De rechtbank Den Haag behandelde op 30 januari 2026 een verzoek van de Raad voor de Kinderbescherming om een gecertificeerde instelling te benoemen als voogd over een minderjarige wiens moeder onder curatele is gesteld. De moeder is vanwege haar lichamelijke of geestelijke toestand niet in staat het gezag uit te oefenen. De minderjarige verblijft in een gezinshuis en heeft een bovengemiddelde zorgbehoefte.
De moeder was niet aanwezig bij de zitting, maar de rechtbank oordeelde dat zij ondanks haar curatele voldoende bekwaam is om haar belangen te waarderen en daarom als belanghebbende wordt aangemerkt. De moeder is echter onbevoegd het gezag uit te oefenen vanwege de curatele. De Raad en de gecertificeerde instelling stelden dat de instelling het beste in staat is om de continuïteit van zorg en noodzakelijke hulpverlening te waarborgen.
De rechtbank achtte het belang van de minderjarige gediend met de benoeming van de gecertificeerde instelling als voogd. De moeder en andere familieleden zijn nauwelijks bereikbaar of niet bereid de voogdij op zich te nemen. De beschikking werd daarom toegewezen en de gecertificeerde instelling benoemd tot voogd, met onmiddellijke ingang.