ECLI:NL:RBDHA:2026:4085

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
30 januari 2026
Publicatiedatum
2 maart 2026
Zaaknummer
C/09/675499 / FA RK 24-8087
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 10:56 BWArt. 3 Protocol 23 november 2007Art. 5 Verordening huwelijksvermogensstelselsArt. 4 Haags Huwelijksvermogensverdrag 1978Art. 7 lid 2 sub 1 Haags Huwelijksvermogensverdrag 1978
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Echtscheiding met nevenvoorzieningen en gezagsregeling over minderjarige

De rechtbank Den Haag heeft op 30 januari 2026 uitspraak gedaan in een echtscheidingszaak tussen partijen gehuwd sinds 2003. De procedure betrof tevens nevenvoorzieningen zoals gezag, hoofdverblijfplaats, zorgregeling, alimentatie en verdeling van het huwelijksvermogen. De ouders oefenen gezamenlijk gezag uit over hun minderjarige kind geboren in 2012.

De rechtbank stelde vast dat het huwelijk duurzaam is ontwricht en kende de echtscheiding toe. Het eenhoofdig gezag over het minderjarige kind werd aan de moeder toegekend, mede vanwege de depressieve gesteldheid van de vader die hem beperkt in het nemen van beslissingen. De hoofdverblijfplaats van het kind wordt bij de moeder vastgesteld.

De rechtbank hield beslissingen over de zorgregeling, kinderalimentatie, partneralimentatie, bruidsgave en verdeling van het huwelijksvermogen aan tot 1 juni 2026. Partijen krijgen gelegenheid zich nader uit te laten over onder meer de bruidsgave, overwaarde van de woning en bankrekeningen. Het Iraanse recht is van toepassing op het huwelijksvermogensregime tot 2019, daarna Nederlands recht. De woning zal worden verkocht en de opbrengst verdeeld.

De rechtbank benadrukte het belang van toekomstgerichte samenwerking tussen partijen en stelde dat de moeder voorlopig de zorg draagt, terwijl de omgangsregeling nog nader wordt vastgesteld. De procedure wordt voortgezet na ontvangst van aanvullende stukken en standpunten van partijen.

Uitkomst: Echtscheiding uitgesproken, eenhoofdig gezag toegekend aan moeder, overige voorzieningen aangehouden tot nader order.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG
Enkelvoudige Kamer
Rekestnummers: FA RK 24-8087 (echtscheiding) en FA RK 25-695 (verdeling)
Zaaknummers: C/09/675499 (echtscheiding) en C/09/679964 (verdeling)
Datum beschikking: 30 januari 2026

Scheiding met nevenvoorzieningen

Beschikking op het op 12 november 2024 ingekomen verzoek van:

[de man] ,

de man,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. B.J. de Deugd te Nieuwerkerk aan den IJssel.
Als belanghebbende wordt aangemerkt:

[de vrouw] ,

de vrouw,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. A. Hashem Jawaheri te Amsterdam.

Procedure

De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:
  • het verzoekschrift;
  • het F9-formulier van 14 november 2024 van de zijde van de man;
  • het F9-formulier van 15 november 2024 van de zijde van de man, met bijlage;
  • het verweerschrift tevens zelfstandig verzoekschrift;
- het verweer tegen het zelfstandig verzoek;
- het F9-formulier van 28 november 2025 van de zijde van de man, met bijlagen;
- het F9-formulier van 30 november 2025 van de zijde van de vrouw, met bijlagen;
- het F9-formulier van 3 december 2025 van de zijde van de vrouw, met bijlagen.
De minderjarige [de minderjarige] heeft op 19 december 2025 in raadkamer haar mening kenbaar gemaakt.
Op 19 december 2025 is de zaak op de zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen:
  • de man, bijgestaan door zijn advocaat en S.L. Moallemzadeh, een tolk;
  • de vrouw, bijgestaan door haar advocaat en M. Abdi, een tolk;
  • [naam] , namens de Raad voor de Kinderbescherming.

Feiten

- Partijen zijn gehuwd op [datum] 2003 te [plaats] , [land] .
- Zij zijn de ouders van het volgende minderjarige kind:
- -
[de minderjarige], geboren op [geboortedatum 1] 2012 te [geboorteplaats] , [land] .
- De ouders oefenen het gezamenlijk gezag over [de minderjarige] uit.
- Partijen zijn de ouders van de volgende meerderjarige kinderen:
- [de meerderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 2] 2006 te [geboorteplaats] , [land] ,
- [de meerderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 3] 2005 te [geboorteplaats] , [land] .

Verzoek en verweer

Het verzoek strekt tot echtscheiding, met nevenvoorzieningen tot:
- vaststelling van de hoofdverblijfplaats van [de minderjarige] bij de vrouw;
- vaststelling van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken over [de minderjarige] , in die zin dat [de minderjarige] één weekend per vier weken alsmede twee weken in de zomervakantie en één week in de andere schoolvakanties bij de man is;
- bepaling dat de vrouw bevoegd is alleen alle gezagsbeslissingen te nemen, behoudens schoolkeuze en belangrijke medische aangelegenheden;
- te verstaan dat de vrouw op grond van het Iraanse recht rechthebbend is op, althans, voor zover Nederlands recht van toepassing is, te bepalen dat aan de vrouw wordt toegedeeld: de onder punt 11 genoemde goederen en schulden, alsmede de onder punt 14 genoemde auto;
- te verstaan dat de man op grond van het Iraanse recht rechthebbend is op, althans, voor zover Nederlands recht van toepassing is, te bepalen dat aan de man wordt toegedeeld: de onder punt 12 genoemde goederen en schulden, alsmede de bankrekeningen op naam van de man;
- te bepalen dat de vrouw aan de man ter zake haar overbedeling ten aanzien van de onder punt 14 genoemde auto een bedrag van € 3.550,- verschuldigd is en de vrouw te veroordelen tot betaling daarvan, te vermeerderen met rente met ingang van de datum van de beschikking waarbij de toedeling plaatsvindt;
- te bepalen dat de echtelijke woning aan de [adres] zal worden verkocht door [makelaar] en dat beide partijen gehouden zijn medewerking te verlenen aan die verkoop, alsmede dat partijen bij helfte gerechtigd zijn tot de netto-opbrengst van deze woning.
De vrouw voert verweer, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.
Bovendien heeft de vrouw na wijziging, zelfstandig verzocht:
- een omgangsregeling vast te stellen waarbij [de minderjarige] in de oneven weken van vrijdag uit school tot maandag naar school omgang heeft met de man;
- de man aan de vrouw een bijdrage van € 723,- per maand dient te betalen in de kosten van verzorging en opvoeding van [de minderjarige] ;
- de man aan de vrouw een bijdrage van € 654,- per maand dient te betalen in de kosten van haar levensonderhoud;
- te bepalen dat de vrouw na de te wijzen echtscheidingsbeschikking negen maanden heeft om de woning te ontruimen;
- de inboedel tussen partijen wordt verdeeld, behoudens de persoonlijke bezittingen van de vrouw, althans dat de vrouw geen vergoeding voor de inboedel aan de man verschuldigd is;
- te bepalen dat de vrouw zal worden belast met het eenhoofdig gezag over [de minderjarige] ;
- te bepalen dat het voertuig met kenteken [kenteken] aan de vrouw wordt toebedeeld, zonder dat zij daarvoor een vergoeding aan de man verschuldigd is of de vergoeding te beperkten tot € 3.000,-;
- te bepalen dat de man wordt veroordeeld tot overdracht van 500 volledige (yek) Bahar-e Azadi gouden munten met de volgende specifieke informatie: maat 1 met een gewicht van 8.13598 (g), met nettogewicht van puur goud 7.32238 (g), 22 mm met de puurheid van 0.9000 of een equivalent daarvan gelijk aan € 242.650,- binnen veertien dagen na betekening van de beschikking.
De man voert verweer, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.

Beoordeling

Echtscheiding
Rechtsmacht en toepasselijk recht
Nu beide echtgenoten de Nederlandse nationaliteit hebben, komt de Nederlandse rechter met betrekking tot het verzoek tot echtscheiding rechtsmacht toe.
De rechtbank zal krachtens artikel 10:56, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek Nederlands recht op het verzoek tot echtscheiding toepassen.
Ontvankelijkheid
Bij het indienen van een verzoek tot echtscheiding is het wettelijk verplicht om een ouderschapsplan over te leggen. De ouders hebben dat niet gedaan. De rechtbank stelt vast dat het de ouders niet is gelukt om tot overeenstemming te komen. Daarom beoordeelt de rechtbank het verzoek tot echtscheiding.
Inhoudelijke beoordeling
De man heeft gesteld dat het huwelijk duurzaam is ontwricht. De vrouw heeft dit niet betwist, zodat het verzoek tot echtscheiding als op de wet gegrond kan worden toegewezen.
Gezag
Rechtsmacht en toepasselijk recht
Nu de gewone verblijfplaats van [de minderjarige] in Nederland is, is de Nederlandse rechter bevoegd om naar Nederlands recht te beslissen op het verzoek tot voorziening in het gezag over [de minderjarige] .
Inhoudelijke beoordeling
Uit de overgelegde stukken en wat op de zitting met partijen is besproken, is gebleken dat partijen het erover eens zijn dat de vrouw wordt belast met het eenhoofdig gezag over [de minderjarige] . Gebleken is dat de man depressief is en daardoor niet goed in staat is om beslissingen te nemen ten aanzien van [de minderjarige] . Ook is gebleken dat hij het eens is met de beslissingen die de moeder neemt en dat hij zich ook geen zorgen maakt over eventuele beslissingen die in de toekomst genomen moeten worden. De rechtbank is ook niet gebleken dat het belang van [de minderjarige] zich tegen toewijzing van dit verzoek verzet, zodat de rechtbank zal bepalen dat het gezag over [de minderjarige] voortaan enkel aan de moeder zal toekomen.
Hoofdverblijfplaats [de minderjarige]
Rechtsmacht en toepasselijk recht
Nu de gewone verblijfplaats van [de minderjarige] in Nederland is, is de Nederlandse rechter bevoegd om naar Nederlands recht te beslissen op het verzoek tot vaststelling van de hoofdverblijfplaats van [de minderjarige] .
Inhoudelijke beoordeling
Partijen zijn het erover eens dat [de minderjarige] haar hoofdverblijfplaats bij de vrouw zal hebben. Nu de rechtbank het eenhoofdig gezag bij de vrouw zal bepalen, is een aparte beslissing van de rechtbank hiervoor niet meer nodig. Bij gebrek aan belang zal het verzoek worden afgewezen.
Zorgregeling, kinderalimentatie en partneralimentatie
Vooraf
De rechtbank overweegt als eerste als volgt. De rechtbank acht zich voldoende geïnformeerd om een beslissing te nemen ten aanzien van de zorgregeling, de kinderalimentatie en de partneralimentatie. De rechtbank verwacht echter niet dat partijen op korte termijn de samenwoning gaan beëindigen, zodat de rechtbank op dit geen belang ziet om (voorlopige) beslissingen te nemen op deze punten. De rechtbank zal daarom iedere beslissing ten aanzien van de zorgregeling, de kinderalimentatie en de partneralimentatie aanhouden tot na te noemen pro formadatum. Wel ziet de rechtbank aanleiding om hierna enkele uitgangspunten weer te geven waar rekening mee zal worden gehouden bij de nog te nemen beslissingen.
Zorgregeling
Rechtsmacht en toepasselijk recht
Nu de gewone verblijfplaats van [de minderjarige] in Nederland is, is de Nederlandse rechter bevoegd om naar Nederlands recht te beslissen op het verzoek tot vaststelling van een omgangsregeling
.
Inhoudelijke beoordeling
Partijen worden het niet eens over welke omgangsregeling dient te gelden tussen de man en [de minderjarige] . De man wenst een regeling waarbij hij [de minderjarige] één weekend per vier weken bij zich heeft, alsmede twee weken in de zomervakantie en één week in de andere schoolvakanties. De moeder vindt de door de man voorgestelde regeling te beperkt en wenst een regeling waarbij er minstens om de week omgang is.
De rechtbank overweegt als volgt. De rechtbank ziet dat de vrouw het zwaar heeft en dat het runnen van het huishouden een grote belasting voor haar is. De rechtbank begrijpt dat de vrouw van de man verwacht dat hij zijn verantwoordelijkheid neemt. Het is echter van belang dat de vrouw ook inziet dat het leven na de scheiding gaat veranderen. De rechtbank hoopt dat de vrouw zich meer op de toekomst gaat richten.
Kinderalimentatie
Rechtsmacht en toepasselijk recht
Nu de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft met betrekking tot het echtscheidingsverzoek, heeft hij tevens rechtsmacht met betrekking tot het verzoek tot vaststelling van een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [de minderjarige] . Op het verzoek tot vaststelling van een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [de minderjarige] zal de rechtbank op grond van artikel 3 van Pro het Protocol van 23 november 2007 inzake het recht dat van toepassing is op onderhoudsverplichtingen, Nederlands recht toepassen.
Inhoudelijke beoordeling
De rechtbank geeft partijen alvast mee dat in het kader van de behoefte zal worden gerekend met een huishouden met drie kinderen. Ten aanzien van de draagkracht van de man zal de rechtbank uitgaan van de inkomensgegevens van de man zoals nu bekend, tenzij na de aanhouding blijkt dat de man inmiddels zijn baan is verloren.
Partneralimentatie
Rechtsmacht en toepasselijk recht
Nu de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft met betrekking tot het echtscheidingsverzoek, heeft hij tevens rechtsmacht met betrekking tot het alimentatieverzoek. Op het verzoek tot alimentatie voor de vrouw zal de rechtbank op grond van artikel 3 van Pro het Protocol van 23 november 2007 inzake het recht dat van toepassing is op onderhoudsverplichtingen, Nederlands recht toepassen.
Inhoudelijke beoordeling
De rechtbank verwijst hierbij ook naar de overwegingen ten aanzien van de bruidsgave.
Bruidsgave
Ter zitting is geprobeerd een schikking te bereiken. In dat kader zijn door partijen twee mogelijke scenario’s aan de rechtbank voorgelegd. De rechtbank heeft geprobeerd met partijen mee te denken, maar dit heeft niet tot overeenstemming geleid. De rechtbank benadrukt dat nu de schikkingspogingen op voornoemde basis zonder succes zijn gestrand, de rechtbank haar eigen beoordeling (weer) voorop stelt.
De rechtbank acht zich onvoldoende voorgelicht ten aanzien van het verzoek met betrekking tot de bruidsgave. Dit ligt mede aan de omstandigheid dat het verzoek pas kort voor de zitting is ingediend. Zoals ter zitting is besproken, zal de rechtbank iedere beslissing ten aanzien van de bruidsgave aanhouden voor de duur van drie maanden zodat de man de gelegenheid krijgt om zich uit te laten over dit verzoek. Na ontvangst van het standpunt van de man, krijgt de vrouw de gelegenheid om binnen twee weken hierop te reageren. Na ontvangst van een eventuele reactie van de vrouw, dienen partijen zich binnen twee weken uit te laten over of zij nog een zitting of schriftelijke ronde wensen of dat de rechtbank uitspraak kan doen. De rechtbank zal, op basis van de ingenomen standpunten van partijen, een beslissing nemen over de verdere voortgang van de procedure.
De rechtbank overweegt in dat verband dat het de bedoeling is dat partijen zich met name uitlaten over de bruidsgave en enkele nader te noemen aspecten van de financiële afwikkeling van de huwelijksgemeenschap.
De rechtbank geeft partijen in het kader van de bruidsgave nog het volgende mee. De rechtbank is zich ervan bewust dat het toepasselijke recht, c.q. de sleutel van de redelijkheid en billijkheid, dan wel de draagkracht van de man, ook raakvlakken kan hebben met de verzochte partneralimentatie en de verdeling van de huwelijksgemeenschap. In dat kader wil de rechtbank partijen niet belemmeren wanneer zij zich nader uitlaten.
Verdeling huwelijksvermogen
Rechtsmacht en toepasselijk recht
Nu de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft met betrekking tot het verzoek tot echtscheiding, heeft hij tevens rechtsmacht ten aanzien van het verzochte met betrekking tot het huwelijksvermogensstelsel van partijen (artikel 5, eerste lid, Verordening huwelijksvermogensstelsels).
De rechtbank gaat bij bepaling van het toepasselijk recht uit van het volgende. Nu de echtgenoten blijkens de huwelijksakte op [datum] 2003 te [plaats] , [land] , met elkaar zijn gehuwd, is het Haags Huwelijksvermogensverdrag 1978 van toepassing op het huwelijksvermogensregime.
Niet is gebleken dat de echtgenoten vóór het huwelijk een geldige rechtskeuze hebben uitgebracht. Ten tijde van de huwelijkssluiting hadden partijen de [nationaliteit] . Blijkens het uittreksel uit het systeem ingevolge de Wet basisregistratie personen heeft de man zich op 25 juni 2013 in Nederland ingeschreven en de vrouw op 11 september 2014. Het huwelijksvermogensregime wordt krachtens artikel 4, tweede lid onder 2 sub b, van dit verdrag beheerst door het Iraanse recht, nu de echtgenoten kennelijk hun eerste gewone verblijfplaats na de huwelijkssluiting hebben gevestigd in [land] en zij op dat moment allebei de [nationaliteit] hadden.
Nadien heeft zich echter de situatie voorgedaan zoals omschreven in artikel 7 lid 2 sub Pro 1 van het Verdrag. Partijen hebben in 2019 de Nederlandse nationaliteit verkregen, waardoor vanaf dat moment Nederlands recht op het huwelijksvermogensregime van toepassing is geworden. Dit betekent dat in de periode van 17 juli 2003 tot 2019 Iraans recht van toepassing is op het huwelijksvermogensregime en dat vanaf 2019 Nederlands recht van toepassing is geworden op het huwelijksvermogensregime. Dit wordt het ‘wagonstelsel’ genoemd. Het Nederlands recht beheerst alleen de goederen die de echtgenoten ná de wijziging, dus na 2019, hebben verkregen. De eerder verkregen goederen blijven vallen onder het recht waaronder zij zijn verkregen, het Iraanse recht.
Iraans recht
Het huwelijksgoederenregime naar Iraans recht houdt in een algehele uitsluiting van iedere gemeenschap. Er is sprake van een stelsel van scheiding van goederen. Hetgeen ieder van de echtgenoten voorafgaand en tijdens het huwelijk hebben verworven, is en blijft privé-eigendom van de echtgenoot die het betreffende goed heeft verworven. Wel is het mogelijk dat echtgenoten goederen gemeenschappelijk hebben als gevolg van een gemeenschappelijke verkrijging. Ten aanzien van schulden geldt gegeven het wettelijk stelsel dat iedere echtgenoot aansprakelijk is voor de zelf aangegane schulden. In de regel worden schulden toegerekend aan degene op wiens naam deze staan.
Omvang huwelijksgoederengemeenschap
Door partijen zijn de volgende bestanddelen en schulden van de gemeenschap (opnieuw) naar voren gebracht:
de echtelijke woning te [adres] en bijbehorende hypothecaire lening
de bankrekeningen
de inboedel
e auto
de echtelijke woning en inboedel
Ter zitting is gesproken over de mogelijke overwaarde van de woning. Voor het nemen van een beslissing (waarbij mogelijk ook de bruidsgave betrokken is) ontvangt de rechtbank graag van partijen recente gegevens over de (over)waarde van de woning.
de bankrekeningen
Partijen zijn het erover eens dat de bankrekeningen worden voortgezet door degene op wiens naam de betreffende bankrekening staat. De rechtbank verneemt graag van partijen of zij voortzetting van de bankrekeningen met verrekening van de saldi wensen of dat zij ieder de eigen bankrekening(en) zullen voortzetten, zonder verrekening.
de auto
De rechtbank acht zich voldoende geïnformeerd om een beslissing te nemen ten aanzien van de auto, zodat partijen zich hierover niet meer behoeven uit te laten.
Voortgang procedure
Zoals hiervoor reeds uiteengezet, zal de rechtbank partijen in de gelegenheid stellen zich verder uit te laten over een aantal punten. De rechtbank zal daarom de zaak pro forma aanhouden tot
1 juni 2026, waarbij geldt dat de man zich uiterlijk op
23 april 2026dient uit te laten over de bruidsgave, de overwaarde van de echtelijke woning en de gewenste afwikkeling van de saldi op de bankrekeningen. De vrouw dient vervolgens uiterlijk op
7 mei 2026te reageren op de stukken van de man, waarbij zij zich ook dient uit te laten over de overwaarde van de echtelijke woning en de gewenste afwikkeling van de saldi op de bankrekeningen. Vervolgens dienen beide partijen zich uiterlijk op
21 mei 2026uit te laten over de gewenste voortgang van de procedure.
De rechtbank zal na ontvangst van de stukken en na afloop van de reactietermijn voor partijen bepalen op welke wijze de procedure wordt voortgezet.
In geval van het onverhoopt niet en/of niet tijdig voldoen aan het bovenstaande zal de rechtbank daaraan op grond van artikel 22 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering de gevolgen kunnen verbinden die zij gepast acht.
De rechtbank zal iedere verdere beslissing ten aanzien van de zorgregeling, kinderalimentatie, partneralimentatie, bruidsgave en de verdeling aanhouden.

Beslissing

De rechtbank:
*
spreekt de echtscheiding uit tussen partijen, gehuwd op [datum] 2003 te [plaats] , [land] ;
*
bepaalt dat voortaan alleen aan de vrouw, [de vrouw] , geboren op [geboortedatum 4] 1976 te [geboorteplaats] , [land] , het gezag zal toekomen over
[de minderjarige], geboren op [geboortedatum 1] 2012 te [geboorteplaats] , [land] , en verklaart deze gezagsvoorziening uitvoerbaar bij voorraad;
*
bepaalt de verdere voortgang van de procedure op de wijze zoals hiervoor is weergegeven onder het kopje ‘voortgang procedure’;
*
houdt iedere verdere beslissing
ten aanzien van de zorgregeling, de kinder- en partneralimentatie, de bruidsgave en de verdeling van de huwelijksgemeenschapaan tot
1 juni 2026 pro forma.
Deze beschikking is gegeven door mr. C.G. Meeder, rechter, tevens kinderrechter, bijgestaan door mr. N.C. Gantenbein als griffier, en uitgesproken op de openbare zitting van 30 januari 2026.