Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:4081

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
30 januari 2026
Publicatiedatum
2 maart 2026
Zaaknummer
C/09/696268 / FA RK 25-9549
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:402 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Voorlopige voorziening toewijzing gebruik woning en kinderalimentatie na scheiding

Partijen zijn gehuwd sinds 2008 en hebben twee minderjarige kinderen. Na hun scheiding verzochten zij de rechtbank om voorlopige voorzieningen te treffen omtrent de toewijzing van de kinderen, het gebruik van de echtelijke woning en de vaststelling van kinderalimentatie.

De rechtbank stelde vast dat de man de woning in maart 2025 had verlaten en de vrouw met de kinderen daarin verbleef. Beide partijen stemden in met het uitsluitend gebruik van de woning door de vrouw. Ook werd vastgesteld dat het zwaartepunt van de zorg voor de kinderen bij de vrouw ligt, en zij de kinderen voorlopig worden toevertrouwd.

De rechtbank berekende de kinderalimentatie op basis van het netto besteedbaar inkomen van partijen, waarbij rekening werd gehouden met werkelijke woonlasten en fiscale kortingen. De draagkracht van de man werd vastgesteld op €200 per maand, die hij aan de vrouw moet betalen als voorlopige kinderalimentatie. Verzoeken tot partneralimentatie en zorgregeling werden ingetrokken of als ingetrokken beschouwd.

De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad en bepaalt dat de man de woning moet verlaten en niet mag betreden, en dat hij de alimentatie maandelijks vooruitbetaalt.

Uitkomst: De rechtbank wijst het verzoek toe voor exclusief gebruik van de woning, toewijzing van de kinderen aan de vrouw en stelt voorlopige kinderalimentatie van €200 per maand vast.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG
Enkelvoudige kamer
Rekestnummer: FA RK 25-9549
Zaaknummer: C/09/696268
Datum beschikking: 30 januari 2026

Voorlopige voorzieningen

Beschikking op het op 17 december 2025 ingekomen verzoek van:

[de vrouw] ,

de vrouw,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. M.J. Zennipman te Den Haag.
Als belanghebbende wordt aangemerkt:

[de man] ,

de man,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. N. Bagci-Çiçek te Den Haag.

Procedure

De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:
- het verzoekschrift;
- het verweerschrift tevens zelfstandig verzoek;
- het verweer tegen het zelfstandig verzoek;
- het F9-formulier van 15 januari 2026 van de advocaat van de vrouw, met bijlagen.
De minderjarige [minderjarige 1] heeft zich in raadkamer uitgelaten over het verzoek.
Op 16 januari 2026 is de zaak op de zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen:
- de vrouw, bijgestaan door haar advocaat;
- de man, bijgestaan door zijn advocaat;
- [naam] , namens de Raad voor de Kinderbescherming (de Raad).
Na de zitting zijn de volgende stukken ontvangen:
- het F9-formulier van 19 januari 2026 van de advocaat van de vrouw, met bijlagen;
- het F9-formulier van 19 januari 2026 van de advocaat van de man, met bijlage.

Feiten

- Partijen zijn op [datum] 2008 gehuwd te [plaats 1] , Turkije.
- Zij zijn de ouders van de volgende minderjarige kinderen:
- [minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 1] 2011 te [geboorteplaats] , hierna: [minderjarige 1] ;
- [minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 2] 2018 te [geboorteplaats] , hierna: [minderjarige 2] .
- Partijen zijn gezamenlijk belast met het gezag over de kinderen.
- Uit de Basisregistratie Personen blijkt dat de vrouw en de kinderen de Nederlandse nationaliteit hebben en de man de Turkse nationaliteit heeft.

Verzoek en verweer

De vrouw heeft verzocht:
- te bepalen dat de kinderen aan de vrouw worden toevertrouwd;
- te bepalen dat het voortgezet gebruik van de echtelijke woning te [plaats 2] ( [postcode] ) aan de [adres] , uitsluitend aan de vrouw toekomt met het bevel aan de man dat hij de echtelijke woning dient te verlaten en niet mag betreden;
- te bepalen dat de man met ingang van 15 december 2025 maandelijks een bedrag van € 750,- per kind aan de vrouw dient te voldoen, telkens bij vooruitbetaling, zulks om in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen te kunnen voorzien;
- de man te veroordelen om met ingang van 15 december 2025 maandelijks een
bedrag van € 500,- uit te keren aan de vrouw, telkens bij vooruitbetaling, zodat de vrouw zich kan voorzien in haar levensonderhoud;
een en ander voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad.
De man heeft verzocht de verzoeken ten aanzien van de toevertrouwing van de kinderen en het uitsluitend gebruik van de echtelijke woning toe te wijzen. De man heeft voor het overige verweer gevoerd, dat hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.
Bovendien heeft de man zelfstandig verzocht:
- te bepalen dat de kinderen voorlopig bij de man zullen zijn: iedere zaterdag van 12.00 uur tot 19.00 uur;
een en ander voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad.
De vrouw heeft verweer gevoerd, dat hierna – voor zover nodig – zal worden besproken. De vrouw heeft aanvullend verzocht:
- een zorgregeling vast te stellen, waarbij de kinderen elke zondag van 16.30 uur
tot 19.00 uur bij de man verblijven, waarbij de man de kinderen haalt en terugbrengt;
een en ander voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad.

Beoordeling

Rechtsmacht en toepasselijk recht
De Nederlandse rechter komt te dezen rechtsmacht toe. De rechtbank past in deze voorlopige-voorzieningenprocedure Nederlands recht toe.
Uitsluitend gebruik echtelijke woning
Op de zitting heeft de rechtbank aangegeven dat zij het verzoek van de vrouw zo begrijpt dat de vrouw verzoekt om het uitsluitend gebruik van de echtelijke woning. De vrouw heeft hiermee ingestemd. De man heeft aangegeven dat hij de echtelijke woning in maart 2025 heeft verlaten en de vrouw sindsdien samen met de kinderen in de woning verblijft. De man heeft ingestemd met het verzoek van de vrouw om het uitsluitend gebruik van de echtelijke woning aan haar toe te wijzen. De rechtbank zal het verzoek daarom toewijzen.
Toevertrouwing kinderen
Gebleken is dat het zwaartepunt van de zorg voor de kinderen bij de vrouw ligt. De man heeft ingestemd met het verzoek van de vrouw om de kinderen aan haar toe te vertrouwen. De rechtbank zal het verzoek daarom als in het belang van de kinderen toewijzen.
Voorlopige zorgregeling
Op de zitting heeft de man zijn verzoek ten aanzien van de voorlopige zorgregeling ingetrokken. De rechtbank hoeft op dat verzoek daarom niet meer te beslissen. De vrouw heeft verzocht om vaststelling van een zorgregeling, waarbij de kinderen elke zondag van 16.30 uur tot 19.00 uur bij de man verblijven en de man de kinderen haalt en terugbrengt. Nu partijen het op de zitting erover eens zijn geworden dat de huidige regeling voorlopig blijft doorlopen, beschouwt de rechtbank het verzoek van de vrouw eveneens als ingetrokken.
Voorlopige kinderalimentatie
Bij de vaststelling van de kinderalimentatie en de berekening neemt de rechtbank de aanbevelingen van de Expertgroep Alimentatie opgenomen in het Rapport alimentatienormen (hierna: het rapport) als uitgangspunt. De rechtbank rondt hierna in haar berekening de bedragen telkens af op hele euro’s.
Op de zitting heeft de vrouw haar verzoek verminderd, in die zin dat zij nu verzoekt om vaststelling van een kinderalimentatie van € 471,- per kind per maand, conform de alimentatieberekening zoals zij heeft overgelegd bij het verzoekschrift. Bij de beoordeling van het verzoek stelt de rechtbank voorop dat deze voorlopige vaststelling het karakter heeft van een ordemaatregel. Daarbij is het uitgangspunt dat wordt uitgegaan van de actuele situatie van partijen, voor zover de rechtbank daar voldoende inzicht in heeft. Indien de rechtbank onvoldoende inzicht in de situatie van partijen heeft, zal de rechtbank beoordelen wat zij redelijk acht en in dat kader een schatting maken.
Ingangsdatum
Om proceseconomische redenen zal de rechtbank eerst de ingangsdatum vaststellen. De rechtbank stelt voorop dat zij op grond van artikel 1:402 van Pro het Burgerlijk Wetboek een grote mate van vrijheid heeft bij het vaststellen van de ingangsdatum. Drie data liggen het meest voor de hand: de datum van het inleidend (zelfstandig) verzoek, de datum waarop de rechter beslist of de datum waarop de omstandigheden intreden die voor de onderhoudsverplichting bepalend zijn.
De rechtbank acht het in deze voorlopige voorzieningenprocedure redelijk om de datum van deze beschikking als ingangsdatum te hanteren.
Behoefte
Bij de berekening van de kinderalimentatie wordt eerst gekeken naar wat de kosten van een kind (de behoefte) zijn. De behoefte van de kinderen is tussen partijen in geschil. De rechtbank zal daarom hierna de behoefte vaststellen.
Voor het bepalen van de behoefte moet allereerst het netto besteedbaar inkomen (NBI) van iedere partij tijdens het huwelijk worden bepaald. De rechtbank zal bij de berekening van de behoefte uitgaan van de periode 2025-II, nu partijen in 2025 uit elkaar zijn gegaan.
Partijen zijn het niet eens over het NBI van de man, zodat de rechtbank dat hierna zal berekenen. De man heeft zich op het standpunt gesteld dat moet worden uitgegaan van de gemiddelde winst uit onderneming van de man over de jaren 2024 en 2025. Daartoe heeft de man gesteld dat zijn winst in 2023 hoger was, omdat hij alleen in dat jaar ook op zaterdagen heeft gewerkt. De man vindt het daarom niet redelijk om het jaar 2023 mee te nemen bij de berekening van de behoefte van de kinderen. De vrouw heeft hiertegen verweer gevoerd en gesteld dat moet worden uitgegaan van de gemiddelde winst uit onderneming van de man over de jaren 2023, 2024 en 2025, conform het rapport. Zoals blijkt uit de na de zitting door de man overgelegde jaarrekening over 2023 bedroeg de winst uit onderneming van de man in 2023 € 59.549,- bruto. De rechtbank overweegt dat de winst van de man in 2023 aanzienlijk hoger was dan de jaren ervoor en erna, nu de winst in 2022 € 37.198,- bedroeg, de winst in 2024 € 42.514,- en de winst in 2025 € 48.010,-. De rechtbank acht het daarom redelijk om uit te gaan van een gemiddelde winst uit onderneming van de man over de jaren 2024 en 2025 van € 45.262,-. De rechtbank houdt verder rekening met de zelfstandigenaftrek van € 2.470,- per jaar en de MKB-winstvrijstelling van € 5.435,- per jaar.
Op basis van de hiervoor genoemde uitgangspunten en rekening houdend met de algemene heffingskorting en arbeidskorting, berekent de rechtbank het NBI van de man op € 3.156,- per maand in 2025. Voor de berekening van dit bedrag verwijst de rechtbank naar de berekening die aan deze beschikking is gehecht.
Partijen zijn het ook niet eens over het NBI van de vrouw, zodat de rechtbank dat hierna zal berekenen. Hiervoor gaat de rechtbank uit van een gemiddeld inkomen van € 1.648,- bruto per maand in 2025, zoals blijkt uit de door de vrouw overgelegde salarisspecificaties over augustus, september en oktober 2025. Daarbij houdt de rechtbank rekening met 8% vakantietoeslag en een eindejaarsuitkering van 8,33%. De rechtbank houdt verder rekening met een gemiddelde pensioenpremie van € 128,- per maand.
Op basis van de hiervoor genoemde uitgangspunten en rekening houdend met de algemene heffingskorting, arbeidskorting en inkomensafhankelijke combinatiekorting, berekent de rechtbank het NBI van de vrouw op € 1.789,- per maand in 2025. Voor de berekening van dit bedrag verwijst de rechtbank naar de berekening die aan deze beschikking is gehecht.
Het netto besteedbaar gezinsinkomen (NBGI) van partijen bedroeg in 2025 dus € 4.945,- per maand (€ 3.156,-
+€ 1.789,-). Op basis van dit NBGI hadden partijen recht op een kindgebonden budget van € 351,- per maand, zodat de rechtbank daarmee rekening zal houden. Op basis van de tabel eigen aandeel kosten van kinderen 2025 leidt het voorgaande tot een behoefte van € 1.218,- per maand voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . Geïndexeerd naar 2026 bedraagt deze behoefte € 1.274,- per maand.
De rechtbank zal hierna beoordelen in welke verhouding deze behoefte tussen partijen moet worden verdeeld.
Draagkracht
De behoefte van de kinderen moet door de ouders worden opgebracht naar rato van hun beider draagkracht. De financiële draagkracht van de ouders dient conform de aanbevelingen uit het rapport in beginsel te worden vastgesteld aan de hand van de formule 70% x [NBI - (0,3 x NBI + 1.365)].
Draagkracht man
Voor de berekening van de draagkracht van de man zal de rechtbank net als bij de behoefte uitgaan van een gemiddelde winst uit onderneming van de man over de jaren 2024 en 2025 van € 45.262,-. De rechtbank houdt verder rekening met de zelfstandigenaftrek van € 1.200,- per jaar en de MKB-winstvrijstelling van € 5.596,- per jaar.
Daarbij overweegt de rechtbank als volgt. Nu gebleken is dat de man de lasten van de echtelijke woning voldoet en daarnaast lasten draagt voor zijn huidige woonruimte, acht de rechtbank het redelijk om conform het rapport uit te gaan van de werkelijke woonlasten van de man. De man heeft gesteld dat zijn lasten ten behoeve van de echtelijke woning € 598,- per maand bedragen, te weten € 433,- aan hypotheekkosten en € 165,- aan bijdrage VvE. De vrouw heeft dit niet betwist, zodat de rechtbank daarmee zal rekenen. Bovendien heeft de man gesteld dat hij momenteel particulier een kamer huurt en daar € 700,- contant per maand voor betaalt. De vrouw heeft dit betwist. Zij heeft aangevoerd dat rekening gehouden dient te worden met een kamerhuur van de man van maximaal € 400,-. De rechtbank acht dat echter te laag en is van oordeel dat een kamerhuur van € 700,- niet onredelijk is, waardoor zij daarvan zal uitgaan. De werkelijke woonlasten van de man bedragen aldus € 1.298,- (€ 598,- + € 700,-).
Verder is de rechtbank van oordeel dat de door de man opgevoerde Tozo-schuld niet verwijtbaar en vermijdbaar is. De man heeft aangetoond dat hij een betalingsregeling heeft gesloten en maandelijks € 207,91 aflost. De rechtbank zal met dit bedrag rekening houden bij de bepaling van zijn draagkracht.
Op basis van de hiervoor genoemde uitgangspunten en rekening houdend met de algemene heffingskorting en arbeidskorting, berekent de rechtbank het NBI van de man op € 3.157,- per maand in 2026. Voor de berekening van dit bedrag verwijst de rechtbank naar de berekening die aan deze beschikking is gehecht.
De draagkracht van de man bedraagt volgens de formule € 200,- per maand
(70% x [3.157 - (1.298 + 208 + 1.365)]).
Draagkracht vrouw
Voor de berekening van de draagkracht van de vrouw zal de rechtbank uitgaan van een Ziektewetuitkering van € 271,70 bruto per week, zoals blijkt uit de door de vrouw na de zitting overgelegde uitkeringsspecificatie van 12 januari 2026.
Het kindgebonden budget moet volgens vaste rechtspraak bij het inkomen van de desbetreffende ouder die het ontvangt, worden opgeteld. De rechtbank berekent het kindgebonden budget aan de hand van bovenstaande inkomensgegevens op € 9.300,- per jaar.
De man heeft gesteld dat de vrouw thuis laserbehandelingen uitvoert en zij daarmee wekelijks gemiddeld € 200,- verdient. De vrouw heeft dit betwist. Uit de door de vrouw overgelegde btw-aangiften blijkt dat de vrouw geen aan te geven inkomsten heeft gegenereerd uit haar eenmanszaak in 2023, 2024 en 2025, welke eenmanszaak per 19 december 2025 is opgeheven. Nu de man zijn stelling verder niet heeft onderbouwd, zal de rechtbank geen rekening houden met aanvullende inkomsten van de vrouw.
Verder overweegt de rechtbank dat partijen het op de zitting erover eens zijn dat aan de zijde van de vrouw kan worden gerekend met werkelijke woonlasten van € 60,- per maand, zodat de rechtbank daarvan zal uitgaan.
Op basis van de hiervoor genoemde uitgangspunten en rekening houdend met de algemene heffingskorting, berekent de rechtbank het NBI van de vrouw op € 1.792,- per maand in 2026. Voor de berekening van dit bedrag verwijst de rechtbank naar de berekening die aan deze beschikking is gehecht.
Bij een NBI tot € 1.950,- per maand geldt volgens de draagkrachttabel (2026) een minimale draagkracht van € 50,- per maand voor twee of meer kinderen. De rechtbank zal daarom deze draagkracht voor de vrouw in aanmerking nemen.
Gezamenlijke draagkracht en zorgkorting
De draagkracht van partijen bedraagt gezamenlijk € 250,- per maand (€ 200,- + € 50,-). Dit is onvoldoende om volledig in de behoefte van de kinderen te voorzien. De rechtbank komt daarom niet toe aan een draagkrachtvergelijking. Er is sprake van een tekort van € 1.024,- per maand.
Gelet op het beperkte contact tussen de man en de kinderen, zal de rechtbank uitgaan van een zorgkorting van 5%. De zorgkorting bedraagt dan € 64,- per maand (5% van € 1.274,-).
Omdat sprake is van een tekort en dit tekort ten minste twee keer zo groot is als de zorgkorting, vervalt de zorgkorting van de man. Partijen zullen daarom maximaal, naar hun draagkracht, moeten bijdragen in de behoefte van de kinderen.
Het aandeel van de man in de kosten van de kinderen is dus gelijk aan zijn draagkracht.
Conclusie
Gelet op het voorgaande zal de rechtbank bepalen dat de man met ingang van 30 januari 2026 een bedrag van in totaal € 200,- per maand aan de vrouw moet betalen aan kinderalimentatie voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] .
Voorlopige partneralimentatie
Op de zitting heeft de vrouw haar verzoek ten aanzien van de partneralimentatie ingetrokken. De rechtbank hoeft op dat verzoek daarom niet meer te beslissen.

Beslissing

De rechtbank:
bepaalt dat de vrouw bij uitsluiting gerechtigd zal zijn tot het gebruik van de echtelijke woning aan de [adres] ( [postcode] ) te [plaats 2] en beveelt mitsdien dat de man die woning dient te verlaten en verder niet mag betreden;
bepaalt dat de minderjarigen:
- [minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 1] 2011 te [geboorteplaats] ;
- [minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 2] 2018 te [geboorteplaats] ;
aan de vrouw zullen worden toevertrouwd;
bepaalt dat de man aan de vrouw, met ingang van heden, voorlopig een kinderalimentatie ten behoeve van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] (bij co-ouderschap eventueel:
medeverzorgt en opvoedt) van € 200,- per maand voor de twee kinderen samen zal betalen, telkens bij vooruitbetaling te voldoen;
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mr. C. Witteman, rechter, tevens kinderrechter, in tegenwoordigheid van mr. E.X.R. Yi als griffier, en uitgesproken op de openbare zitting van 30 januari 2026.