Eiser, een schrijver van Omaanse nationaliteit, diende op 30 september 2025 een asielaanvraag in die door de minister van Asiel en Migratie op 27 oktober 2025 werd afgewezen. De minister oordeelde dat de problemen van eiser met de Omaanse autoriteiten niet zwaarwegend genoeg waren voor internationale bescherming en vaardigde een terugkeerbesluit uit.
Eiser stelde dat hij vanwege zijn kritische verhalen en politieke overtuigingen in Oman werd vervolgd, gevangen gezet en onder censuur stond, waardoor hij niet in zijn levensonderhoud kon voorzien. De rechtbank oordeelde dat de minister de geloofwaardigheid van deze verklaringen niet had getoetst en de zaak ten onrechte had afgedaan via de pilot zwaarwegendheid.
De rechtbank stelde vast dat verweerder niet alle verklaringen van eiser als uitgangspunt had genomen en onvoldoende actuele informatie had gebruikt om de vrees voor vervolging te weerleggen. De rechtbank volgde eiser in zijn stellingen over repressie, censuur en het ontbreken van effectieve bescherming in Oman.
Daarom verklaarde de rechtbank het beroep gegrond, vernietigde het bestreden besluit en droeg de minister op binnen zes weken een nieuw besluit te nemen. Tevens werd verweerder veroordeeld tot betaling van de proceskosten van eiser.