bedraagt de behoefte € 4.616,- netto per maand.
Eigen inkomen en behoeftigheid
Van behoeftigheid is sprake als de vrouw niet voldoende inkomsten heeft om in haar eigen levensonderhoud te voorzien en zich die in redelijkheid ook niet kan verwerven.
De vrouw stelt dat zij geen eigen inkomen heeft nu haar “dienstverband” bij de onderneming van de man door het uiteengaan van partijen is geëindigd. Voorts zijn de mogelijkheden voor de vrouw om in haar eigen levensonderhoud te voorzien aanzienlijk beperkt. Het klopt dat de vrouw inkomsten heeft uit de huur van een loods met grond in Brazilië, maar de kosten hierbij zijn hoog, wat ertoe leidt dat zij weinig overhoudt en deze geringe huurinkomsten bieden geen mogelijkheid om in haar levensonderhoud te voorzien.
De man stelt dat de vrouw in haar eigen levensonderhoud kan voorzien. De vrouw is 57 jaar oud, gezond, spreekt vloeiend Nederlands en Portugees en heeft geen jonge kinderen die zij fulltime moet verzorgen. Voorts is de vrouw naast de verzorging en opvoeding van de kinderen ook altijd (inter)nationaal ondernemend geweest. Verder heeft de vrouw huurinkomsten uit onroerend goed in Brazilië.
De rechtbank zal, nu partijen ter zitting zijn overeengekomen dat zij het onroerend goed in Brazilië zullen verkopen, als na te melden, aan de zijde van de vrouw geen rekening houden met huurinkomsten. Verder is de rechtbank van oordeel dat de vrouw in staat moet worden geacht om ten minste een minimum inkomen te verwerven. De rechtbank acht de vrouw op dit moment, mede gelet op haar beperkte werkervaring en leeftijd, niet in staat een hoger inkomen te verdienen. De rechtbank zal daarom bij de vrouw uitgaan van een jaarinkomen van bruto € 25.000,-. Het NBI van de vrouw is op grond van dit bedrag € 2.018,- per maand. De vrouw kan met dit inkomen echter niet in de huwelijksgerelateerde behoefte voorzien.
De resterende behoefte van de vrouw is € 2.598,- netto per maand. Dit komt overeen met een bruto bedrag van € 5.001,- per maand. De rechtbank verwijst hiervoor naar de aangehechte berekening.
Draagkracht man
De vrouw stelt dat de man in staat moet zijn om elk jaar een salaris van € 76.866,- bruto aan zichzelf uit te keren, alsmede een dividenduitkering van € 55.000,-.
Voorts zijn de woonlasten van de man zeer veel lager dan de forfaitaire last, waardoor in de berekening van de draagkracht van de man rekening dient te worden gehouden met lagere woonlasten. De man moet daarom in staat worden geacht om een bijdrage van € 3.770,- per maand bruto te betalen.
De man stelt dat zijn draagkracht beperkt is. Hij verwijst daarbij naar het rapport Santax dat hij heeft laten opmaken. Bij het berekenen van zijn draagkracht kan maximaal worden uitgegaan een bruto jaarsalaris van € 85.000,-. De man kan geen dividend aan zichzelf uitkeren omdat er sprake is van een forse rekening-courant-schuld, waardoor zijn onderneming behoorlijk onder water staat. Als er al geld beschikbaar is, dient dit te worden gebruikt voor de aflossing van de rekening-courant schuld.
De rechtbank is van oordeel dat de man zich een hoger inkomen kan uitkeren dan € 85.000,-bruto per jaar. De rechtbank overweegt in dit verband dat de man in 2023 uit de B.V. een inkomen aan zichzelf van € 76.866,- en een inkomen van € 24.350,- aan de vrouw kon uitkeren, in totaal ruim € 100.000,-. Niet in geschil is dat daar geen werkzaamheden van de vrouw tegenover stonden. De man heeft onvoldoende onderbouwd waarom hij zich nu slechts € 85.000,- uit zou kunnen keren. De rechtbank gaat daarom bij de berekening van de draagkracht van de man uit van een inkomen van € 100.000,- bruto per jaar. Partijen hebben ter zitting afgesproken dat zij het onroerend goed in Brazilië zullen verkopen en daarmee de rekening-courant schuld van de B.V. zullen aflossen, waardoor de rechtbank geen rekening zal houden met een rekening-courantschuld in de B.V
.Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat er ook in de toekomst ruimte is voor een dividend-uitkering. De rechtbank zal, zoals hiervoor bij de behoefte overwogen, rekening houden met een dividenduitkering van € 20.000,- per jaar. Verder zal de rechtbank rekening houden met een met een fiscale bijtelling van € 7.267,- voor het privé gebruik van de auto en de van toepassing zijnde heffings- en arbeidskorting.
De rechtbank zal volgens de aanbevelingen van de Expertgroep Alimentatie de daarbij behorende draagkrachtformule 60% x [NBI – (0,3 x NBI + 1.365)] toepassen. Hierbij wordt rekening gehouden met een woonbudget van 30% van het NBI. De rechtbank ziet geen aanleiding om bij de berekening van de draagkracht van de man af te wijken van het forfaitaire woonbudget.
Hieruit volgt dat de man een NBI van € 5.897,- heeft en daarmee een draagkracht beschikbaar heeft voor partneralimentatie van netto € 1.658,- en bruto € 2.655,- per maand.
Conclusie
De rechtbank zal beslissen dat de man vanaf de dag van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand een partneralimentatie aan de vrouw moet betalen van € 2.655,- bruto per maand. Wat meer of anders is verzocht zal de rechtbank afwijzen.
Aanhechten berekeningen
De door de rechtbank gemaakte berekeningen zijn aan deze beschikking gehecht en maken daarvan deel uit.
Huurrecht woningen aan de Ridderhof 18 en Polanenpark 362 in Wassenaar
Rechtsmacht en toepasselijk recht
De woningen zijn in Nederland gelegen. Gelet op artikel 4, lid 3, aanhef en sub a van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering komt de Nederlandse rechter rechtsmacht toe om te oordelen over het verzoek ter zake van het huurrecht van deze woningen.
De rechtbank zal op dit verzoek Nederlands recht als haar interne recht toepassen.
Huurrecht woning aan de [adres 1]
De man verzoekt om het huurrecht van de woning aan de [adres 1] aan hem toe te delen.
De vrouw heeft daartegen geen verweer gevoerd. De rechtbank zal het verzoek daarom als niet weersproken en op de wet gegrond toewijzen.
Huurrecht woning aan het [adres 2]
De man verzoekt om het huurrecht van de woning aan het [adres 2] aan de vrouw toe te delen. De vrouw verzoekt om toedeling van dit huurrecht aan de man of aan de kinderen van partijen. De rechtbank zal, nu beide partijen ter zitting hebben aangegeven dat zij niet in de woning willen (blijven) wonen en het huurrecht van de woning niet wensen te krijgen toegedeeld, zowel het verzoek van de man als het verzoek van de vrouw afwijzen.
Verdeling
Rechtsmacht en toepasselijk recht
Nu de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft met betrekking tot het echtscheidingsverzoek, heeft hij tevens rechtsmacht met betrekking tot het verzoek tot verdeling van de gemeenschap.
Niet gebleken is dat de echtgenoten vóór het huwelijk het op hun huwelijksvermogensregime toepasselijke recht hebben aangewezen.
Krachtens artikel 4, eerste lid, van het Haags Huwelijksvermogensverdrag van 14 maart 1978, Trb. 1988, 130, wordt het huwelijksvermogensregime beheerst door het Nederlandse recht, nu de echtgenoten hun eerste gewone verblijfplaats na de huwelijkssluiting hebben gevestigd in Nederland en zich geen van de in artikel 4, tweede lid, van dat verdrag genoemde uitzonderingen voordoet.
Inhoudelijke beoordeling
Tussen partijen staat vast dat sprake is van een wettelijke algehele huwelijksgemeenschap. De huwelijksgemeenschap omvat alle tegenwoordige en toekomstige goederen en schulden van de echtgenoten (ongeacht door wie verkregen of door wie aangegaan) – artikel 1:94 BW Pro (oud) – en bij de verdeling van de ontbonden gemeenschap hebben de echtgenoten een gelijk aandeel in die ontbonden gemeenschap – artikel 1:100 BW Pro.
Peildatum
De rechtbank stelt voorop dat als peildatum voor het vaststellen van de omvang van de gemeenschap heeft te gelden het tijdstip van indiening van het verzoek tot echtscheiding,
9 oktober 2024. Voor de bepaling van de waarde van de te verdelen goederen geldt de datum van feitelijke verdeling, tenzij partijen anders overeenkomen of op basis van de redelijkheid en billijkheid daarvan dient te worden afgeweken.
Vermogensbestanddelen
Door partijen zijn de volgende (vermogens)bestanddelen ter verdeling naar voren gebracht:
de inboedel van de woning aan het [adres 2] ;
de inboedel van de woning aan de [adres 1] ;
de aandelen in [bedrijf] B.V.;
het loonstamrecht;
onroerend goed in Brazilië;
de bankrekeningen;
de auto’s;
een rekening-courant schuld BV;
een aanslag inkomensbelasting.
Ad 1. de inboedel van de woning aan het [adres 2]
Partijen zijn ter zitting overeengekomen dat de inboedel van de woning aan het [adres 2] kan worden toebedeeld aan de vrouw, zonder nadere verrekening. De rechtbank zal conform de overeenstemming van partijen beslissen.
Ad 2. de inboedel van de woning aan de [adres 1]
Partijen zijn ter zitting overeengekomen dat de inboedel van de woning aan de [adres 1] kan worden toebedeeld aan de man, zonder nadere verrekening. De rechtbank zal conform de overeenstemming van partijen beslissen.
Ad 3. [bedrijf] B.V.
De man is directeur groot aandeelhouder van [bedrijf] B.V. Partijen zijn het erover eens dat de aandelen aan de man kunnen worden toegedeeld, onder vergoeding van de helft van de waarde aan de vrouw. De man heeft de aandelen laten waarderen door Santax en het rapport dat door Santax is opgesteld overgelegd. De waarde bedraagt € 304.357,- per 9 oktober 2024. Op de waarde rust een AB-claim. Indien 50% van die waarde binnen twee jaar na ontbinding van de huwelijksgoederengemeenschap wordt toegedeeld aan de man, wordt die claim doorgeschoven naar de man en dient de nominale waarde van die AB claim in mindering te worden gebracht op het bedrag van € 304.357,- zodat de netto te verdelen waarde voor de aandelen € 215.554 bedraagt. Indien de verdeling twee jaar na de peildatum (dus na 9 oktober 2026) plaatsvindt dan dient ieder die AB claim als vervreemdingsvoordeel zelf te voldoen en is de in aanmerking te nemen waarde € 304.357 en komt ieder € 152.188,- toe. De vrouw kan zich vinden in het als eerste door de man genoemde standpunt en de vastgestelde waardering door Santax van € 215.554,-.
De rechtbank zal conform de overeenstemming van partijen beslissen dat de te verdelen waarde van de aandelen in de BV, onder verdiscontering van de AB claim, € 215.554,- bedraagt en bepalen dat de aandelen aan de man worden toegedeeld en dat de helft van de waarde aan de vrouw toekomt. De verdeling hiervan zal voor 9 oktober 2026 plaats dienen te vinden.
Ad 4. het loonstamrecht
Partijen zijn het erover eens dat er een loonstamrecht is van een bedrag € 79.581,- bruto. Van dit bedrag moet een belastinglatentie van een bedrag van € 31.815,- worden afgetrokken, zodat een netto te verdelen loonstamrecht resteert van € 47.723,-, die bij helfte tussen partijen moet worden verdeeld.
Partijen zijn het erover eens dat het loonstamrecht aan de man wordt toegedeeld, waarbij hij een bedrag van netto € 23.861,- aan de vrouw zal betalen. De rechtbank zal conform deze overeenstemming van partijen beslissen.
Ad 5. onroerend goed in Brazilië
Partijen hebben ter zitting afgesproken dat zij het onroerend goed in Brazilië dat zij in eigendom hebben (een stuk grond in Itabiritu en een stuk grond met loods in Nova Lima) zullen verkopen en dat zij de opbrengst (na aftrek van de aan de verkoop verbonden kosten) zullen gebruiken om de rekening-courant schuld van de BV af te lossen. De rechtbank zal conform deze overeenstemming van partijen beslissen. De man heeft reeds per e-mail een selectie van zes makelaar in Brazilië aan de vrouw gestuurd. De vrouw zal uit deze selectie vier makelaars kiezen die de grond in Brazilië te koop zullen gaan aanbieden. De rechtbank gaat er vanuit dat partijen deze afspraak zullen nakomen en dat zij beiden voortvarend te werk zullen gaan in de verkoop van het onroerend goed in Brazilië.
De vrouw stelt dat partijen de grond in Brazilië onder meer hebben aangekocht met geld dat zij hebben geleend van haar familie en dat zij dit geleende geld nog moeten terugbetalen aan haar familie. De man betwist dat partijen geld bij de familie van de vrouw hebben geleend om grond in Brazilië aan te kopen. Gelet op de betwisting van de man en op het feit dat de vrouw heeft nagelaten haar stelling nader te onderbouwen, zal de rechtbank voorbij gaan aan deze stelling van de vrouw.
Ad 6. de bankrekeningen
Partijen hebben ten aanzien van hun bankrekeningen overeenstemming bereikt. De bankrekeningen op naam van de man zullen worden toebedeeld aan de man en de bankrekeningen op naam van de vrouw zullen worden toebedeeld aan de vrouw, onder verrekening van de helft van de saldi per 9 oktober 2024, de peildatum voor de omvang van de huwelijksgemeenschap. De rechtbank zal conform deze overeenstemming van partijen beslissen. Partijen hebben elkaar hierbij inmiddels over en weer inzage gegeven in hun bankrekeningen. De rechtbank zal daarom het verzoek tot inzage van de bankrekeningen bij gebrek aan belang afwijzen.
Ad 7. de auto’s
Partijen hebben ten aanzien van hun auto’s overeenstemming bereikt. De Hyundai staat als inventaris in de B.V. en is reeds meegenomen bij de bepaling van de waarde van de aandelen van de B.V. De Toyota RAV met kenteken [kenteken 1] zal aan de vrouw worden toebedeeld voor een waarde van € 29.450,- (de auto is gestolen en de vrouw heeft aanspraak op de verzekeringspenningen), onder verrekening van de helft van de waarde, te weten € 14.725,-, met de man. De rechtbank zal conform deze overeenstemming van partijen beslissen.
De oude gezinsauto, een Renault met kenteken [kenteken 2] is als inventaris ingebracht in de B.V. van de man voor een waarde van € 750,-. De auto is op dit moment in gebruik van de kinderen. Ter zitting hebben partijen afgesproken dat naast de kinderen ook de vrouw gebruik mag maken van deze auto. De rechtbank gaat ervan uit dat partijen deze afspraak zullen nakomen en de rechtbank zal gelet op deze afspraak hetgeen de vrouw ten aanzien van het gebruiksrecht van de Renault heeft verzocht wegens gebrek aan belang afwijzen.
Ad 8. Rekening-courant schuld
De rechtbank overweegt dat verdeling van schulden wettelijk niet mogelijk is. Tegenover schuldeisers blijven partijen ieder aansprakelijk voor de schuld. Indien één van partijen meer bijdraagt aan de aflossing van een schuld dan waarvoor hij of zij in de onderlinge verhouding gehouden is, kan diegene het teveel betaalde op de ander verhalen.
Partijen kunnen in onderling wel afspraken maken over hun schulden. Partijen zijn het eens over de hoogte van de rekening-courantschuld in de B.V. op de peildatum 9 oktober 2024 van € 407.781,- (zoals ook volgt uit het door de man overgelegde rapport van Santax), waarvoor ieder der partijen voor de helft draagplichtig is. Partijen zijn ter zitting overeengekomen dat zij deze rekening-courant schuld zullen aflossen met de opbrengst van het onroerend goed in Brazilië, zoals hiervoor onder het kopje ‘
onroerend goed in Brazilië’ook is aangegeven. Mocht deze opbrengst niet voldoende zijn, dan zal de man voor het restant van de rekening-courant schuld zorgdragen. De rechtbank gaat ervan uit dat partijen deze afspraak zullen nakomen en dat de man zijn toezegging zal nakomen.
Ad 9. Aanslag Inkomstenbelasting
De man heeft een aanslag inkomstenbelasting 2023 ontvangen van € 9.615,-. Ieder der partijen is, zoals hiervoor bij de rekening-courant schuld ook overwogen, aansprakelijk voor de schuld. Partijen zijn ter zitting overeengekomen dat de man deze aanslag zal betalen en dat partijen het deel dat de vrouw aan de aanslag dient te betalen zullen verrekenen met het door de man aan de vrouw te betalen bedrag voor de waarde van de aandelen van de B.V. of voor het bedrag aan loonstamrecht. De rechtbank gaat er ook hier vanuit dat partijen hun afspraak zullen nakomen
Onzijdig persoon
De rechtbank zal het verzoek van de man, om ex artikel 3:181 BW Pro een onzijdig persoon te benoemen om te bevorderen dat de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap tot stand komt, gelet op het voornoemde/de voornoemde afspraken, afwijzen.
Proceskosten
Gelet op het feit dat het hier een procedure van familierechtelijke aard betreft, zal de rechtbank de proceskosten compenseren als hierna vermeld.

Beslissing

De rechtbank:
*
spreekt de echtscheiding uit tussen partijen, gehuwd op [dag] 1998 te [plaats] ;
*
bepaalt dat de man aan de vrouw, met ingang van de dag dat de beschikking van echtscheiding is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand, een partneralimentatie van € 2.655,- bruto per maand zal betalen, telkens bij vooruitbetaling te voldoen;
*
bepaalt dat de man met ingang van de dag van inschrijving van deze beschikking in de registers van de burgerlijke stand de huurder zal zijn van de woning aan de [adres 1] ;
*
stelt de verdeling van de algehele gemeenschap van goederen als volgt vast, onder de voorwaarde van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand:
bepaalt dat het onroerend goed in Brazilië dat partijen in eigendom hebben zal worden verkocht en geleverd aan een derde, op de wijze die hiervoor in het lichaam van deze beschikking is opgenomen, waarbij de overwaarde (zijnde de verkoopopbrengst te verminderen met de met de verkoop samenhangende kosten en na aftrek van € 407.781,- in verband met de voldoening van de rekening-courantschuld) door partijen bij helfte wordt gedeeld;
aan de man worden toebedeeld:
a. de op zijn naam staande (bank)rekeningen, onder verrekening van de helft van de saldi op de peildatum (9 oktober 2024) met de vrouw;
b. de inboedel van de [adres 1] , zonder nadere verrekening met de vrouw;
c. de aandelen op naam van de man in de besloten vennootschap [bedrijf] B.V., onder verrekening van de helft van de waarde van € 215.554,-, te weten een bedrag van € 107.777,- met de vrouw, waarbij geldt dat partijen de aandelen overdragen vóór 9 oktober 2026;
d. het loonstamrecht, onder verrekening van de helft van de waarde van € 47.723,-, te weten een bedrag van € 23.861,-, met de vrouw;
3. aan de vrouw worden toebedeeld:
a. de op haar naam staande (bank)rekeningen onder verrekening van de helft van de saldi op de peildatum (9 oktober 2024) met de man;
b. de inboedel van het [adres 2] , zonder nadere verrekening met de man;
c. de Toyota RAV met kenteken [kenteken 1] , onder verrekening van de helft van de waarde € 29.450,-, te weten een bedrag van € 14.725,-, met de man;
*
bepaalt dat in de onderlinge verhouding tussen partijen elk van hen de helft van de schuld(en) zoals die bestaan per de peildatum (dat is de rekening-courantschuld van € 407.781,- en de aanslag inkomstenbelasting 2023 van € 9.615,-) voor zijn/haar rekening dient te nemen, waarbij voor de rekening-courantschuld geldt dat voor zover na aflossing op deze schuld met de overwaarde van het onroerend goed in Brazilië nog een restant daarvan resteert de man de aflossing daarvan voor zijn rekening neemt en de vrouw hiervoor vrijwaart;
*
verklaart deze beschikking tot zover – met uitzondering van het uitspreken van de echtscheiding en het huurrecht – uitvoerbaar bij voorraad;
*
bepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten draagt;
*
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mrs. C.G. Meeder, A.M. van der Vliet en E.E. Kraan, rechters, bijgestaan door mr. S.G.J. Verkennis als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 29 januari 2026.