Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:4113

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
20 januari 2026
Publicatiedatum
2 maart 2026
Zaaknummer
NL24.10155
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 31 VwArt. 29 VwArt. 15 Kwalificatierichtlijn
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging besluit afwijzing asielaanvraag Colombiaanse nationaliteit wegens motiveringsgebrek

Eiser, van Colombiaanse nationaliteit, diende een asielaanvraag in na meerdere bedreigingen en aanvallen door een criminele bende in Colombia. De minister wees de aanvraag af wegens onvoldoende aannemelijkheid van persoonlijk risico en ongeloofwaardigheid van de verklaringen over doodsbedreigingen.

De rechtbank oordeelt dat de minister de verklaringen over de doodsbedreigingen niet ten onrechte ongeloofwaardig heeft gevonden, maar constateert een motiveringsgebrek omdat het besluit geen beoordeling bevatte van het huidige landenbeleid en artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn.

De rechtbank vernietigt het besluit vanwege dit gebrek, maar laat de rechtsgevolgen in stand omdat de minister in een aanvullend verweerschrift alsnog een individuele beoordeling maakte en concludeerde dat eiser geen verhoogd risico loopt.

Eiser krijgt een proceskostenvergoeding van €2.335 toegewezen. De afwijzing van de asielaanvraag blijft daarmee van kracht.

Uitkomst: Het besluit tot afwijzing van de asielaanvraag wordt vernietigd wegens motiveringsgebrek, maar de afwijzing blijft in stand; eiser krijgt proceskostenvergoeding.

Uitspraak

uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
[V-nummer]
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] ,

geboren op [geboortedag] 1996, van Colombiaanse nationaliteit, eiser (gemachtigde: mr. B.J.P.M. Ficq),
en

de minister van Asiel en Migratie, de minister (gemachtigde: mr. B. Goossens).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn asielaanvraag. Eiser heeft op 10 februari 2023 een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De minister heeft met het bestreden besluit van 13 februari 2024 deze aanvraag afgewezen als ongegrond.
1.1.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. De minister heeft een verweerschrift ingediend.
1.2.
De rechtbank heeft het beroep op 11 december 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, D.P. Navarrete als tolk en de gemachtigde van de minister. Op de zitting heeft de rechtbank het onderzoek gesloten.
Daarna is gebleken dat het onderzoek niet volledig is geweest. De rechtbank heeft het onderzoek daarom met de heropeningsbeslissing van 15 december 2025 heropend. Daarbij heeft zij de minister verzocht zijn ter zitting ingenomen standpunt schriftelijk te onderbouwen.
1.3.
De minister heeft bij brief van 19 december 2025 gereageerd met een schriftelijke reactie. Eiser heeft op 9 januari 2026 schriftelijk op het standpunt van de minister gereageerd. Nadat geen van de partijen heeft aangegeven een (nadere) zitting te wensen, is het onderzoek gesloten.

Beoordeling door de rechtbank

Asielrelaas
2. Eiser legt aan zijn asielaanvraag het volgende ten grondslag. Eiser heeft de Colombiaanse nationaliteit. Hij is op 14 december 2022 onder vuur genomen door twee onbekende mannen. Op 21 december 2022 ontving hij dreigende spraakberichten en daarna werd hij een aantal keer gebeld en bedreigd. Op 3 januari 2023 hadden ze het wederom op hem gemunt maar kon hij ontkomen. Op 4 februari 2023 is hij opnieuw onder vuur genomen en kon hij ontkomen. Uit ontvangen spraakberichten blijkt dat de Banda del Hueco achter deze bedreigingen en aanvallen zit. Omdat zij in heel Colombia actief zijn, heeft eiser besloten Colombia te ontvluchten.

Het bestreden besluit

3. Het asielrelaas van eiser bevat volgens de minister de volgende asielmotieven:
Identiteit, nationaliteit en herkomst;
Doodsbedreigingen door de criminele bende ‘Banda del Hueco’.
3.1
De minister acht het eerste asielmotief geloofwaardig, maar acht het tweede motief ongeloofwaardig. De minister overweegt, kort samengevat, dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij persoonlijk is bedreigd. Daarbij wordt betrokken dat eiser bewijsstukken van de gestelde dreigingen heeft verwijderd. Verder heeft eiser vaag verklaard over de persoon ( [persoon] ) die hem zou hebben bedreigd. De door eiser overgelegde kopieën van de aangifte en het doorverwijzingsformulier van het Openbaar Ministerie naar de politie maken volgens de minister bovendien niet zonder meer aannemelijk dat de bedreigingen hebben plaatsgevonden. Daarnaast wijst de verklaring van eiser bij de Koninklijke Marechaussee, waarin hij aangaf voor toerisme naar Nederland te zijn gekomen, erop dat zijn asielaanvraag niet voortkomt uit een oprechte vrees voor zijn leven. De minister concludeert dat eiser niet kan worden aangemerkt als vluchteling of een reëel risico op ernstige schade loopt bij terugkeer naar Colombia. De minister heeft daarom de aanvraag afgewezen als ongegrond.1
Wat vindt eiser in beroep?
4. Eiser voert aan dat de minister zijn standpunt dat de verklaringen van eiser over de doodsbedreigingen ongeloofwaardig zijn onvoldoende heeft gemotiveerd. In dat kader merkt hij op dat, ook al kan hij het motief van de doodsbedreigingen niet duiden, de aanslagen en bedreigingen wel hebben plaatsgevonden. Hij heeft een bewijs van aangifte overgelegd, waaraan te weinig bewijswaarde is toegekend. Dat [persoon] door de vriend van eiser op Facebook is gevonden, is wellicht toevallig, maar maakt dit niet ongeloofwaardig. Bovendien miskent de minister, voor wat betreft het sparen voor de reis en het vluchtgedrag, dat eiser de gewoonte had geld te sparen en niet bekend was met de gang van zaken rondom het aanvragen van asiel. Verder voert eiser aan dat de minister in het kader van terugkeer naar Colombia heeft nagelaten om een individuele beoordeling te verrichten in het kader van
artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn2. Eiser heeft daarbij gewezen op het gewijzigde landenbeleid voor Colombia. Zo komt eiser uit een gebied waar sprake is van een relatief lage mate van willekeurig geweld als gevolg van een gewapend conflict. Eiser heeft op zitting persoonlijke risico verhogende factoren naar voren gebracht, te weten zijn Afro-Colombiaanse afkomst en zijn economische situatie. Volgens eiser heeft de minister onvoldoende kenbaar de algemene veiligheidssituatie en zijn persoonlijke omstandigheden bij de beoordeling betrokken.
Geloofwaardigheid doodsbedreigingen
5. De rechtbank is van oordeel dat de minister eisers verklaringen over de doodsbedreigingen niet ten onrechte ongeloofwaardig heeft gevonden. Hierbij stelt de rechtbank voorop dat het aan eiser is om de feiten en omstandigheden die aan zijn asielaanvraag ten grondslag liggen, tegenover de minister aannemelijk te maken. Dat is niet hetzelfde als op elke tegenwerping een reactie geven die op zichzelf wellicht plausibel zou kunnen zijn.
5.1.
De rechtbank is daarbij van oordeel dat de minister eiser heeft mogen tegenwerpen dat hij onduidelijk heeft verklaard over het motief van de bende om specifiek eiser te bedreigen. De minister heeft daarbij mogen verwijzen naar pagina 16 van het nader gehoor. Ook heeft de minister mogen tegenwerpen dat het volstaan van eiser met het idee dat de doodsbedreigingen verband houden met zijn welvaart, en dat dit volgens eiser in het algemeen voorkomt bij economisch getroffen personen, onvoldoende is om aan te nemen dat juist eiser door deze bende wordt bedreigd. Daarnaast heeft de minister
ongerijmd mogen vinden dat eiser wel bijna een maand bewijs van de bedreigingen heeft bewaard op zijn telefoon om bij de aangifte te kunnen tonen, maar deze niet heeft bewaard om zijn asielrelaas te kunnen onderbouwen.
5.2.
Ten aanzien van de aangifte, heeft de minister zich op het standpunt mogen stellen dat de aangifte als bewijs op zichzelf genomen onvoldoende is, nu de daarin opgenomen verklaringen zonder aanvullend bewijs slechts uitingen van eiser zijn en niet aantonen dat de doodsbedreigingen hebben plaatsgevonden. Bovendien heeft de minister niet ten onrechte overwogen dat het bevreemding wekt dat eiser heeft verklaard dat hij begin december is begonnen met sparen voor de vlucht, terwijl hij anderzijds heeft verklaard dat zijn problemen begonnen op 14 december 2022. Ook heeft de minister aan eiser kunnen tegenwerpen dat het gegeven dat eiser een optie op een hotel in Parijs had, niet bijdraagt aan de geloofwaardigheid van zijn reisdoel. Wat betreft de foto van [persoon] , overweegt de rechtbank als volgt. Daargelaten of de, zoals ter zitting door eiser verduidelijkt, zoektocht via Facebook daadwerkelijk heeft kunnen leiden tot de foto van [persoon] , neemt dit niet weg dat het zwaartepunt ligt bij de doodsbedreigingen zelf en het ontbreken van voldoende onderbouwing daarvoor, waardoor de minister deze niet geloofwaardig heeft hoeven achten.
Terugkeer naar Colombia: reëel risico op ernstige schade?
6. Op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, onderdeel 3, van de Vw kan een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd asiel worden verleend aan de vreemdeling die aannemelijk heeft gemaakt dat hij gegronde redenen heeft om aan te nemen dat hij bij uitzetting een reëel risico loopt om te worden onderworpen aan ernstige en individuele bedreiging van het leven of de persoon van een burger als gevolg van willekeurig geweld in het kader van een internationaal of binnenlands gewapend conflict. Deze bepaling is de implementatie van artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn3.
6.1.
Het Hof4 heeft in het arrest X en Y5 nader uitleg gegeven over de toepassing van artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn. Uit dit arrest volgt dat ook bij een mindere mate van willekeurig geweld sprake kan zijn van een reëel risico op ernstige schade vanwege willekeurig geweld in het kader van een gewapend conflict. Dat is het geval als de betreffende vreemdeling met individuele elementen aannemelijk kan maken dat hij een verhoogd risico daarop loopt. Dit is de zogenaamde ‘minder uitzonderlijke situatie’ en hierbij geldt een glijdende schaal: hoe meer willekeurig geweld er plaatsvindt,
hoe minder individuele elementen nodig zijn om een reëel risico op ernstige schade aan te nemen.6
6.2.
De rechtbank stelt voorop dat de minister begin 2025 het landenbeleid voor Colombia heeft gewijzigd7. Uit paragraaf C7/10.4.2 van de Vc8 volgt dat voor een aantal departementen in Colombia, waaronder Valle del Cauca, wordt aangenomen dat sprake is van een relatief lager niveau van willekeurig geweld. Tussen partijen is niet in geschil dat eiser afkomstig is uit het district Valle del Cauca. Dit betekent dat de minister had moeten beoordelen of er elementen zijn die verband houden met de individuele situatie en persoonlijke omstandigheden van eiser die zodanig relevant zijn dat het niveau
van willekeurig geweld meebrengt dat subsidiaire bescherming vanwege ernstige schade als bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn moet worden geboden. De minister heeft in het bestreden besluit enkel overwogen dat het feit dat eiser uit Colombia komt op zichzelf niet genoeg is om een risico op ernstige schade aan te nemen. In de besluitvorming ontbreekt een beoordeling in het licht van het huidige landenbeleid en in het kader van artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn. Daarmee kleeft aan het betreden besluit een motiveringsgebrek. De rechtbank zal om die reden het beroep gegrond verklaren en het bestreden besluit vernietigen. De volgende vraag is of de rechtsgevolgen van het bestreden besluit desondanks in stand kunnen blijven.
6.3.
De minister heeft in zijn aanvullend verweerschrift van 19 december 2025 alsnog een individuele beoordeling gemaakt in het kader van artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn, en daarbij ook de persoonlijke situatie van eiser betrokken. Daarbij is acht geslagen op het arrest van het Hof in de zaak X en Y. De minister heeft zich op het standpunt gesteld dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij vanwege zijn individuele situatie en persoonlijke omstandigheden meer risico loopt om slachtoffer te worden van willekeurig geweld dan anderen. Hieronder zal de rechtbank nagaan of de minister met de aanvullende motivering in het verweerschrift van 19 december 2025 het geconstateerde motiveringsgebrek in het bestreden besluit heeft hersteld.
6.4.
De rechtbank volgt de minister in zijn standpunt dat de door eiser gestelde individuele omstandigheden niet leiden tot een verhoogd risico in de zin van artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn. Eiser heeft als persoonlijke omstandigheden naar voren gebracht dat hij een Afro-Colombiaanse afkomst heeft en economisch welgesteld is. De minister heeft kunnen concluderen dat uit het ambtsbericht9 niet volgt dat Afro-Colombianen een verhoogd risico lopen om bedreigd te worden, en dat volgens het geldend landenbeleid voor Colombia welvarende burgers niet als risicogroep worden aangemerkt. Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling kan een ambtsbericht worden aangemerkt als een deskundigenadvies en mag de minister van de juistheid van die informatie uitgaan, tenzij concrete aanknopingspunten bestaan voor twijfel aan de juistheid of volledigheid ervan. De verwijzing van eiser naar onder meer het EUAA10-rapport over Colombia11 brengt niet met zich dat de minister had moeten aannemen dat eiser een verhoogd risico loopt op ernstige schade als gevolg van willekeurig geweld in het kader van een internationaal of binnenlands gewapend conflict. Daar komt bij dat de minister de gestelde doodsbedreigingen niet ten onrechte ongeloofwaardig heeft geacht. Mede gelet hierop stelt de rechtbank vast dat de minister terecht heeft geoordeeld dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij vanwege zijn individuele situatie en persoonlijke omstandigheden meer risico loopt om slachtoffer te worden van willekeurig geweld dan anderen.

Conclusie en gevolgen

7. Omdat de minister in het bestreden besluit geen beoordeling heeft gemaakt in het kader van artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn, was de motivering van het bestreden besluit gebrekkig. Het beroep is daarmee gegrond en het bestreden besluit zal daarom worden vernietigd. Zoals in overweging 6.4 is overwogen, kan de aanvullende motivering het besluit dragen. Daarom kunnen de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit, op de gronden zoals in deze uitspraak vermeld, in stand worden gelaten. Dit betekent dat de afwijzing van de aanvraag blijft staan.
8. Omdat het beroep wel gegrond is in verband met het motiveringsgebrek krijgt eiser een vergoeding van zijn proceskosten. De minister moet deze vergoeding betalen. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 2.335,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen op zitting en 0,5 punt voor het indienen van een schriftelijke zienswijze na een informele lus, met een waarde per punt van € 934,-en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- bepaalt dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand blijven;
- veroordeelt de minister tot betaling van € 2.335,- aan proceskosten aan eiser.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.B. de Boer, rechter, in aanwezigheid van mr. H. El Ouahabi, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
1. Op grond van artikel 31, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw).
2 Richtlijn 2011/95/EU.
3 Richtlijn 2011/95/EU.
4 Het Hof van Justitie van de Europese Unie.
5 Arrest van 9 november 2023, ECLI:EU:C:2023:843, zaaknummer C-125/22.
6 Zie uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 17 juli 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2927, r.o. 5.3.
7 Zie kamerbrief over landenbeleid Colombia, 30 januari 2025 (kenmerk: 5865377) en WBV 2025/5, 5 februari 2025.
8 Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc).
9 Algemeen ambtsbericht Colombia, juni 2025.
10 European Union Agency for Asylum.
11 In het EUAA-rapport worden diverse groeperingen als doelwitten van geregistreerde geweldsincidenten vermeld, waaronder sociale leiders, boeren, veehouders, inheemse groepen, arbeidersgroepen, politieke figuren, voormalige guerrillastrijders en Afro-Colombiaanse etnische groepen.