ECLI:NL:RBDHA:2026:4079

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
30 januari 2026
Publicatiedatum
2 maart 2026
Zaaknummer
C/09/695411 / FA RK 25-9053
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Voorlopige beschikking over zorg- en contactregeling na langdurige omgangsafwezigheid

De rechtbank Den Haag behandelde op 30 januari 2026 een verzoek van de moeder betreffende de zorg- en opvoedingstaken van hun minderjarige kind, geboren in 2017. De ouders hebben gezamenlijk gezag, maar het kind heeft zijn hoofdverblijfplaats bij de moeder. De vader had gedurende de eerste vijf levensjaren geen contact met het kind, wat leidde tot een complexe situatie.

De moeder verzocht onder meer om voortzetting van de bestaande zorgregeling of een gefaseerde opbouw van omgang, terwijl de vader zelfstandig verweer voerde. De rechtbank constateerde dat het contact tussen vader en kind zorgvuldig moet worden opgebouwd, mede vanwege spanningen en de betrokkenheid van hulpverlening zoals EMDR-therapie. Daarom werd besloten tot begeleide omgang en wekelijkse videobelcontacten onder begeleiding van een instantie.

Daarnaast verwees de rechtbank de ouders naar een traject van ouderschapsbemiddeling en omgangsbegeleiding bij Enver. Gezien de complexiteit en onduidelijkheid over de beste zorgregeling, gelastte de rechtbank een raadsonderzoek door de Raad voor de Kinderbescherming, met een rapportage uiterlijk 1 september 2026. Verdere beslissingen over zorgverdeling, dwangsom en proceskosten worden aangehouden tot die datum.

Uitkomst: De rechtbank stelt een voorlopige videobelregeling vast en gelast een raadsonderzoek, met aanhouding van verdere beslissingen tot september 2026.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG
Enkelvoudige Kamer
Rekestnummer: FA RK 25-9053
Zaaknummer: C/09/695411
Datum beschikking: 30 januari 2026

Verdeling van de zorg- en opvoedingstaken

Beschikking op het op 28 november 2025 ingekomen verzoekschrift van:

[de moeder] ,

de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. F.S.M. Oudijk in Gouda .
Als belanghebbende wordt aangemerkt:

[de vader] ,

de vader,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. F. Ettaia in Zeist.

Procedure

De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:
  • het verzoekschrift, met bijlagen;
  • het bericht van 6 januari 2026 van de moeder, met bijlagen;
  • het bericht van 7 januari 2026 van de moeder, met bijlagen;
  • het verweerschrift, met zelfstandig verzoek, met bijlagen, ingekomen op 12 januari 2026;
  • het bericht van 14 januari 2026 van de moeder, met bijlage.
De minderjarige [minderjarige] heeft zich in raadkamer uitgelaten over het verzoek.
Op 16 januari 2026 is de zaak op de zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen:
  • de moeder, bijgestaan door haar advocaat;
  • de vader, bijgestaan door zijn advocaat;
  • [naam 1] en [naam 2] namens de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad).

Feiten

  • De moeder en de vader zijn de ouders van het volgende nu nog minderjarige kind: [minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2017 in [geboorteplaats] .
  • De ouders hebben volgens een uittreksel uit het gezagsregister gezamenlijk het gezag over [minderjarige] .
  • [minderjarige] heeft zijn hoofdverblijfplaats bij de moeder.

Verzoek en verweer

De moeder verzoekt, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad en kosten rechtens, te bepalen dat:
  • de tussen ouders bestaande zorgverdeling overgelegd als productie 4 (zowel de reguliere, als die tijdens vakanties en [minderjarige] zijn verjaardag) wordt beëindigd;
  • er tussen [minderjarige] en de vader voorlopig uitsluitend begeleid contact zal plaatsvinden, waarbij de regie over wat qua omstandigheden, duur en frequentie in het belang van [minderjarige] is, bij zijn behandelaar van [instantie 1] ligt;
  • een beslissing over een passende toekomstige zorgregeling aan te houden en te bepalen dat de Raad onderzoek dient te verrichten, en daarover aan de rechtbank en partijen binnen 6 maanden na de beschikking in dezen moet rapporteren en een advies moet uit brengen t.a.v. de volgende vragen:
  • verzet het belang van [minderjarige] zich tegen onbegeleid contact met de vader, en zo nee, welke regeling inzake de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken is in het belang van [minderjarige] ?
  • is verdere hulpverlening voor [minderjarige] en/of zijn ouders noodzakelijk, en zo ja welke?
- de ouders na het advies van de Raad 3 weken de tijd te gunnen zich uit te laten over welke zorgregeling dient te worden vastgelegd.
De vader voert verweer, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken. Daarnaast verzoekt de vader zelfstandig, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad en kosten rechtens:
- primair:
- te bepalen dat de tussen de ouders overeengekomen zorg- en contactregeling wordt voortgezet en nageleefd;
- subsidiair:
- voor het geval de rechtbank van oordeel is dat hervatting van de omgang gefaseerd dient plaats te vinden, een opbouwregeling vast te stellen leidend tot hervatting van de reguliere weekendregeling, inhoudende verblijf bij vader eens per twee weken van vrijdag na schooltijd tot zondag 16.00 uur, met verdeling van vakanties bij helfte;
- meer subsidiair
- indien de rechtbank een onderzoek door de Raad gelast, te bepalen dat: de omgang tussen vader en kind gedurende het onderzoek wordt voortgezet conform de onder punt 3 genoemde opbouwregeling, en de vader volwaardig wordt betrokken bij het raadsonderzoek;
- primair, subsidiair, meer subsidiair
- te bepalen dat de moeder haar volledige medewerking verleent aan de vastgestelde zorg- en contactregeling, en aan de naleving daarvan een dwangsom te verbinden van € 500,- per dag, althans een door de rechtbank in goede justitie te bepalen bedrag, voor iedere dag dat de moeder in gebreke blijft de vastgestelde regeling na te komen.
De moeder voert verweer, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.

Beoordeling

Verdeling van de zorg- en opvoedingstaken
Uit de stukken en dat wat op de zitting is besproken, is de rechtbank gebleken dat [minderjarige] gedurende de eerste vijf jaren van zijn leven geen contact met de vader heeft gehad. De ouders verschillen van mening over de reden hiervan. De vader heeft aangegeven dat hij niet op de hoogte was van zijn vaderschap en hier pas in 2022 via sociale media achter is gekomen, nadat hij een foto van [minderjarige] zag.
De moeder heeft op de zitting aangegeven dat zij de vader over de zwangerschap heeft geïnformeerd en bij de geboorte een foto van [minderjarige] heeft gestuurd. Wat er ook van zij, vaststaat dat [minderjarige] gedurende de eerste vijf levensjaren geen contact met de vader heeft gehad. In 2022 heeft [minderjarige] de vader ontmoet en hebben de ouders, met ondersteuning van een jeugdconsulent, een zorgregeling vastgesteld. Deze zorgregeling is mede vanwege gezondheidsproblemen van beide ouders niet nageleefd, en [minderjarige] heeft de vader inmiddels al geruime tijd niet (fysiek) gezien. Verder is gebleken dat [instantie 1] betrokken is bij [minderjarige] , en [minderjarige] EMDR-therapie krijgt. De manier waarop [instantie 1] de hulpverlening heeft opgestart, heeft bij de vader geleid tot veel wantrouwen. De vader zou graag meer bij de hulpverlening betrokken willen worden.
Gelet op de complexe situatie, is op de zitting deelname aan het traject omgangsbegeleiding
besproken. De rechtbank heeft net als de Raad zorgen over [minderjarige] en is van oordeel dat contact tussen de vader en [minderjarige] zorgvuldig moet worden opgebouwd. De rechtbank acht het niet in het belang van de [minderjarige] dat er op dit moment onbegeleid contact is tussen de vader en [minderjarige] . [minderjarige] heeft de vader al geruime tijd niet gezien. Hoewel uit het kindgesprek blijkt dat [minderjarige] ook positieve herinneringen aan zijn vader heeft en hij open lijkt te staan voor contact, lijkt het thema ‘contact met vader’ met veel spanningen omgeven te zijn. De rechtbank acht hulpverlening in de vorm van begeleide omgang daarom noodzakelijk. De ouders hebben op de zitting de bereidheid uitgesproken om aan het traject omgangsbegeleiding deel te nemen. De rechtbank zal de ouders en [minderjarige] daartoe in de gelegenheid stellen.
Op de zitting hebben de ouders vervolgens afgesproken dat de vader en [minderjarige] zullen starten met videobellen. Dit videobelcontact zal wekelijks plaatsvinden op de momenten dat [instantie 2] bij de moeder is. [instantie 2] zal de vader tijdig informeren over de momenten waarop deze videobelgesprekken kunnen plaatsvinden, en de moeder zal niet aanwezig zijn bij de videobelgesprekken tussen de vader en [minderjarige] . De ouders hebben afgesproken dat het videobellen uiterlijk per datum van deze beschikking is gestart.
Nu ook is gebleken dat de communicatie tussen de ouders, in het bijzonder over de hulpverlening van [minderjarige] , stroef loopt, acht de rechtbank het in dat kader aangewezen de verwijzing naar Enver ook betrekking te laten hebben op een ouderschapsbemiddeling.
De rechtbank zal de ouders en [minderjarige] in de gelegenheid stellen deel te nemen aan voornoemde trajecten, zoals blijkt uit het proces-verbaal van doorverwijzing dat aan deze beschikking is gehecht. Dit proces-verbaal is al per email verzonden naar Enver voor deelname aan voornoemde trajecten en aanmelding bij de betreffende uitvoerende hulpverleningsinstantie(s). De rechtbank zal (een kennisgeving van) deze beschikking per post zenden aan Enver.
De rechtbank verzoekt de ouders om de rechtbank tijdig te informeren over het verloop van voornoemde trajecten. Van de uitvoerende hulpverleningsinstantie verwacht de rechtbank dat zij de eindrapportage over het verloop van de trajecten indient op de hierna vermelde wijze. De hulpverleningsinstantie kan de rechtbank tussentijds informeren als daartoe aanleiding is.
De rechtbank zal geen voorwaardelijke opdracht aan de Raad geven, mochten de trajecten niet hebben geleid tot een positief resultaat, omdat de rechtbank in deze beschikking al een raadsonderzoek zal gelasten, waarover hierna meer.
Dwangsom
De rechtbank heeft ter zitting de moeder bevraagd over hoe zij terugkijkt op de inmiddels ontstane situatie waarbij [minderjarige] grotendeels zonder vader is opgegroeid. Uit dit gesprek heeft de rechtbank twijfel overgehouden of de moeder voldoende gemotiveerd is om het contact tussen [minderjarige] en zijn vader te ondersteunen. De rechtbank zal daarom het verzoek ten aanzien van de dwangsom eveneens aanhouden.
Raadsonderzoek
Al het voorgaande maakt dat [minderjarige] in een complexe situatie zit en de rechtbank acht zich op dit moment onvoldoende voorgelicht om een weloverwogen definitieve beslissing te nemen over een zorgregeling met de vader. Zoals op de zitting al met de ouders is besproken, ziet de rechtbank dan ook aanleiding om de Raad te verzoeken een onderzoek te verrichten en daarover een rapport en advies uit te brengen. De rechtbank acht een raadsonderzoek
noodzakelijk om een vollediger beeld van de (opvoed)situatie en de zorgen rondom [minderjarige] te krijgen.
Het raadsonderzoek en het gemotiveerde raadsadvies moeten in ieder geval zien op de volgende concrete vragen van de rechtbank:
  • hoe moet de (onbegeleide) zorgregeling tussen de vader en [minderjarige] er qua aard, duur en frequentie uit zien?
  • is voor [minderjarige] en/of de ouders (nadere) hulpverlening noodzakelijk? Zo ja, welke hulpverlening?
De rechtbank verzoekt de Raad, indien hij dat aangewezen acht, het raadsonderzoek uit te breiden naar een beschermingsonderzoek.
De rechtbank zal iedere verdere beslissing over de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken pro forma aanhouden tot 1 september 2026 in afwachting van de uitkomsten van het raadsonderzoek en de hulpverleningstrajecten. De rechtbank verwacht van (de advocaten van) de ouders dat zij zich ná ontvangst van het raadsrapport en raadsadvies uiterlijk binnen veertien dagen uitlaten over het raadsrapport met raadsadvies, waarna de rechtbank zal beslissen over de verdere voortgang van de procedure.
Proceskosten
Omdat de rechtbank nog geen eindbeschikking zal wijzen, zal de rechtbank de proceskosten ook aanhouden.

Beslissing

De rechtbank:
*
bepaalt dat de vader en [minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2017 in [geboorteplaats] ,
voorlopigéén keer in de week videobellen, onder begeleiding van [instantie 2] ;
*
stelt vast dat de ouders, te weten:
[de moeder] , (de moeder)
wonende op een geheim adres,
en
[de vader] , (de vader)
wonende in [woonplaats] , [adres] ( [postcode] ),
bij (aangehecht) proces-verbaal van doorverwijzing zijn verwezen naar(De Rotterdamse omgangsbegeleiding voorziet blijkens haar folder in omgangsbegeleiding voor de duur van in beginsel maximaal zes maanden, overeenkomend met acht à negen contacten.) Enver voor deelname aan de trajecten Ouderschapsbemiddeling / Parallel (solo) ouderschap en Omgangsbegeleiding, en voor aanmelding bij de uitvoerende hulpverleningsinstantie(s);
beveelt de griffier binnen twee dagen na heden een afschrift van (de kennisgeving van) deze beschikking te zenden naar:
  • Enver, Omgangsbegeleiding, J. van Lennepkade 6, 2802 LH Gouda;
  • en de Raad;
bepaalt dat de ouders de rechtbank vóór na te melden pro formadatum informeren over het verloop van voornoemde trajecten;
bepaalt dat de uitvoerende hulpverleningsinstantie(s) de rechtbank (tussentijds) rapporteert over het verloop van voornoemde trajecten, met kopie aan beide ouders;
*
verzoekt de Raad een onderzoek te verrichten met het hiervoor omschreven doel en daarover aan de rechtbank te rapporteren en advies uit te brengen;
de Raad kan daartoe telefonisch een eerste afspraak maken met de ouders, die te bereiken zijn op de volgende telefoonnummers: [telefoonnummer 1] (vader) en [telefoonnummer 2] (moeder);
bepaalt dat de griffier een afschrift van de processtukken aan de Raad zal toesturen;
uiterlijk op 1 september 2026 dient de Raad zo mogelijk zijn rapport met advies te hebben uitgebracht aan de rechtbank met kopie aan beide ouders en hun advocaten;
bepaalt dat (de advocaten van) de ouders zich ná ontvangst van het raadsrapport en raadsadvies binnen veertien dagen moeten uitlaten over het raadsrapport en raadsadvies;
*
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
*
houdt iedere verdere beslissing
over de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken, de dwangsom en de proceskostenaan
tot 1 september 2026 pro forma.
Deze beschikking is gegeven door mr. C.G. Meeder, (kinder)rechter, in tegenwoordigheid van mr. M.A. Wien als griffier, en uitgesproken op de openbare zitting van 30 januari 2026.