ECLI:NL:RBDHA:2026:4126

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
2 maart 2026
Publicatiedatum
2 maart 2026
Zaaknummer
NL26.3788
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Vereenvoudigde behandeling
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 42 VreemdelingenwetArt. 21 DublinverordeningArt. 6:12 AwbArt. 8:54 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen niet tijdig beslissen asielaanvraag kennelijk niet-ontvankelijk

Eiser heeft op 15 juni 2025 een asielaanvraag ingediend bij de minister van Asiel en Migratie. De minister dient volgens artikel 42 van Pro de Vreemdelingenwet binnen zes maanden na ontvangst van de aanvraag te beslissen, waarbij de termijn bij onderzoek op grond van de Dublinverordening pas start zodra Nederland verantwoordelijk is voor de behandeling.

Eiser werd op 23 juli 2025 geïdentificeerd in het Eurodac-systeem en op 7 augustus 2025 vond een Dublinverhoor plaats. Nederland werd daarmee vanaf 24 september 2025 verantwoordelijk voor de behandeling van de aanvraag, waarna de beslistermijn van zes maanden startte en eindigt op 24 maart 2026.

Eiser stuurde een ingebrekestelling op 30 december 2025, maar dit was prematuur omdat de beslistermijn nog niet was verstreken. De rechtbank oordeelt dat het beroep tegen het niet tijdig beslissen daarom niet-ontvankelijk is. Er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het beroep tegen het niet tijdig beslissen op de asielaanvraag wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens prematuur indienen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.3788

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam], eiser,

V-nummer: [nummer],
(gemachtigde: mr. T. Bruinsma),
en

de minister van Asiel en Migratie, de minister.

Inleiding

1. Deze uitspraak gaat over het beroep dat eiser heeft ingediend, omdat de minister niet op tijd zou hebben beslist op de asielaanvraag van 15 juni 2025.
1.1.
De rechtbank doet uitspraak zonder zitting. [1]

Beoordeling door de rechtbank

2. Volgens artikel 42, eerste lid, van de Vreemdelingenwet dient de minister binnen zes maanden na ontvangst van de aanvraag te beslissen. Wanneer onderzoek wordt gedaan in het kader van de Dublinverordening vangt deze termijn, op grond van artikel 42, zesde lid, van de Vw aan op het moment dat wordt vastgesteld dat Nederland verantwoordelijk is voor de behandeling van de asielaanvraag.
3. Eiser heeft op 15 juni 2025 asiel aangevraagd.
4. In het onderhavige geval is eiser op 23 juli 2025 geïdentificeerd in het Eurodac systeem. Daarnaast heeft op 7 augustus 2025 een gehoor in het kader van de Dublinverordening plaatsgevonden waarmee naar het oordeel van de rechtbank onderzoek als bedoeld in artikel 42, zesde lid, van de Vw is verricht.
5. Op grond van artikel 21, eerste lid, tweede en derde alinea, van de Dublinverordening had de minister binnen twee maanden na de ‘Eurodac-treffer’ een claimverzoek bij een andere lidstaat kunnen indienen.
6.
De rechtbank stelt vast dat Nederland, na het verstrijken en ongebruikt blijven van deze termijn, vanaf 24 september 2025 verantwoordelijk is voor de behandeling van de asielaanvraag. De wettelijke beslistermijn van zes maanden is op dat moment aangevangen en eindigt op 24 maart 2026.
7. Het voorgaande betekent dat de ingebrekestelling met dagtekening 30 december 2025 prematuur verzonden is. Hierom voldoet het beroep niet aan de vereisten voor het indienen van een beroep tegen het niet tijdig beslissen, als bedoeld in artikel 6:12, tweede lid, van de Awb.

Conclusie en gevolgen

8. Gelet op het voorgaande is het beroep kennelijk niet-ontvankelijk.
9. Er bestaat geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.G.D. Overmars, rechter, in aanwezigheid van
V.M. de Koning, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
Deze uitspraak is bekendgemaakt op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven. Als u graag een zitting wilt waarin u uw verzetschrift kunt toelichten, kunt u dit in uw verzetschrift vermelden.

Voetnoten

1.Artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb).