ECLI:NL:RBDHA:2026:4076

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
30 januari 2026
Publicatiedatum
2 maart 2026
Zaaknummer
C/09/696020 / FA RK 25-9400
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
  • R.S. Matthijssen
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:253a BWArt. 1:253q BWArt. 1:253r BWArt. 7:267 lid 7 BWArt. 69 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bodemprocedure en voorlopige voorzieningen inzake gezag, omgang en hoofdverblijfplaats na relatiebreuk

De rechtbank Den Haag behandelde een zaak over gezag, omgang en hoofdverblijfplaats van twee minderjarige kinderen na het beëindigen van de relatie tussen de ouders. De moeder verzocht onder meer om toewijzing van het huurrecht van de gezamenlijke woning, vaststelling van de hoofdverblijfplaats van de kinderen bij haar, ontzegging van omgang aan de vader en wijziging van het gezamenlijk gezag.

De ouders hadden een langdurige relatie met samenwoning, maar deze werd circa vier maanden voor de zitting verbroken. Er was sprake van een onveilige thuissituatie met verbale en fysieke agressie, waarbij de kinderen getuige waren. De vader kreeg een huis- en contactverbod opgelegd na een geweldsincident in december 2025 en werd later aangehouden wegens overtreding van dit verbod. Hij zit onder reclasseringstoezicht en volgt een agressieregulatiebehandeling.

De rechtbank oordeelde dat het belang van de kinderen vraagt om rust en stabiliteit en bepaalde dat de hoofdverblijfplaats van de oudste minderjarige bij de moeder komt, met uitvoerbaarheid bij voorraad. De omgang met de vader werd voorlopig ontzegd vanwege de explosieve situatie en het risico op conflicten. De rechtbank gelastte een onderzoek door de Raad voor de Kinderbescherming naar het gezag, omgang en zorgregeling. Het verzoek tot toewijzing van het huurrecht werd doorverwezen naar de kantonrechter.

De voorlopige voorzieningen betroffen het ontzeggen van omgang aan de vader en het afwijzen van verzoeken tot schorsing van gezag en toewijzing van de kinderen aan de moeder voor de duur van het geding. De behandeling werd aangehouden tot uiterlijk 1 augustus 2026, waarna de zaak wordt voortgezet na ontvangst van het raadsonderzoek.

Uitkomst: De rechtbank bepaalt de hoofdverblijfplaats van de oudste minderjarige bij de moeder, ontzegt de vader voorlopig omgang en gelast een raadsonderzoek; het huurrechtverzoek wordt doorverwezen naar de kantonrechter.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG
Enkelvoudige kamer
Rekestnummer: FA RK 25-9400 (bodemprocedure) en FA RK 25-9409 (voorlopige voorzieningenprocedure)
Zaaknummer: C/09/696020 (bodemprocedure) en C/09/696034 (voorlopige voorzieningenprocedure)
Datum beschikking: 30 januari 2026
Gezag, omgang c.q. verdeling van de zorg- en opvoedingstaken, huurrecht en voorlopige voorzieningen ex artikel 223 Rv Pro

Beschikking op het op 10 december 2025 ingekomen verzoek van:

[de moeder] ,

de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. C. Ekholm te Leiden.
Als belanghebbende wordt aangemerkt:

[de vader] ,

de vader,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres;
advocaat: mr. R. Shahbazi te ’s-Gravenhage (gesteld op 9 januari 2026).

Procedure

De rechtbank heeft
in de bodemprocedureen
de voorlopige voorzieningenprocedurekennisgenomen van de stukken, waaronder:
  • het verzoekschrift;
  • het bericht van 15 december 2025, met bijlage, van de zijde van de moeder;
  • het bericht van 6 januari 2025 van de zijde van de vader;
- het bericht van 6 januari 2025, inhoudende een aanvullend verzoek, met bijlage, van de zijde van de moeder.
De minderjarige [de minderjarige 1] is in de gelegenheid gesteld zich uit te laten over het verzoek, maar heeft hiervan geen gebruik gemaakt.
Op 6 januari 2026 is de zaak op de zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen:
  • de moeder, bijgestaan door haar advocaat;
  • de vader;
  • [naam] , reclasseringsmedewerker die in het strafrechtelijk kader is betroken als toezichthouder van de vader.

Feiten

- De moeder en de vader hebben tien jaar een affectieve relatie gehad, waarvan zij negen jaar hebben samengewoond.
- Zij zijn de ouders van de volgende nog minderjarige kinderen:
- [de minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 1] 2017 te [geboorteplaats 1] ;
- [de minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 2] 2021 te [geboorteplaats 2] .
- De vader heeft [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] erkend.
- De ouders oefenen het gezamenlijk gezag uit over [de minderjarige 1] . De moeder is alleen met het ouderlijk gezag over [de minderjarige 2] belast.
- Bij beschikking van 8 december 2025 is aan de vader een huis- en contactverbod opgelegd voor een periode van tien dagen.

Verzoek en verweer

Bodemprocedure
De moeder verzoekt de rechtbank – voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad –:
te bepalen dat het huurrecht van de woning gelegen te [adres] aan de moeder wordt toebedeeld;
te bepalen dat [de minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 1] 2017, en [de minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 2] 2021, hun hoofdverblijfplaats bij de moeder zullen hebben;
primairte bepalen dat de vader de omgang tussen hem en [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] wordt ontzegd;
subsidiairte bepalen dat de omgang tussen de vader en de minderjarige kinderen enkel begeleid kan plaatsvinden via een professionele instantie zoals Cardea totdat de vader zijn leven weer op orde heeft, althans een omgangsregeling die de rechtbank in goede justitie juist acht;
het gezamenlijk gezag te wijzigen in die zin dat de moeder voortaan alleen belast zal zijn met het ouderlijk gezag over [de minderjarige 1] ;
de proceskosten te compenseren.
De vader voert verweer.
Voorlopige voorzieningenprocedure
De moeder verzoekt – voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad – te bepalen dat:
dat de moeder, bij uitsluiting van de vader, voor de duur van het geding gebruik kan maken van de gezamenlijk woning en de bijbehorende inboedel te [adres] ;
dat de minderjarige kinderen [de minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 1] 2017 en [de minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 2] 2021, voor de duur van het geding aan de moeder worden toevertrouwd;
dat de vader de omgang met [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] , voor de duur van het geding, zal worden ontzegd;
het gezamenlijk gezag wordt gewijzigd in die zin dat het ouderlijk gezag van de man over [de minderjarige 1] voorlopig, voor de duur van dit geding, zal worden geschorst.
De vader voert verweer.

Beoordeling

Achtergrond
Uit de stukken en hetgeen op de zitting is besproken is gebleken dat de ouders hun relatie ongeveer vier maanden geleden hebben verbroken. Na het verbreken van de relatie hebben de ouders nog enige tijd samengewoond in de gezamenlijke huurwoning. Beide ouders hebben op zitting verklaard dat er veelvuldig sprake is geweest van verbale en fysieke agressie in de thuissituatie en zij wijzen elkaar aan als agressor. Uit de verklaringen van de ouders blijkt ook dat de kinderen regelmatig getuige zijn geweest van de incidenten tussen de ouders. Op 8 december 2025 heeft in de gezamenlijke woning, waarin ook de kinderen aanwezig waren, een geweldsincident plaatsgevonden en is aan de vader een huis- en contactverbod opgelegd voor de duur van tien dagen.
Het huisverbod is blijkens de motivering van het besluit opgelegd onder verwijzing naar mishandelingen en constante dreiging waarbij de vader dreigt dat hij de moeder zal doden als zij weggaat met de kinderen. Ook is in dat besluit overwogen dat er al jaren lang sprake is van een onveilige situatie die steeds heftiger lijkt te worden, zodat een interventie noodzakelijk is.
Op 12 december 2025 is de vader naar de gezamenlijke woning gegaan, waar de moeder en de kinderen aanwezig waren, en heeft de voordeur ingeslagen/ingetrapt. De vader heeft ter zitting erkend dat hij daarbij fors geweld heeft gebruikt. Ter zitting heeft de vader daarnaast verklaard dat hij wegens het overtreden van het huis- en contactverbod op 12 december 2025 is aangehouden en tot 29 december 2025 in hechtenis heeft gezeten. De voorlopige hechtenis is geschorst en als schorsingsvoorwaarde zijn (onder andere) een locatieverbod, dat ziet op de gezamenlijke woning, een contactverbod, dat ziet op de moeder, en reclasseringstoezicht aan de vader opgelegd. De reclassering heeft de vader aangemeld bij De Waag voor behandeling gericht op agressieregulatie. De behandeling van de strafzaak staat gepland voor 16 maart 2026.
Gezag en zorgregeling c.q. omgangsregeling
De rechtbank constateert dat beide partijen onder de huidige omstandigheden het belang van een onderzoek door de Raad inzien. De rechtbank acht een onderzoek inderdaad aan de orde, gelet op de complexe en heftige problematiek, zoals die ook uit de onderbouwing van het huisverbod blijkt. Onder deze omstandigheden is het naar het oordeel van de rechtbank de vraag of partijen nog in staat zijn het gezag gezamenlijk over [de minderjarige 1] uit te voeren en is ook onduidelijk welke omgang in het belang van de kinderen is, en welke door beide ouders kan worden ondersteund (zonder conflicten). Daarbij overweegt de rechtbank dat de moeder onbetwist heeft gesteld dat het Crisisinterventie team heeft geadviseerd om het contact tussen de vader en de kinderen op dit moment uitsluitend onder professionele begeleiding te laten plaatsvinden. De wijze waarop de omgang vormgegeven moet worden is dus eveneens onduidelijk.
De rechtbank zal gelet op het bovenstaande in de bodemprocedure een raadsonderzoek gelasten. De rechtbank verwijst voor de onderzoeksvragen naar het dictum (‘Beslissing’).
De rechtbank stelt overigens vast dat het late tijdstip van indiening van het aanvullende verzoek ertoe heeft geleid dat de vader is beperkt in zijn verweermogelijkheden. Omdat de vader ter zitting echter uitdrukkelijk heeft verzocht om een onderzoek van de raad en de rechtbank een raadsonderzoek zal gelasten, is de rechtbank van oordeel dat de vader hierdoor niet in zijn belangen is geschaad.
Hoofdverblijfplaats en toevertrouwing van de kinderen
De moeder wil dat het hoofdverblijf van de kinderen bij haar wordt bepaald. De moeder acht het voor de kinderen niet veilig bij de vader.
De vader heeft tijdens de zitting verklaard dat hij het ermee eens is dat de kinderen voorlopig, althans tot het einde van het locatieverbod dat nu voor hem geldt ten aanzien van de gezamenlijke woning van de ouders, bij de moeder blijven wonen, maar dat hij daarmee niet zonder meer op de lange termijn kan instemmen.
Inhoudelijke beoordeling
In het tweede lid, onder b, van artikel 1:253a BW is bepaald dat de rechtbank op verzoek van (een van) de ouders met gezamenlijk gezag een regeling kan vaststellen inzake de uitoefening van het ouderlijk gezag, waaronder ook valt de beslissing bij welke ouder de kinderen hun hoofdverblijfplaats hebben.
De rechtbank is van oordeel dat de kinderen, na de onrust en de veranderingen in de afgelopen maanden, gebaat zijn bij rust en stabiliteit. Daarom acht de rechtbank het in het belang van de kinderen dat zij, ook na het eventuele aflopen van het locatieverbod van de vader, bij de moeder zullen blijven. Voor [de minderjarige 2] is daarvoor geen beslissing nodig, nu de moeder over [de minderjarige 2] eenhoofdig gezag heeft. De rechtbank acht het ook in het belang van de kinderen dat zij samen één hoofdverblijfplaats hebben. Tot slot betrekt de rechtbank bij de vaststelling van de hoofdverblijfplaats dat contact tussen de vader en de kinderen op dit moment in strijd is met hun zwaarwegende belangen, zoals hierna nader uiteen zal worden gezet.
Omdat de rechtbank een definitieve beslissing neemt op het verzoek om vaststelling van de hoofdverblijfplaats, zal het verzoek om voorlopige toevertrouwing worden afgewezen.
Voorlopige voorzieningen
Op grond van het eerste lid van artikel 223 Rv Pro kan iedere partij tijdens een aanhangig geding vorderen dat de rechter een voorlopige voorziening treft voor de duur van het geding. Op grond van het tweede lid moet deze vordering samenhangen met de hoofdvordering.
De rechtbank is van oordeel dat de moeder een spoedeisend belang heeft bij de gevraagde voorzieningen nu de ouders nog altijd op hetzelfde adres staan ingeschreven, de spanningen tussen hen hoog zijn opgelopen en het locatie- en contactverbod van de vader mogelijk op korte termijn aflopen. De gevraagde voorzieningen hangen ook samen met de verzoeken in de bodemprocedure. De rechtbank zal de verzoeken daarom inhoudelijk beoordelen.
Schorsing gezag
De rechtbank overweegt dat schorsing van het gezag van één van de ouders op verzoek van de andere ouder is slechts mogelijk indien is voldaan aan de vereisten van artikel 1:253q of 1:253r BW. Dergelijke omstandigheden – zoals minderjarigheid van een ouder, curatele of stoornis in de geestelijke vermogens van één van de ouders - zijn in deze procedure niet gesteld of gebleken.
De rechtbank zal het verzoek om het gezag van de vader over [de minderjarige 1] te schorsen daarom afwijzen.
Schorsing omgang
De moeder acht uitvoering van een zorgregeling op dit moment niet veilig voor de kinderen.
De vader stelt dat hij de kinderen ongeveer een maand geleden voor het laatst heeft gezien en dat hij hen graag snel weer wil zien. Ook meent de vader dat het in het belang van de kinderen is dat zij snel weer contact hebben met de vader.
Volgens de vader is begeleiding van deze contacten niet nodig, nu de vader de afgelopen twee jaar de dagelijkse zorg voor de kinderen heeft gedragen terwijl de moeder werkte en dat altijd goed is gegaan. Aan omgang onder begeleiding zal hij niet meewerken, aldus de vader.
De rechtbank oordeelt dat contact met de vader onder deze omstandigheden in strijd is met de zwaarwegende belangen van de kinderen. Weliswaar moet nog door de raad worden onderzocht wat de mogelijkheden zijn, maar op dit moment is wel duidelijk dat de verhouding tussen de ouders dermate explosief is dat omgang zonder begeleiding tot conflicten zal leiden waarbij voorzienbaar is dat de kinderen daarbij worden betrokken.
De rechtbank acht dit schadelijk voor de kinderen en zal daarom de vader voorlopig, voor de duur van de bodemprocedure, het recht op omgang met de kinderen ontzeggen.
Toebedeling huurrecht en uitsluitend gebruik gezamenlijke woning en boedel voor de duur van het geding
De moeder stelt dat zij er belang bij heeft dat het huurrecht van de gezamenlijke woning aan haar wordt toegewezen, nu de moeder geen andere plek heeft waar zij met de kinderen heen kan gaan. Ter zitting heeft de moeder verklaard dat het huurcontract, dat zij niet heeft overgelegd, op naam van haar en de vader staat.
De vader heeft gesteld dat hij ermee instemt dat de moeder en de kinderen voor de duur van het locatieverbod van de vader in de gezamenlijke woning blijven wonen. Ter zitting heeft de vader bevestigd dat het huurcontract op naam van hem en de moeder staat.
Ontvankelijkheid
De rechtbank stelt voorop dat de moeder en de vader niet gehuwd zijn en dat evenmin sprake is van een geregistreerd partnerschap, zodat de door de moeder verzochte beslissingen niet kunnen worden verzocht bij wijze van voorlopige voorziening in het kader van een echtscheiding. Zoals op de zitting ook is besproken, stelt de rechtbank vast dat de wet niet voorziet in een vergelijkbare rechtsingang voor ex-samenwoners.
Op grond van artikel 93 van Pro het Wetboek van Rechtsvordering (Rv) is de kantonrechter bevoegd ten aanzien van huurzaken. Uit de bewoordingen van artikel 7:267 lid 7 BW Pro, waarop het ingediende verzoek is gebaseerd, blijkt dat een dergelijke procedure met een dagvaarding moet worden ingeleid. Ter terechtzitting is ook besproken dat het verzoek om toebedeling van het huurrecht niet in onderhavige procedure kan worden gedaan.
Als de moeder een inhoudelijke beslissing op dit verzoek wil krijgen, dient zij zich alsnog tot de kantonrechter te wenden. Daarom zal het verzoek in zoverre op grond van het bepaalde in artikel 69 Rv Pro worden doorverwezen. Het ligt vervolgens op de weg van de moeder om alsnog een dagvaarding uit te brengen.
Voor de goede orde wordt de moeder er nu reeds op gewezen dat zij niet-ontvankelijk zal worden verklaard in haar vordering als het hierna te noemen exploot van oproeping niet (tijdig) wordt overgelegd en de gedaagde partij niet in het geding verschijnt.
Proceskosten
Omdat de rechtbank nog geen definitieve beslissing neemt op enkele verzoeken die in de bodemprocedure voorliggen, zal de rechtbank ook de beslissing ten aanzien van de proceskosten aanhouden.

Beslissing

De rechtbank:
in de bodemprocedure C/09/696020:
*
bepaalt dat de minderjarige [de minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 1] 2017 te [geboorteplaats 1] de hoofdverblijfplaats zal hebben bij de moeder, en verklaart deze bepaling uitvoerbaar bij voorraad;
*
wijst af het meer of anders verzochte ten aanzien van de hoofdverblijfplaats;
*
verzoekt de Raad voor de Kinderbescherming een onderzoek te verrichten en daarover aan de rechtbank te rapporteren en advies uit te brengen, in het bijzonder over de navolgende vragen:
  • Is er een onaanvaardbaar risico dat [de minderjarige 1] klem of verloren raakt tussen de ouders wanneer het gezamenlijk gezag in stand blijft, en zo ja, is het te verwachten dat hier binnen afzienbare tijd voldoende verbetering in zal komen?
  • Is het anderszins in het belang van [de minderjarige 1] noodzakelijk dat de moeder met het eenhoofdig gezag over [de minderjarige 1] wordt belast ?
  • Is er sprake van bezwaren die in de weg staan aan contact c.q. omgang tussen de vader en [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] ?
  • Zo nee, welke zorg- c.q. omgangsregeling tussen de vader en [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] is het meest in het belang van de kinderen en hoe dient die zorg- c.q. omgangsregeling er in aard, duur en frequentie uit te zien?
  • Is er hulpverlening aangewezen voor [de minderjarige 1] en/of [de minderjarige 2] ? Zo ja, welke?
  • Is er hulpverlening aangewezen voor de ouders? Zo ja, welke?
*
bepaalt dat de griffier een afschrift van de processtukken aan de Raad voor de Kinderbescherming zal toesturen;
*
houdt de behandeling aan tot
1 augustus 2026 pro forma; uiterlijk op die datum dient de Raad voor de Kinderbescherming zo mogelijk zijn rapport met advies te hebben uitgebracht
aan de rechtbank met kopie aan beide ouders en hun advocaten;
*
bepaalt dat, ná ontvangst van het rapport en advies, de behandeling op de zitting, op een nader te bepalen datum en tijdstip, zal worden voortgezet in aanwezigheid van de Raad voor de Kinderbescherming;
*
beveelt de griffier partijen tegen het tijdstip van de nadere behandeling op de zitting ieder via de eigen advocaat op te roepen;
*
houdt iedere verdere beslissing
ten aanzien van het gezag, de omgang c.q. verdeling van zorg- en opvoedingstaken, en de proceskostenaan tot
1 augustus 2026 pro forma.
in de voorlopige voorzieningenprocedure C/09/696034:
*
bepaalt dat er voor de duur van het geding geen omgang zal zijn tussen de vader en de minderjarigen [de minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 1] 2017 te [geboorteplaats 1] en [de minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 2] 2021 te [geboorteplaats 2] en verklaart deze beslissing uitvoerbaar bij voorraad;
*
wijst af het meer of anders verzochte ten aanzien van het gezag;
*
wijst af het verzoek om de kinderen voor de duur van het geding aan de moeder toe te vertrouwen;
*
in de bodemprocedure C/09/696020 en in de voorlopige voorzieningenprocedure C/09/696034 ten aanzien van de verzoeken inzake het huurrecht en het uitsluitend gebruik van de woning en boedel:
*
verwijst de zaak hiertoe naar de rolzitting van
donderdag 26 februari 2026 te 10.00 uur;
*
beveelt de moeder ( [de moeder] ) om de vader ( [de vader] ) met inachtneming van de wettelijke termijnen tegen de hiervoor genoemde datum en tijd te dagvaarden onder betekening van deze beslissing en van het inleidend verzoekschrift en het exploot van dagvaarding uiterlijk één dag eerder dan voornoemde roldatum ter inschrijving op de rol aan de griffie aan te bieden;
*
beveelt dat de procedure in de stand waarin deze zich bevindt zal worden voortgezet volgens de regels die gelden voor de dagvaardingsprocedure;
*
stelt de moeder ( [de moeder] ) in de gelegenheid haar stellingen zo nodig aan te passen op de voor de dagvaardingsprocedure toepasselijke procesregels;
*
houdt iedere verdere beslissing
ten aanzien van het huurrecht en het uitsluitend gebruik van de woning en boedelaan.
Deze beschikking is gegeven door mr. R.S. Matthijssen, kinderrechter, bijgestaan door mr. A.J. Klootwijk als griffier, en uitgesproken op de openbare zitting van 30 januari 2026.