ECLI:NL:RBDHA:2026:4137
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beroep tegen afwijzing visum kort verblijf wegens onvoldoende binding met Marokko
Eiser, een Marokkaanse student, vroeg op 11 december 2023 een visum kort verblijf aan voor familiebezoek in Nederland. De minister wees de aanvraag af wegens twijfel over het voornemen van eiser om tijdig terug te keren naar Marokko, vanwege onvoldoende sociale en economische binding.
Eiser maakte bezwaar, maar de minister verklaarde dit ongegrond zonder hem te horen of gelegenheid te geven het bezwaarschrift aan te vullen. De rechtbank oordeelt dat dit een zorgvuldigheidsgebrek is, waardoor het beroep gegrond is en het bestreden besluit vernietigd moet worden.
Desondanks laat de rechtbank de rechtsgevolgen van het besluit in stand, omdat de minister op goede gronden de aanvraag heeft afgewezen. De rechtbank weegt mee dat eiser onvoldoende binding met Marokko heeft aangetoond, ondanks nieuwe stukken over studie en werk als studentencoach.
De rechtbank wijst erop dat eerdere uitspraken ook tot hetzelfde oordeel kwamen en dat de nieuwe omstandigheden onvoldoende zijn om het oordeel te wijzigen. De minister moet het griffierecht en proceskosten aan eiser vergoeden, maar een vergoeding voor de bezwaarprocedure wordt niet toegekend.
De uitspraak is gedaan door rechter N.M. Spelt op 9 februari 2026 en is definitief.
Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en het besluit vernietigd, maar de rechtsgevolgen blijven in stand vanwege onvoldoende binding met Marokko.