Eisers, een Colombiaans gezin met politieke activiteiten en bedreigingen door de ELN, vroegen asiel aan in Nederland. De minister wees de aanvragen af wegens onvoldoende aannemelijkheid van een gegronde vrees voor vervolging en het ontbreken van een reëel risico op ernstige schade, waarbij werd aangenomen dat eisers bescherming kunnen krijgen van de Colombiaanse autoriteiten en de UNP.
De rechtbank oordeelt dat de minister niet alle relevante documenten van eisers heeft betrokken, vertaald en onderzocht, wat een zorgvuldigheidsgebrek oplevert. Daarnaast heeft de minister onvoldoende gemotiveerd waarom eisers bescherming kunnen krijgen in Colombia, terwijl zij juist stelden dat de UNP-bescherming onvolledig en mogelijk corrupt is.
De rechtbank stelt de minister in de gelegenheid om binnen acht weken de gebreken te herstellen en houdt verdere beslissingen aan tot de einduitspraak. Tegen deze tussenuitspraak staat nog geen hoger beroep open, maar kan wel samen met de einduitspraak worden ingesteld.