ECLI:NL:RBDHA:2026:4118

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
18 februari 2026
Publicatiedatum
2 maart 2026
Zaaknummer
C/09/679204 / HA ZA 25-103
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1 EP EVRMArt. 17 EU HandvestArt. 4.1199c Besluit activiteiten leefomgevingRichtlijn 91/676/EEGRichtlijn 2000/60/EG
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bufferstrookverplichting langs waterlopen niet onrechtmatig jegens landbouwbedrijven

Eiseressen exploiteren landbouwbedrijven en zijn verplicht bufferstroken langs waterlopen aan te houden waarop bemesting verboden is, op grond van artikel 4.1199c van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal). Zij stellen dat deze verplichting een ongeoorloofde inmenging in hun eigendom vormt volgens artikel 1 Eerste Pro Protocol EVRM en artikel 17 EU Pro Handvest, en vorderen vernietiging van de regeling en schadevergoeding.

De rechtbank stelt vast dat de bufferstrookverplichting een wettelijke regulering is die een legitiem algemeen belang dient, namelijk het voorkomen van eutrofiëring van oppervlaktewater, conform de Nitraatrichtlijn en de Kaderrichtlijn Water. De verplichting is een implementatie van een Europese derogatiebeschikking, die de Staat verplicht is na te leven.

De rechtbank toetst de bufferstrookverplichting aan het recht op ongestoord genot van eigendom en concludeert dat er sprake is van een redelijke verhouding tussen doel en middel (fair balance). De individuele last voor eiseressen is relatief beperkt (circa 1,6% en 2% van hun landbouwgrond) en zij hebben onvoldoende onderbouwd dat zij een abnormale of speciale last dragen. De vorderingen worden daarom afgewezen.

Eiseressen worden veroordeeld in de proceskosten. De rechtbank verklaart de veroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Uitkomst: De rechtbank wijst de vorderingen van eiseressen af en bevestigt de rechtmatigheid van de bufferstrookverplichting.

Uitspraak

RECHTBANK Den Haag

Team Handel
Zaaknummer: C/09/679204 / HA ZA 25-103
Vonnis van 18 februari 2026
in de zaak van

1.[eiseres 1] , te [vestigingsplaats 1] , gemeente [gemeente 1] ,

hierna te noemen: [eiseres 1] ,
2.
[eiseres 2], te [vestigingsplaats 2] , gemeente [gemeente 2] ,
hierna te noemen: [eiseres 2] ,
eisende partijen,
advocaat: mr. G.J.M. de Jager,
tegen
DE STAAT DER NEDERLANDEN (Ministerie Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur), te Den Haag,
gedaagde partij,
hierna te noemen: de Staat,
advocaat: mr. J.S. Procee.
[eiseres 1] en [eiseres 2] worden hierna gezamenlijk eiseressen genoemd.

1.Waar deze zaak over gaat

1.1.
Eiseressen exploiteren landbouwbedrijven en zijn verplicht op hun landbouwgrond langs waterlopen zogeheten bufferstroken aan te houden waarop bemesting verboden is. Volgens eiseressen is de wetgeving waarin deze bufferstrookverplichting is opgenomen een ongeoorloofde inmenging in hun eigendom als bedoeld in artikel 1 Eerste Pro Protocol (EP) bij het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) of artikel 17 EU Pro Handvest, en daarmee onrechtmatig.
1.2.
De rechtbank komt tot het oordeel dat de bufferstrookverplichting niet onrechtmatig is jegens eiseressen.

2.De procedure

2.1.
Het procesdossier bestaat uit de volgende stukken:
- de dagvaarding van 27 januari 2025, met de producties 1-9;
- de conclusie van antwoord, met de producties 1-19;
- de akte aanvullende producties van de Staat, met de producties 20 en 21;
- de akte aanvullende producties van eiseressen, met de producties 10, 11 en 12;
- het schriftelijk pleidooi van eiseressen, met de producties 13 en 14;
- het schriftelijk pleidooi van de Staat.
2.2.
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 19 december 2025. Partijen hebben vragen van de rechtbank beantwoord en op elkaar gereageerd. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat tijdens de mondelinge behandeling is besproken.
2.3.
Ten slotte is een datum voor vonnis bepaald.

3.De feiten

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.
3.1.
[eiseres 1] is een landbouwbedrijf met als activiteiten akker- en of/tuinbouw in
combinatie met het fokken en houden van dieren. [eiseres 1] is gevestigd aan de
[adres 1] . De maatschap bestaat uit drie maten.
3.2.
[eiseres 2] is een landbouwbedrijf met als activiteiten teelt van aardappels en overige wortel- en knolgewassen. [eiseres 2] is gevestigd aan de [adres 2] . De maatschap heeft drie maten.
3.3.
Zowel [eiseres 1] als [eiseres 2] houden op hun landbouwgrond bufferstroken aan overeenkomstig het bepaalde in artikel 4.1199c Besluit activiteiten Leefomgeving.

4.Het geschil

4.1.
Eiseressen vorderen, na wijziging van eis, samengevat, dat de rechtbank bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:
I voor recht verklaart dat het Besluit en de Uitvoeringsregeling voor zover deze strekt(en) tot het in acht moeten nemen van bufferstroken op de bedrijven van eiseressen onverbindend zijn (geweest), althans:
a) voor recht verklaart dat de Uitvoeringsregeling jegens hen buiten toepassing gelaten had moeten worden omdat niet is voorzien in een schadeloosstelling;
b) voor recht verklaart dat het Besluit jegens hen buiten toepassing moet blijven, zolang niet is voorzien in een adequate compensatie van de schade die eiseressen hebben geleden, lijden en zullen lijden als gevolg van dit Besluit;
II alsmede de Staat veroordeelt tot betaling aan eiseressen van de door hen geleden schade, zulks op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet;
III de Staat veroordeelt in de kosten van de onderhavige procedure.
4.2.
De Staat voert verweer. De Staat concludeert tot niet-ontvankelijkheid van eiseressen dan wel tot afwijzing van hun vorderingen, met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van eiseressen in de kosten van deze procedure.
4.3.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

5.De beoordeling

I. Inleiding
5.1.
In deze zaak staat centraal of de bufferstrookverplichting een ongeoorloofde inmenging inhoudt in het eigendom van eiseressen als bedoeld in artikel 1 EP Pro EVRM of artikel 17 EU Pro Handvest en daarmee jegens eiseressen onrechtmatig is.
5.2.
De bufferstrookverplichting is ingevoerd omdat de Europese Commissie (hierna: de Commissie) deze verplichting als voorwaarde heeft opgenomen in de op 30 september 2022 aan Nederland verleende derogatiebeschikking. Op grond van deze beschikking – die gold tot en met 31 december 2025 – kon per hectare per jaar meer stikstof uit dierlijke mest op of in de bodem worden gebracht dan de norm van 170 kg uit de Europese Nitraatrichtlijn [1] (hierna: de Nitraatrichtlijn). Nederland heeft de bufferstrookverplichting geïmplementeerd in artikel 4.1199c van het Besluit activiteiten leefomgeving (hierna: het Bal).
5.3.
De rechtbank zal eerst (de achtergrond van) de relevante regelgeving weergeven.
II. Relevant regelgeving wat betreft bufferstroken
Nitraatrichtlijn
5.4.
De Nitraatrichtlijn vormt de belangrijkste basis van het mestbeleid in
Nederland. De Nitraatrichtlijn heeft volgens artikel 1 tot Pro doel (1) de waterverontreiniging die wordt veroorzaakt of teweeggebracht door nitraten uit agrarische bronnen te verminderen, en (2) verdere verontreiniging van dien aard te voorkomen. Om die doelen te bereiken, verplicht de Nitraatrichtlijn de lidstaten een aantal maatregelen te nemen. Zo zijn de lidstaten verplicht de wateren te identificeren die door nitraatverontreiniging worden getroffen en dreigen te worden getroffen. Daarnaast moeten lidstaten de stukken land die afwateren in deze wateren en die tot verontreiniging bijdragen aanwijzen als ‘kwetsbare zones’ (artikel 3, eerste en tweede lid, van de Nitraatrichtlijn).
5.5.
Bijlage 1 van de Nitraatrichtlijn (hierna: Bijlage I) bevat onder andere de volgende criteria met behulp waarvan de kwetsbare zones worden vastgesteld:
‘1. of zoet oppervlaktewater, in het bijzonder indien gebruikt of bestemd voor de winning van drinkwater, een hogere dan die in Richtlijn 75/440/EEG vastgestelde nitraatconcentratie bevat of zou kunnen bevatten indien de maatregelen overeenkomstig artikel 5 achterwege Pro blijven;
2. of grondwater meer dan 50 mg nitraat per liter bevat of zou kunnen bevatten indien de maatregelen overeenkomstig artikel 5 achterwege Pro blijven;
3. of natuurlijke zoetwatermeren, andere zoetwatermassa’s, estuaria, kustwateren en zeewater eutroof blijken te zijn of in de nabije toekomst eutroof zouden kunnen worden indien de maatregelen overeenkomstig artikel 5 achterwege Pro blijven.’
5.6.
De eerste twee criteria genoemd in Bijlage 1 zien op de zogeheten ‘drinkwaternorm’
voor grond- en oppervlaktewater. Het derde criterium is kort gezegd het voorkomen
van eutrofiëring.
5.7.
Om de in artikel 1 genoemde Pro doelstellingen van de Nitraatrichtlijn te bereiken moeten de lidstaten voor de aangewezen kwetsbare zones actieprogramma’s ontwikkelen (artikel 5, eerste lid Nitraatrichtlijn), die ten minste bestaan uit de maatregelen als genoemd in bijlage III van de Nitraatrichtlijn (artikel 5, vierde lid, onder a Nitraatrichtlijn). Lidstaten mogen er echter ook voor kiezen om de actieprogramma’s toe te passen op hun hele grondgebied. In dat geval zijn zij op grond van artikel 3, vijfde lid Nitraatrichtlijn, niet gehouden om kwetsbare zones aan te wijzen in de zin van artikel 3, tweede lid Nitraatrichtlijn. Nederland heeft ervoor gekozen de actieprogramma toe te passen op het hele grondgebied.
5.8.
De lidstaten zijn verplicht om hun actieprogramma’s ten minste elke vier jaar te bezien en zo nodig te herzien (artikel 5, zevende lid Nitraatrichtlijn). In de praktijk komt het erop neer dat Nederland elke vier jaar een nieuw actieprogramma opstelt. Het 7e
actieprogramma voor de Nitraatrichtlijn voor de periode 2022-2025 is het meest recente actieprogramma.
5.9.
In het kader van de vierjaarlijkse rapportageverplichting (artikel 10, eerste lid Nitraatrichtlijn ) heeft Nederland in 2020 gerapporteerd over de verslagperiode 2016 tot en met 2019. Uit deze gegevens leidt de Commissie af dat de waterkwaliteit in Nederland nog altijd ontoereikend is om de doelstellingen van de Nitraatrichtlijn te behalen. [2]
Kaderrichtlijn Water
5.10.
De Nitraatrichtlijn hangt nauw samen met de Kaderrichtlijn Water (hierna: de KRW). [3] Ook uit de KRW volgt de verplichting tot het treffen van maatregelen voor een goede waterkwaliteit en van maatregelen die een verdere achteruitgang in de ecologische toestand van grond- en oppervlaktewater voorkomen. De KRW heeft betrekking op emissies, lozingen en stoffenverlies uit alle soorten bronnen, en dus ook uit agrarische bronnen. Om te voldoen aan de doelstelling van de KRW moeten regels worden gesteld voor het gebruik van meststoffen (onder meer vanwege de daarin aanwezige nutriënten fosfor en stikstof) om daarmee de uit- en afspoeling van nutriënten naar grond- en oppervlaktewater te voorkomen en te verminderen. Maatregelen ter uitvoering van de Nitraatrichtlijn maken daarom ook deel uit van het maatregelenprogramma dat op grond van de KRW moet worden opgesteld. [4]
Eutrofiëring van oppervlaktewater en het belang van bufferstroken
5.11.
De Nitraatrichtlijn richt zich onder meer op het voorkomen van eutrofiëring
van oppervlaktewater. Eutrofiëring is een proces van toename van nutriënten in het water, waardoor de planten- en dierensamenstelling niet aan de gewenste situatie voldoet. Oppervlaktewater is kort gezegd eutroof wanneer dat veel stikstof en/of fosfaat bevat en de biologie niet op orde is. Eutrofiëring leidt tot een eenzijdige plantengroei (met name algen), waardoor het zuurstofgehalte daalt en de biodiversiteit onder waterplanten en waterdieren afneemt.
5.12.
Zowel nitraten als fosfor kunnen dergelijke eutrofiëring veroorzaken. De lidstaten zijn verplicht om maatregelen te nemen ter voorkoming of bestrijding van eutrofiëring van het oppervlaktewater door nitraat, maar ook door fosfor. De parameters en eisen die voor eutrofiëring van oppervlaktewater gelden, zijn gebaseerd op de verplichtingen uit de KRW. Ook op dit punt hangt de Nitraatrichtlijn dus nauw samen met de KRW.
5.13.
Stroken langs waterlopen zijn een belangrijk middel om de doelen van de Nitraatrichtlijn en KRW te bereiken. Als die stroken niet worden bemest, kan dit de effecten van uitspoeling en afspoeling vanuit de landbouw op oppervlaktewater verminderen. Dergelijke stroken kunnen op die manier bijdragen aan het bestrijden en/of voorkomen van eutrofiëring van oppervlaktewater.
De derogatiebeschikking
5.14.
De onder de Nitraatrichtlijn vast te stellen actieprogramma’s bevatten in ieder geval de verplichte maatregelen in bijlage III van de Nitraatrichtlijn. Eén van die verplichte maatregelen is het beperken van het op of in de bodem brengen van dierlijke meststof (bijlage III, onder 2, eerste alinea, van de Nitraatrichtlijn). Daarvoor is een gebruiksnorm vastgesteld voor stikstof uit dierlijke mest van 170 kg per hectare per jaar (bijlage III, onder 2, tweede alinea, van de Nitraatrichtlijn).
5.15.
Van deze gebruiksnorm voor dierlijke meststof mag een lidstaat alleen onder strikte
voorwaarden en met goedkeuring van de Commissie afwijken: de derogatie (bijlage III, onder 2, tweede alinea, sub b, van de Nitraatrichtlijn). Op grond van een derogatie kan per hectare per jaar meer stikstof uit dierlijke mest op of in de bodem worden gebracht dan de norm van 170 kg uit de Nitraatrichtlijn. Voor een derogatie bestaat alleen ruimte als geen afbreuk wordt gedaan aan de in artikel 1 genoemde Pro doelstellingen van de Nitraatrichtlijn en de voorgestelde afwijkende gebruiksnorm afdoende kan worden gemotiveerd aan de hand van objectieve criteria zoals genoemd in bijlage III, onder 2, sub b, van de Nitraatrichtlijn.
5.16.
Op verzoek van Nederland heeft de Commissie in 2006 voor het eerst een derogatie verleend. De Commissie heeft de voorwaarden voor de derogatie in de loop der jaren aangescherpt. Op 25 februari 2022 heeft Nederland de Commissie om een nieuwe derogatie verzocht en de Commissie heeft in reactie daarop op 30 september 2022 een derogatiebeschikking gegeven (hierna: de derogatiebeschikking). Door deze derogatiebeschikking mocht tot en met 31 december 2025 onder voorwaarden een hogere gebruiksnorm voor dierlijke meststoffen worden gehanteerd dan de standaard 170 kg-norm uit bijlage III, onder 2, sub a van de Nitraatrichtlijn.
5.17.
De Commissie heeft de derogatiebeschikking onder strenge voorwaarden verleend. Deze zijn in artikel 4 (algemene voorwaarden) en artikelen 7 tot en met 9 (specifieke voorwaarden) van de derogatiebeschikking opgenomen. Daartoe behoort onder meer de bufferstrookverplichting, waarover deze zaak gaat.
Bufferstrookverplichting op grond van de derogatiebeschikking
5.18.
Op grond van artikel 4, lid 5, onder c van de derogatiebeschikking geldt de verplichting om bufferstroken op landbouwgrond langs waterlopen aan te houden waarop
bemesting verboden is. Verdere beperkingen aan het gebruik van de strook dan het
verbod om deze te bemesten stelt deze bufferstrookverplichting overigens niet: op de
zone mag dus bijvoorbeeld wel een gewas geteeld worden, en dat gewas mag ook
bespoten worden met gewasbeschermingsmiddelen of biociden.
5.19.
De bufferstrookverplichting brengt ook nog een ander gevolg met zich. Omdat een landbouwer de bufferstroken niet mag bemesten, tellen deze niet mee bij de berekening van de totale oppervlakte landbouwgrond waarop een landbouwer mest mag gebruiken. Door de bufferstrookverplichting wordt deze zogeheten ‘mestplaatsingsruimte’ dus kleiner en neemt de totale hoeveelheid mest die in Nederland gebruikt kan worden af. De bufferstrook
zorgt er dus niet alleen voor dat er minder mest dichtbij de sloot wordt geplaatst en vervolgens uit- of afspoelt, maar dat ook de algehele uitspoeling op een perceel afneemt.
5.20.
De derogatiebeschikking bepaalt gedetailleerd hoe groot een bufferstrook moet zijn
(artikel 4, lid 5, onder c, sub i t/m iii). De Commissie heeft daarbij ruimte gegeven om
in bepaalde gevallen een kleinere bufferstrook aan te houden, ook wel ‘afschaling’ genoemd.
5.21.
Deze bufferstrookverplichting is in het nationale recht geïmplementeerd in artikel
4.1199c van het Bal. De verplichting is eerst (per 1 maart 2023) geïmplementeerd geweest in de Uitvoeringsregeling bufferstroken (hierna: de Uitvoeringsregeling) [5] . Omdat de grondslag van de Uitvoeringsregeling vanwege de inwerkingtreding van de Omgevingswet grotendeels zou vervallen, is met het Besluit bufferstroken meststoffen (hierna: het Besluit) gewaarborgd dat de regels over de bufferstrookverplichting ook na de inwerkingtreding van de Omgevingswet onverminderd van kracht zouden blijven. Daartoe zijn het Bal en het Uitvoeringsbesluit Meststoffenwet gewijzigd. [6]
5.22.
Artikel 4.1199c van het Bal luidt als volgt:
‘1 Met het oog op het voorkomen of beperken van verontreiniging van een oppervlaktewaterlichaam worden op landbouwgrond gelegen in een bufferstrook geen meststoffen op of in de bodem gebracht. De breedte van de bufferstrook voldoet aan tabel 4.1199c.
2 De breedte van de bufferstrook wordt vanaf de insteek van het oppervlaktewaterlichaam en over de grond gemeten. In afwijking hiervan wordt:
a. bij een oppervlaktewaterlichaam met een flauw talud dat over de grond gemeten vanaf de waterlijn tot aan de insteek ten minste 200 cm breed is en dat een helling heeft die niet steiler is dan 1:3 de bufferstrook gemeten vanaf 100 cm vanaf de waterlijn;
b. bij een oppervlaktewaterlichaam zonder talud de bufferstrook gemeten vanaf de waterlijn.
3 In afwijking van het eerste lid is de breedte van de bufferstrook gelijk aan de breedte van de teeltvrije zone, bedoeld in artikel 4.723i, als die teeltvrije zone breder is dan de in dit artikel voorgeschreven breedte van de bufferstrook.
4 In dit artikel wordt onder landbouwgrond verstaan: grond die de landbouwer, bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder gg, van de Meststoffenwet, in eigendom, in pacht of in gebruik heeft en voor het beheer waarvan hij rechtstreeks verantwoordelijk is.
5 Voor de toepassing van dit artikel wordt in uiterwaarden en buitendijkse gebieden onder oppervlaktewaterlichaam verstaan: beddingen waarin op het moment van het op of in de bodem brengen van meststoffen aan het aardoppervlak en de openlucht grenzend water voorkomt.’
5.23.
Bij artikel 4.1199c van het Bal is een tabel gevoegd waarin de minimale breedte van de bufferstrook en de afschalingsmogelijkheden schematisch worden weergegeven:
Soort oppervlaktelichaam
Minimale breedte van de bufferstrook
Basis
Afschaling 1: als op een perceel de oppervlakte landbouwgrond in de bufferstrook meer dan 4% van de oppervlakte landbouwgrond van het perceel beslaat
Afschaling 2: als op een perceel de oppervlakte landbouwgrond in de bufferstrook na afschaling 1 meer dan 4% van de oppervlakte landbouwgrond van het perceel beslaat
Oppervlaktewaterlichaam als aangewezen in bijlage 1 bij het Uitvoeringsbesluit Meststoffenwet
500 cm
n.v.t.
n.v.t.
Krw-oppervlaktewaterlichaam als bedoeld in bijlage 1 bij het Besluit kwaliteit leefomgeving
500 cm
300 cm
100 cm als het oppervlaktewaterlichaam een breedte heeft van ten hoogste 1.000 cm gemeten vanaf de insteek van het oppervlaktewaterlichaam
n.v.t. als het oppervlaktewaterlichaam een breedte heeft van meer dan 1.000 cm
Oppervlaktewaterlichaam dat onder normale omstandigheden voor de zomer droogvalt en ten minste in de periode van 1 april tot en met 1 oktober droog staat
100 cm
n.v.t.
n.v.t.
Overige oppervlaktewaterlichamen
300 cm
100 cm
50 cm
Bufferstroken als conditionaliteit voor rechtstreekse betalingen op grond van
het GLB
5.24.
Landbouwers kunnen op grond van het Gemeenschappelijk Landbouwbeleid (GLB) aanspraak maken op ‘rechtstreekse betalingen’, een vorm van inkomenssteun (in de vorm van subsidies) voor landbouwers. Het gaat om de subsidies: 1) basispremie en extra betaling eerste 40 hectare; 2) eco-regeling; 3) extra betaling jonge langbouwers; 4) behoud zeldzame landbouwhuisdierrassen en 5) brede weersverzekering.
5.25.
Sinds 1 januari 2023 geldt op grond van het GLB een ‘verzwaarde baseline’ voor
dergelijke rechtstreekse betalingen/subsidies. Die verzwaarde baseline houdt in dat
landbouwers aan een aantal randvoorwaarden moeten voldoen om in aanmerking te komen voor rechtstreekse betalingen/subsidies uit hoofde van het GLB. Deze randvoorwaarden worden ook wel ‘conditionaliteiten’ genoemd.
5.26.
De conditionaliteiten bestaan uit normen en eisen en worden ook wel omschreven als Goede Landbouw- en Milieucondities (hierna: GLMC). In Nederland zijn de rechtstreekse betalingen en de bijbehorende conditionaliteiten geïmplementeerd in de Uitvoeringsregeling GLB 2023. De ervaring leert dat het overgrote deel van de landbouwers in Nederland – waaronder eiseressen – een beroep doet op het GLB en rechtstreekse betalingen ontvangt.
5.27.
De conditionaliteiten GLMC 4 (Bufferstroken langs waterlopen) en GLMC 10
(Bufferstroken langs droge waterlopen) bevatten verplichtingen om bufferstroken aan
te houden (hierna: de bufferstrookconditionaliteiten). Deze zijn in Bijlage 4, paragraaf 4, van de Uitvoeringsregeling GLB 2023 neergelegd. De voorwaarden en afmetingen van de bufferstrookconditionaliteiten komen (materieel) overeen met de bufferstrookverplichting op grond van de derogatiebeschikking. Vanwege de overlap en verwevenheid van deze twee bufferstrookverplichtingen heeft de wetgever deze aan elkaar gelinkt door bij de bufferstrookconditionaliteiten te verwijzen naar artikel 4.1199c van het Bal.
5.28.
Qua grootte komen de bufferstrookverplichting en bufferstrookconditionaliteiten met elkaar overeen. Op beide soort stroken is bemesting niet toegestaan. Het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen en/of biociden is onder de bufferstrookverplichting uit de derogatiebeschikking wel toegestaan, maar niet onder de bufferstrookconditionaliteiten.
Het niet voldoen aan de conditionaliteiten heeft gevolgen voor de hoogte van de GLB-subsidie.
Teeltvrije zones
5.29.
Op grond van artikel 4.723d van het Bal wordt met het oog op het voorkomen of
beperken van verontreiniging van een oppervlaktewaterlichaam bij het gebruiken van
gewasbeschermingsmiddelen langs een oppervlaktewaterlichaam een teeltvrije zone aangehouden. Deze verplichting geldt al sinds 1 januari 2000, dus al meer dan
twintig jaar voordat de bufferstrookverplichting op grond van de derogatiebeschikking
en de bufferstrookconditionaliteiten voor rechtstreekse betalingen uit hoofde van het
GLB werden ingevoerd.
5.30.
Artikel 4.723a, derde lid, onder c, van het Bal definieert ‘teeltvrije zone’ als volgt:
‘strook tussen de insteek van een oppervlaktewaterlichaam en het te telen gewas waarop, met uitzondering van grasland, geen gewas of niet hetzelfde gewas als op de rest van het perceel wordt geteeld.’
5.31.
Anders dan de naam doet vermoeden, mag op een ‘teeltvrije’ zone wel een gewas geteeld worden. De teelt in de teeltvrije zone beperkt zich echter tot gras, of tot een ander gewas dan het hoofdgewas dat op het perceel wordt geteeld. De zone mag ook braak liggen. In de teeltvrije zone mogen gewassen niet worden bespoten of bemest. Op dit punt verschilt de teeltvrije zone van de bufferstrookverplichting uit de derogatiebeschikking. Op de bufferstrook zijn namelijk alle teelten toegestaan, maar mogen geen meststoffen op of in de bodem worden gebruikt.
5.32.
Het doel van een teeltvrije zone is het voorkomen en beperken van de verontreiniging van oppervlaktewaterlichamen door het gebruik van gewasbeschermings-middelen en meststoffen bij de teelt van gewassen in de openlucht. De teeltvrije zone is vooral bedoeld om het oppervlaktewater te beschermen tegen de risico’s die ontstaan door drift (het verspreiden van gewasbeschermingsmiddelenstoffen door de lucht) en afspoeling (gewasbeschermingsmiddelen en meststoffen die over de grond in het oppervlaktewater stromen).
5.33.
In tabel 4.723d van het Bal wordt per soort gewas bepaald hoe groot de teeltvrije zone moet zijn. De breedte van de teeltvrije zones hangt af van de spuittechniek, het
gebruikte gewasbeschermingsmiddel, de teelt en in sommige gevallen het type
oppervlaktewaterlichaam waarlangs de teeltvrije zone moet worden aangehouden, en
varieert van 50 cm tot 500 cm. De breedte van teeltvrije zones wordt dus berekend per gewas. De breedte van bufferstroken wordt bepaald per topografisch perceel. De teeltvrije zone wordt, net als de bufferstroken, gemeten vanaf de insteek van een oppervlakte waterlichaam.
5.34.
In afwijking van artikel 4.723d, eerste lid, van het Bal hoeft geen teeltvrije zone te
worden aangehouden langs een oppervlaktewaterlichaam als wordt voldaan aan de volgende tabel 4.723da van het Bal:
Soort gewas
Voorwaarde
Pit- en steenvruchten
- Laagste gesteltak van een boom ontspringt op 175 cm of hoger uit de stam en binnen een afstand van ten minste 900 cm vanaf de insteek van een oppervlaktewaterlichaam worden geen gewasbeschermingsmiddelen gebruikt; of
- grenzend aan gegraven waterloop die van 1 april tot 1 oktober onder normale omstandigheden geen water bevat
Andere gewassen dan pit- en steenvruchten
- Gebruik van biologische productiemethoden;
- grenzend aan gegraven waterloop die van 1 april tot 1 oktober onder normale omstandigheden geen water bevat; of
- gebruik emissiescherm
Verhouding teeltvrije zones en bufferstroken
5.35.
De bufferstroken en de teeltvrije zones kennen een eigen zelfstandige (juridische)
grondslag en een eigen handhavingsregime. De verplichting tot het hanteren van de
bufferstroken en de verplichting om een teeltvrije zone aan te houden gelden naast
elkaar. Er bestaan materiële verschillen tussen de bufferstroken en de teeltvrije zone.
5.36.
De teeltvrije zones en bufferstroken kunnen (deels) overlappen wat betreft
oppervlakte. De teeltvrije zone kan in de praktijk even breed zijn als, dan wel breder
of minder breed zijn dan de bufferstrook. Dit verschilt per geval. Indien de breedte van
de aan te houden teeltvrije zone voor bemesting breder is dan de bufferstrook, geldt
voor de breedte van de bufferstrook de breedte van de teeltvrije zone (artikel 4.1199c,
lid 3, juncto artikel 4.1212d, derde lid, van het Bal). Waar de teeltvrije zone en
bufferstrook elkaar overlappen mogen geen meststoffen en gewasbescherming worden
gebruikt en mag het hoofdgewas niet worden geteeld. De verhouding tussen de teeltvrije zone en de bufferstroken wordt in algemene zin afgebeeld in onderstaande figuur: [7]
III. Juridisch kader voor inbreuk op eigendom door de Staat
Artikel 1 EP Pro EVRM
5.37.
Artikel 1 EP Pro bij het EVRM, luidt als volgt (in de Engelse authentieke tekst):
‘Every natural or legal person is entitled to the peaceful enjoyment of his possessions. No one shall be deprived of his possessions except in the public interest and subject to the conditions provided for by law and by the general principles of international law.
The preceding provisions shall not, however, in any way impair the right of a State to enforce such laws as it deems necessary to control the use of property in accordance with the general interest or to secure the payment of taxes or other contributions of penalties’.
en in de officiële Nederlandse vertaling:
‘Bescherming van eigendom
Iedere natuurlijke of rechtspersoon heeft recht op het ongestoord genot van zijn eigendom. Aan niemand zal zijn eigendom worden ontnomen behalve in het algemeen belang en onder de voorwaarden voorzien in de wet en in de algemene beginselen van internationaal recht.
De voorgaande bepalingen tasten echter op geen enkele wijze het recht aan, dat een Staat heeft om die wetten toe te passen, die hij noodzakelijk oordeelt om het gebruik van eigendom te reguleren in overeenstemming met het algemeen belang of om de betaling van belastingen of andere heffingen of boeten te verzekeren.’
5.38.
Artikel 1 EP Pro EVRM waarborgt het recht op het ongestoord genot van eigendom, beschermt tegen de ontneming van eigendom en regelt de mogelijkheid van regulering van eigendom. Uit de rechtspraak van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) en de nationale rechtspraak is af te leiden dat de toetsing aan dit artikel plaatsvindt volgens het volgende besluitvormingsschema:
i. i) is sprake van een ‘
possession’ (eigendom) in de zin van deze bepaling?
ii) is sprake van ‘
interference’, dat wil zeggen ontneming of regulering van het
eigendomsrecht?
Is aan deze beide voorwaarden voldaan, dan wordt onderzocht of de volgende vereisten in
acht zijn genomen:
iii) is de inbreuk ‘
lawful’ (rechtmatig), dat wil zeggen bij wet voorzien;
iv) zo ja, heeft de inbreuk een legitieme doelstelling die dient ter bevordering van het ‘
general interest’ (het algemeen belang), en
v) zo ja, is sprake van een ‘
fair balance’.
Bij laatstbedoelde ‘
fair balance-toets’ geldt dat daaraan niet is voldaan, indien sprake is van een individuele en buitensporige last (‘
individual and excessive burden’) voor de betrokken persoon. Daarbij dienen alle omstandigheden van het individuele geval in ogenschouw te worden genomen.
Artikel 17 EU Pro Handvest
5.39.
Artikel 17, eerste lid, van het EU Handvest bepaalt dat een ieder het recht heeft de goederen die hij rechtmatig heeft verkregen, in eigendom te bezitten, te gebruiken, erover te beschikken en te vermaken. Niemand mag zijn eigendom worden ontnomen, behalve in het algemeen belang, in de gevallen en onder de voorwaarden waarin de wet voorziet en mits het verlies tijdig op billijke wijze wordt vergoed. Het gebruik van de goederen kan bij wet worden geregeld, voor zover het algemeen belang dit vereist.
5.40.
Artikel 17 EU Pro Handvest heeft dezelfde inhoud en reikwijdte als artikel 1 EP Pro EVRM en moet op dezelfde wijze worden toegepast en uitgelegd. Dat is ook niet in geschil. De rechtbank zal hierna in haar overwegingen alleen artikel 1 EP Pro EVRM betrekken, maar die overwegingen zijn, ook zonder dat dit steeds wordt vermeld, overeenkomstig van toepassing op artikel 17 EU Pro Handvest.
IV. Beoordeling van de rechtmatigheid van de bufferstroken
5.41.
Voordat de rechtbank toekomt aan toetsing van artikel 4.1199c van het Bal, zal zij eerst aandacht besteden aan de derogatiebeschikking.
De derogatiebeschikking
5.42.
Eiseressen hebben aan hun vorderingen - sterk samengevat - ten grondslag gelegd dat de bufferstrookverplichting op grond van artikel 4.1199c van het Bal een onrechtmatige inbreuk is op hun eigendomsrecht. In dat kader hebben eiseressen naar voren gebracht dat de positieve effecten van de bufferstroken voor de waterkwaliteit onvoldoende vaststaan, althans beperkt zijn, terwijl de bufferstroken ingrijpende gevolgen hebben voor eiseressen. Ook hebben ze gesteld dat de bufferstroken nadelig zijn voor landbouwers, terwijl de derogatie uitsluitend voordelig is voor veehouders. In het verlengde van hun argument dat de bufferstrookverplichting een onrechtmatige inbreuk is op hun eigendomsrecht, hebben eiseressen betoogd dat de keuze van de Staat om de derogatiebeschikking aan te vragen en de voorwaarde van de bufferstrookverplichting te aanvaarden, jegens eiseressen onrechtmatig is.
5.43.
De Staat heeft de stellingen van eiseressen gemotiveerd weersproken. Daarbij heeft de Staat zich erop beroepen dat de bufferstrookverplichting in artikel 4.1199c van het Bal een implementatie is van de derogatiebeschikking. De Staat is met de implementatie een dwingendrechtelijk Unieverplichting nagekomen. Alleen het Hof Van Justitie EU (HvJEU) is bevoegd om de onrechtmatigheid van Uniehandelingen vast te stellen. Indien de rechtbank twijfelt aan de rechtmatigheid van derogatiebeschikking, dient de rechtbank prejudiciële vragen te stellen aan het HvJEU, aldus de Staat.
5.44.
De rechtbank overweegt dat zij handelingen van gemeenschapsinstellingen, zoals in dit geval de derogatiebeschikking, in zoverre mag toetsen dat zij tot het oordeel mag komen dat dergelijke handelingen geldig zijn. De rechtbank mag deze handelingen niet zelf nietig verklaren. Deze bevoegdheid komt uitsluitend toe aan het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJEU). [8] Naar vaste rechtspraak van het HvJEU worden handelingen van gemeenschapsinstellingen in beginsel vermoed rechtmatig te zijn. [9]
5.45.
Wat betreft de keuze van de Staat om de derogatie aan te vragen en de derogatievoorwaarden te accepteren, stelt de rechtbank voorop dat het aanvragen van derogatie tot de ruime “
margin of appreciation” van de Staat behoort. De Staat heeft een ruime mate van beoordelingsvrijheid om te oordelen dat het voor de sector als geheel wenselijk is de derogatie aan te vragen en dat het noodzakelijk is daartoe maatregelen zoals in het Bal neergelegd, te treffen. Zoals de Staat terecht heeft aangevoerd, kan de beoordeling van deze keuze van de Staat niet los worden gezien van de toetsing van het resultaat van die keuze, namelijk de derogatiebeschikking en artikel 4.1199c van het Bal. Als die de toets van artikel 1 EP Pro EVRM doorstaan, kan de keuze van de Staat voor rechtmatige wetgeving niet als onrechtmatig jegens eiseressen worden aangemerkt. In het verlengde daarvan overweegt de rechtbank, dat het doorstaan van die toets ook de conclusie draagt dat de derogatiebeschikking rechtmatig is, zodat daarover geen prejudiciële vragen hoeven te worden gesteld aan het HvJEU.
5.46.
Hiermee komt de rechtbank toe aan toetsing van artikel 4.1199c van het Bal aan artikel 1 EP Pro EVRM.
Artikel 4.1199c van het Bal
5.47.
Niet in geschil is dat de bufferstrookverplichting een regulering van het eigendomsrecht van eiseressen inhoudt. De bufferstrookverplichting betekent immers dat eiseressen een gedeelte van hun percelen niet mogen bemesten, zodat zij de bufferstrook niet naar eigen inzicht voor de exploitatie van hun akkerbouwbedrijven kunnen gebruiken. De bufferstrookverplichting is bij wet voorzien, omdat deze in artikel 4.1199c van het Bal is opgenomen. Niet in geschil is, dat ook is voldaan aan de betekenis die het EHRM toekent aan voorzienbaarheid, in die zin dat de bufferstrookverplichting voldoende nauwkeurig is geformuleerd om individuen in staat te stellen hun gedrag hierop aan te passen. [10]
5.48.
De rechtbank stelt verder vast dat met de bufferstrookverplichting een legitiem doel in het algemeen belang wordt nagestreefd. Uit dat wat hiervoor onder II. is weergegeven volgt immers dat de bufferstrookverplichting een uitwerking is van een van de doelen van de Nitraatrichtlijn, namelijk om eutrofiëring van oppervlaktewater tegen te gaan. Bufferstroken kunnen de effecten van uitspoeling en afspoeling vanuit de landbouw op oppervlaktewater verminderen, wat bevorderlijk is voor de waterkwaliteit.
5.49.
Vervolgens is aan de orde of artikel 4.1199c van het Bal voorziet in een ‘
fair balance’. Een fair balance vereist ‘
a reasonable relationship of proportionality between the means employed and the aim pursued’, ofwel een redelijke mate van evenredigheid tussen het te dienen doel en de gekozen middelen. [11] Bij de keuze van de middelen om het algemeen belang te dienen, komt de wetgever een ruime beoordelingsmarge toe. Aan het vereiste van een ‘
fair balance’ is niet voldaan als een betrokkene een individuele en buitensporige last te dragen heeft als gevolg van de wettelijke maatregelen. Bij de vraag of in een fair balance is voorzien neemt de rechtbank alle omstandigheden van het geval, in onderling verband bezien, in ogenschouw.
Fair balance toets op regelgevingsniveau
5.50.
De fair balance toets vindt eerst op het niveau van het Bal als zodanig plaats en daarna op individueel niveau. Zoals de Staat terecht heeft aangevoerd, is artikel 4.1199c van het Bal een implementatie van de derogatiebeschikking, waarbij aan de Staat geen enkele beoordelingsruimte toekwam. De rechtbank ziet geen aanleiding om te twijfelen aan de rechtmatigheid van de derogatiebeschikking in het licht van artikel 1 EP Pro EVRM. Op dit punt hebben eiseressen slechts aangevoerd dat de Commissie geen rekening heeft gehouden met de diversiteit aan agrarische bedrijven in Nederland. Eiseressen hebben het uitvoerige betoog van de Staat over de afwegingen van de Commissie die ten grondslag liggen aan de derogatiebeschikking en de daarin opgenomen bufferstrookverplichting echter niet weersproken. Aangezien de derogatiebeschikking in het licht van artikel 1 EP Pro EVRM als rechtmatig moet worden aangemerkt, moet hetzelfde worden geoordeeld over artikel 4.1199c van het Bal.
Fair balance toets op individueel niveau
5.51.
Vervolgens komt de rechtbank toe aan de fair balance toets op het individuele niveau. Volgens eiseressen is de bufferstrookverplichting voor hen een individuele en buitensporige last. Zij hebben hiertoe, samengevat, de volgende omstandigheden aangevoerd:
i) de bufferstroken zijn bij eiseressen niet nodig. Uit het 7e actieprogramma volgt dat wanneer de waterkwaliteit op orde is, bufferstroken niet nodig zijn. Bij eiseressen is de waterkwaliteit al op orde;
ii) de bufferstroken zijn bij eiseressen niet effectief. Uit milieuonderzoeken die (mede) ten grondslag hebben gelegen aan het 7e actieprogramma blijkt dat het hanteren van bufferstroken langs waterlopen niet overal even effectief is. Dit wordt verklaard door locatie-specifieke geohydrologische factoren die ervoor zorgen dat het nutriëntentransport niet door de bufferstroken voert. Bij eiseressen hebben de bufferstroken vrijwel geen effect op de waterkwaliteit, omdat zij telen op kleigrond, hun percelen zijn voorzien van buisdrainage en zij gewassen telen die de afspoeling van meststoffen beperken;
iii) de bufferstroken hebben impact op de bedrijven van eiseressen. Zij kunnen als gevolg van de bufferstroken minder grond exploiteren, zodat eiseressen inkomsten derven.
5.52.
De rechtbank is van oordeel dat de Staat met de bufferstrookverplichting ook jegens eiseressen heeft voorzien in een fair balance. Dit wordt als volgt toegelicht.
5.53.
De rechtbank stelt voorop dat, zoals de Staat onweersproken heeft aangevoerd, de kwaliteit van het oppervlaktewater in Nederland als geheel nog niet aan de normen voldoet. Het gaat hierbij met name om de stikstof- en de fosfornormen. Als deze normen in de loop van de tijd zijn aangescherpt, wat volgens eiseressen het geval is, verhoogt dat de urgentie om maatregelen te treffen om de waterkwaliteit wel aan de normen te laten voldoen.
5.54.
De Staat heeft met rapporten onderbouwd dat in de toestroomgebieden waarin de percelen van [eiseres 2] en [eiseres 1] zijn gelegen, nog niet aan alle relevante normen wordt voldaan. Eiseressen hebben de juistheid van die rapportages niet gemotiveerd bestreden. Uit de rapporten volgt dat in het gebied van [eiseres 2] niet wordt voldaan aan de fosfornorm. In het gebied van [eiseres 1] wordt niet voldaan aan de stikstofnorm en evenmin aan de fosfornorm. De rechtbank stelt dus vast dat bij eiseressen niet wordt voldaan aan de waterkwaliteitsnormen.
5.55.
Over de effectiviteit van de bufferstroken wordt het volgende overwogen.
Uit de overgelegde stukken blijkt niet dat de bufferstroken geen relevant effect hebben op de waterkwaliteit ter plaatse van de percelen van [eiseres 2] en [eiseres 1] . Zoals eiseressen ook hebben erkend, is er ten minste sprake van een areaaleffect. Omdat de bufferstroken niet mogen worden bemest, kan op de percelen van eiseressen minder mest worden uitgereden, waardoor er minder meststoffen in het oppervlaktewater kunnen uitspoelen, ook wanneer gebruik wordt gemaakt van drainagebuizen. De mestplaatsingsruimte neemt af. Voor zover [eiseres 2] ter zitting heeft verklaard dat in zijn situatie de bufferstroken er niet toe kunnen leiden dat de stikstofnorm ter plaatse wordt gehaald, is dat niet beslissend, omdat de bufferstroken ten minste eraan bijdragen dat de waterkwaliteit niet verder verslechtert, zoals de Staat onweersproken heeft aangevoerd. De rechtbank concludeert dat de bufferstroken ook ter plaatse van de bedrijven van eiseressen van belang zijn voor het door de Staat beoogde doel.
5.56.
Vervolgens is aan de orde welke impact de bufferstroken hebben op de bedrijven van eiseressen. Hierover wordt het volgende overwogen.
5.57.
Eiseressen hebben naast de bufferstroken waarover deze zaak gaat, ook te maken met de teeltvrije zones, waarvan de totale oppervlakte bij eiseressen kleiner is dan de oppervlakte van de bufferstroken. Deze teeltvrije zones mogen ook niet worden bemest. Partijen zijn het niet eens over hoeveel groter de bufferstroken zijn dan de teeltvrije zones. Dit kan als volgt worden weergegeven:
5.58.
Wel zijn partijen het erover eens dat voor de vraag hoeveel impact de bufferstroken op de bedrijven van eiseressen hebben, moet worden gekeken naar het verschil in oppervlakte tussen de teeltvrije zones en de bufferstroken. Als wordt uitgegaan van de cijfers van eiseressen gaat het over de jaren 2023 en 2024 gemiddeld om circa 2 ha bij [eiseres 2] ((2,103 + 2,0357) / 2) en bij [eiseres 1] om circa 2,9 ha ((3,2710 + 2,6494) / 2). Zoals de Staat onweersproken heeft aangevoerd, bedroeg de totale oppervlakte aan landbouwpercelen van [eiseres 2] 103,88 ha in 2023 en 106,18 ha in 2024. De totale oppervlakte aan landbouwpercelen van [eiseres 1] bedroeg 174,36 ha in 2023 en 192,3 ha in 2024. Uit het voorgaande kan worden opgemaakt dat uitsluitend als gevolg van de bufferstrookverplichting bij [eiseres 2] circa 2% van de totale oppervlakte niet kon worden bemest en bij [eiseres 1] circa 1,6%. Die percentages zijn relatief klein en komen de rechtbank daarom op zichzelf niet als zeer ingrijpend voor.
5.59.
De Staat heeft erop gewezen dat eiseressen, omdat zij gebruik maken van GLB-subsidie, ook de bufferstrookconditionaliteiten moeten aanhouden die samenvallen met de bufferstroken waarover deze zaak gaat. Volgens de Staat zijn eiseressen, door prudent gebruik te maken van de GLB-subsidies, in staat het verlies van niet-bemestbaar areaal als gevolg van de bufferstrookverplichting op te vangen en moet dan ook ervan worden uitgegaan dat de bufferstrookverplichting niet tot enig nadeel bij eiseressen leidt. Eiseressen hebben dat weersproken. Hun standpunt komt erop neer dat, als de bufferstrookverplichting niet zou gelden, zij geen GLB-subsidie zouden aanvragen, omdat dit meer oplevert dan de situatie waarin zij zich nu bevinden.
5.60.
Of eiseressen op dit laatste punt gelijk hebben, kan de rechtbank in het midden laten, omdat eiseressen onvoldoende hebben toegelicht wat de concrete financiële gevolgen van de bufferstroken voor hen zijn. Dat mocht wel van hun worden verwacht, omdat dit zwaar weegt bij het antwoord op de vraag of er bij hen sprake is van een individuele en buitensporige last in de zin van artikel 1 EP Pro EVRM.
5.61.
In dit verband heeft de Staat erop gewezen dat voor de vraag of sprake is van een fair balance van belang kan zijn of eiseressen op basis van het égalitébeginsel recht hebben op nadeelcompensatie. Uit de stellingen van eiseressen en de formulering van hun vordering I a) en b) maakt de rechtbank op dat zij dat ook hebben onderkend.
5.62.
In de rechtspraak is de regel ontwikkeld dat de onevenredig nadelige – dat wil zeggen buiten het normale maatschappelijke risico of het normale bedrijfsrisico vallende, en op een beperkte groep burgers of bedrijven drukkende – gevolgen van een overheidshandeling of overheidsbesluit niet ten laste van die beperkte groep behoren te komen, maar gelijkelijk over de gemeenschap moeten worden verdeeld. Uit deze regel vloeit een tweetal, naast elkaar bestaande, vereisten voort: er moet sprake zijn van een abnormale last in de zin dat de schade buiten het normale maatschappelijke of normale ondernemersrisico moet vallen; daarnaast moet sprake zijn van een speciale last, wat tot uitdrukking brengt dat een specifieke burger, een specifiek bedrijf of een beperkte groep in vergelijking tot anderen onevenredig zwaar door een overheidshandeling moet zijn getroffen.
5.63.
Zoals de Staat terecht heeft aangevoerd, hebben eiseressen niet gesteld of onderbouwd dat de door hen geleden schade boven het normaal maatschappelijk risico, althans het normale ondernemersrisico, uitstijgt (abnormale last). Op dit punt is onder meer van belang dat de Nitraatrichtlijn, waarvan de bufferstrookverplichting een uitvloeisel is, stamt uit 1991 en in 1996 al het eerste actieprogramma is opgesteld. Eiseressen hadden dan ook al langere tijd rekening te houden met overheidsmaatregelen op dit punt. Bovendien kleurt het beginsel ‘de vervuiler betaalt’ de voorzienbaarheid van de maatregelen in. Als afnemers van dierlijke mest dragen eiseressen ook bij aan de eutrofiëring van het oppervlaktewater. Eiseressen hebben ook niet gesteld dat de bufferstrookverplichting hen bijzonder zwaar treft in vergelijking met anderen in een vergelijkbare positie (speciale last).
5.64.
Al deze omstandigheden, in onderling verband beschouwd, leiden de rechtbank tot het oordeel dat de bufferstrookverplichting van artikel 4.1199c van het Bal jegens eiseressen niet in strijd is met artikel 1 EP Pro EVRM.
5.65.
Eiseressen hebben ten slotte nog betoogd dat, aangezien de derogatiebeschikking per 1 januari 2026 is vervallen, er geen grondslag meer bestaat voor de bufferstrook-verplichting. Dit betoog moet worden verworpen, omdat de rechtbank artikel 4.1199c van het Bal zelfstandig heeft getoetst. Dat oordeel geldt ook voor de huidige situatie. Of het wenselijk of nodig is om de bufferstrookverplichting (ongewijzigd) in stand te houden is een vraag van beleid, die door de wetgever moet worden beantwoord. Dat is thans onderwerp van het politieke debat.
5.66.
De slotsom is dat de vorderingen van eiseressen worden afgewezen.
V. Proceskosten
5.67.
Eiseressen zullen als de in het ongelijk gestelde partijen worden veroordeeld in de kosten van de procedure. De proceskosten worden aan de zijde van de Staat als volgt begroot:
- griffierecht: € 714,00
- salaris advocaat: € 1.306,00 (twee punten à € 653,00, volgens tarief II)
- nakosten
€ 189,00(met de onder de beslissing bedoelde verhoging)
Totaal: € 2.209,00
5.68.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

6.De beslissing

De rechtbank:
6.1.
wijst het gevorderde af;
6.2.
veroordeelt eiseressen in de kosten van de procedure, aan de zijde van de Staat tot op heden begroot op € 2.209,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe; wordt bij niet betaling het vonnis daarna betekend, dan moeten eiseressen € 98,00 extra betalen, plus de kosten van betekening, te vermeerderen met de wettelijke rente over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn voldaan;
6.3.
verklaart de veroordeling onder 6.2 uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. D.E. Alink, mr. M. Knijff en mr. B.A. Sturm en in het openbaar uitgesproken op 18 februari 2026.
Type: 1554

Voetnoten

1.Richtlijn 91/676/EEG van de Raad van 12 december 1991 inzake de bescherming van water tegen
2.Verslag van de commissie aan de Raad en het Europees Parlement over de uitvoering van Richtlijn
3.Richtlijn 2000/60/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 oktober 2000 tot vaststelling van een kader voor communautaire maatregelen betreffende het waterbeleid (P6 L 327 van 22.12.2000, blz. 1-73).
4.Artikel 11, derde lid, onder a, jo artikel 10, tweede lid, onder c, KRW.
5.Stcrt. 2023, 6071.
6.Scrt. 2024, 2525.
7.bron: Stcrt. 2024, 2525, p. 19.
8.HvJEU 22 oktober 1987, C-314/85, ECLI:EU:C:1987:452 (Foto-Frost).
9.Vgl. HvJEU 5 oktober 2004, C-475/01, ECLI:EU:C:2004:585, (Commissie/ Griekenland).
10.EHRM 11 december 2018, ECLI:CE:ECHR:2018:1211JUD003648007 (Lekic/Slovenië), r.o. 95.
11.EHRM 23 september 1982, ECLI:CE:ECHR:1982:0923JUD000715175 (Sporrong & Lönnroth/Zweden), r.o. 69.