Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:4150

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
19 februari 2026
Publicatiedatum
2 maart 2026
Zaaknummer
23-14461
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 28 Vreemdelingenwet 2000Art. 31 lid 6 Vreemdelingenwet 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing asielaanvraag wegens onvoldoende aannemelijk gemaakte vrees voor vervolging door broederschap en geloof

Eiser, van Nigeriaanse nationaliteit, vreesde vervolging vanwege zijn weigering om de rol van zijn vader binnen een traditionele broederschap over te nemen en vanwege zijn christelijke geloof. Hij stelde dat hij daarom ontvoerd en mishandeld was en dat hij bedreigd werd vanwege het dragen van een kruis.

De minister van Asiel en Migratie had de asielaanvraag afgewezen omdat het causale verband tussen de ontvoering en de broederschap niet aannemelijk was gemaakt en de vrees voor vervolging op grond van het christelijk geloof onvoldoende onderbouwd was. Het door eiser overgelegde iMMO-rapport kon dit oordeel niet wijzigen.

De rechtbank oordeelde dat de verklaringen van eiser onvoldoende samenhangend en specifiek waren om het verband met de broederschap aannemelijk te maken, mede vanwege het tijdsverloop en het ontbreken van concrete aanwijzingen wie achter de ontvoering zat. Ook de vermeende vloek werd niet aannemelijk gemaakt.

Ten aanzien van het christelijk geloof vond de rechtbank dat de minister terecht het voordeel van de twijfel niet had toegekend, omdat de vrees voor hernieuwde intimidatie niet concreet was onderbouwd. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en wees de asielaanvraag af.

Uitkomst: De rechtbank wijst het beroep af en bevestigt de afwijzing van de asielaanvraag wegens onvoldoende aannemelijkheid van een gegronde vrees voor vervolging.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: NL23.14461

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], V-nummer: [V-nummer], eiser

(gemachtigde: mr. S.N. Ali),
en

de minister van Asiel en Migratie,

(gemachtigde: mr. J. Visscher).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiser als bedoeld in artikel 28 van Pro de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Eiser is het hier niet mee eens. Aan de hand van eisers beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag in stand kan blijven. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eiser heeft op 11 november 2021 een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De minister heeft met het bestreden besluit van 19 april 2023 deze aanvraag afgewezen als ongegrond.
2.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.2.
De minister heeft tijdens het beroep een aanvullend besluit van 25 augustus 2023 genomen. De minister verleend eiser voorlopig uitstel van vertrek op grond van artikel 64 van Pro de Vw.
2.3.
Met de brief van 25 augustus 2023 heeft eiser de rechtbank verzocht om de behandeling van het beroep aan te houden in afwachting van de uitkomst van medisch onderzoek door stichting iMMO. Eiser heeft op 3 september 2025 de rapportage van het iMMO overgelegd. De minister heeft hierop gereageerd met een verweerschrift.
2.4.
De rechtbank heeft het beroep op 23 december 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, P. Oronsaye als tolk en de gemachtigde van de minister.

Beoordeling door de rechtbank

Het asielrelaas
3. Eiser stelt dat hij van Nigeriaanse nationaliteit is en dat hij is geboren op [1980]. Hij heeft aan zijn asielaanvraag ten grondslag gelegd dat hij vreest voor de [broederschap] broederschap. De [broederschap] broederschap is een geheim genootschap, waar de vader van eiser lid van was. Zij hangen een Afrikaans traditioneel geloof aan. Van eiser werd verwacht dat hij zijn vader zou opvolgen, maar eiser heeft dit geweigerd omdat hij christelijk is. Eiser wordt daarom gezien als verrader en is om die reden ook door een groep mensen op straat aangevallen, ontvoerd en mishandeld. Hierna is eiser vanuit zijn woonplaats [plaats 1] gevlucht naar een andere stad, [plaats 2]. Omdat hij daar met de dood werd bedreigd vanwege het dragen van ketting met een kruis heeft hij rond het jaar 2000 besloten Nigeria te verlaten.
Het bestreden besluit en het verweerschrift
4. Het asielrelaas van eiser bevat volgens de minister de volgende relevante asielmotieven:
1. Identiteit, nationaliteit en herkomst
2. Problemen met [broederschap] broederschap
3. Problemen vanwege het christelijk geloof.
De minister stelt zich op het standpunt dat eiser zijn identiteit, nationaliteit en herkomst geloofwaardig zijn. De problemen die eiser met de [broederschap] broederschap stelt te hebben ondervonden naar aanleiding van het weigeren om de rol van zijn vader over te nemen, volgt de minister niet. De minister gelooft eiser in zijn verklaringen dat zijn vader lid was van de [broederschap] broederschap en dat eiser na het overlijden van zijn vader steeds heeft geweigerd om diens rol binnen de broederschap over te nemen. Ook vindt de minister het geloofwaardig dat eiser is ontvoerd en mishandeld. Eiser heeft echter met zijn verklaringen het causale verband tussen de ontvoering en de [broederschap] broederschap niet aannemelijk gemaakt. Daarnaast heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat er een vloek over hem is uitgesproken. Volgens de minister zijn de problemen met de [broederschap] broederschap daarom ongeloofwaardig. De verklaringen over de problemen vanwege het christelijk geloof worden deels geloofwaardig geacht. De minister vindt het geloofwaardig dat eiser is lastiggevallen/bedreigd wegens het dragen van een ketting met een kruis, maar niet dat de ontvoering en mishandeling een direct gevolg zijn van de christelijke geloofsovertuiging van eiser. Daarnaast heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat hij na 20 jaar opnieuw zal worden geïntimideerd vanwege het dragen van een kruis, deze vrees is gebaseerd op vermoedens. De minister concludeert daarom dat er geen sprake is van een gegronde vrees voor vervolging of een reëel risico op ernstige schade.
4.1.
In het verweerschrift concludeert de minister dat het door eiser overgelegde iMMO rapport niet kan afdoen aan het bestreden besluit waarin het gestelde causale verband tussen de ontvoering en mishandeling en de [broederschap] broederschap niet aannemelijk is geacht.
Standpunten van eiser
5. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit en stelt zich op het standpunt dat de minister zijn problemen met de [broederschap] broederschap ten onrechte ongeloofwaardig heeft gevonden. Hij voert in dat kader, kort samengevat, aan dat de minister niet heeft gemotiveerd hoe eiser zijn problemen aannemelijk moet maken.
Het ontbreken van documenten kan eiser niet worden tegengeworpen en de minister betwist niet dat eiser heeft geweigerd om zijn vaders rol bij de [broederschap] broederschap over te nemen. Met zijn verklaringen en de gezaghebbende bronnen is dan ook vast komen te staan dat hij in de problemen is gekomen met de [broederschap] broederschap en met zijn familie, vanwege zijn weigering om lid te worden. De minister heeft ten onrechte geen waarde gehecht aan deze bronnen omdat deze enkel algemene informatie zouden bevatten. Ten aanzien van de duivelse vloek stelt eiser dat de minister hem onvoldoende in de gelegenheid heeft gesteld om daarover te verklaren. De minister heeft daar ook geen vragen over gesteld. Verder stelt eiser zich op het standpunt dat de minister zijn problemen vanwege het christelijk geloof ten onrechte niet-geloofwaardig heeft geacht. Hij voert in dit kader aan dat de minister de samenwerkingsverplichting heeft geschonden. De minister dient eiser tegemoet te komen in zijn bewijsnood en hem het voordeel van de twijfel geven.
5.1.
Ter onderbouwing van zijn standpunten heeft eiser het rapport van het iMMO overgelegd. Het iMMO heeft in het rapport geconcludeerd dat de lichamelijke en psychische problematiek van eiser gezamenlijk worden beoordeeld als typerend voor het door eiser gestelde ondergane geweld wat de reden was voor zijn vlucht (A-vraag). Daarnaast concludeert het iMMO op grond van de beschikbare medische en juridische documentatie dat er ten tijde van de asielgehoren in november 2021, december 2022 en januari 2023 bij eiser sprake was van medische problematiek die van invloed kan zijn op het afleggen van verklaringen, zoals bekend is uit wetenschappelijk onderzoek, en dan ook mogelijk een rol heeft gespeeld bij het verklaren tijdens de asielprocedure van eiser (B-vraag).
Het oordeel van de rechtbank
Problemen met de [broederschap] broederschap
6. Tussen partijen is niet in geschil dat de weigering van eiser om de rol van zijn vader bij de t [broederschap] broederschap op te volgen en de ontvoering en mishandeling van eiser op zichzelf geloofwaardig zijn. In geschil is of eiser het causale verband tussen deze twee gebeurtenissen aannemelijk heeft gemaakt.
6.1.
De rechtbank is van oordeel dat de minister zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat eiser er met zijn verklaringen en de verwijzingen naar algemene informatie niet in is geslaagd om het causale verband tussen de gebeurtenissen aannemelijk te maken. De minister heeft in dit kader kunnen betrekken dat eiser volgens zijn eigen verklaring niet precies weet wie achter de ontvoering zit. Eiser heeft verklaard dat hij problemen heeft met zijn familie en met (andere) leden van de [broederschap] broederschap, maar dat één van die twee partijen achter de ontvoering zou zitten is een aanname van eiser en daarom op zichzelf onvoldoende om causaal verband aan te nemen. Daarnaast heeft de minister er in het verweerschrift en op de zitting terecht op gewezen dat ook het tijdsverloop tussen de weigering van eiser en de ontvoering en mishandeling afdoet aan de geloofwaardigheid. Tussen het weigeren om zijn vaders rol op zich te nemen en de ontvoering zit namelijk zes jaar. Over de algemene bronnen waar eiser naar heeft verwezen, stelt de minister niet ten onrechte dat ook hiermee het causale verband niet aannemelijk is gemaakt. Uit die bronnen blijkt dat het lidmaatschap van de broederschap vrijwillig is, dat de geweldpleging voornamelijk ziet op leden die de broederschap proberen te verlaten en dat er in steden geen consequenties zijn voor het weigeren van het lidmaatschap of bij vertrek uit de broederschap. Eiser is geen lid geweest van de broederschap en komt uit een stad. Op grond daarvan is het volgens de minister niet aannemelijk dat eiser consequenties zal ondervinden van het weigeren om toe te treden. De rechtbank kan dit volgen. Over eisers verklaring dat een duivelse vloek over hem is uitgeroepen, heeft de minister zich verder niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat eiser dit niet aannemelijk heeft gemaakt. Eisers stelling dat de minister hem onvoldoende in de gelegenheid heeft gesteld om daarover te verklaren, volgt de rechtbank niet. Tijdens het nader gehoor is eiser meerdere malen gevraagd of hij alles wat van belang is voor de reden(en) van zijn vertrek uit zijn land heeft verteld, of hij nog iets wil toevoegen aan wat er in Nigeria is gebeurd en of hij nog meer persoonlijke problemen heeft meegemaakt omdat hij zijn vader niet wilde opvolgen. Eiser heeft hierbij niet verklaard over een duivelse vloek. Pas later verklaard eiser dat hij spiritueel is aangevallen, waarna hem nog is gevraagd hoe dat blijkt.
6.2.
Het door eiser in beroep overgelegde iMMO-rapport kan niet tot een ander oordeel leiden. De Afdeling [1] heeft op 2 april 2025 uitspraak gedaan over de betekenis van een iMMO-rapport voor het standpunt van de minister over de geloofwaardigheid van het asielrelaas. [2] Hieruit volgt dat het antwoord van het iMMO op de B-vraag niet steeds voldoende inzichtelijk is, zodat de minister daar onder omstandigheden zonder nader medisch tegenonderzoek aan voorbij kan gaan. Dit is hier ook aan de orde. De conclusie van het iMMO op de A-vraag ondersteunt eisers verklaring dat hij is ontvoerd en mishandeld. De minister heeft dit echter al geloofwaardig geacht. De minister stelt niet ten onrechte dat het iMMO niet met forensisch medisch onderzoek kan vaststellen wie het letsel aan eiser heeft toegebracht en waarom. Eiser heeft met het iMMO-rapport dus niet alsnog aannemelijk gemaakt dat hij is ontvoerd en mishandeld als gevolg van het weigeren om zijn vader in de [broederschap] broederschap op te volgen. De beroepsgrond slaagt niet.
Problemen vanwege het christelijke geloof
7. Tussen partijen is in geschil of de minister ten onrechte de problemen vanwege het christelijke geloof slechts deels geloofwaardig heeft gevonden en of de minister eiser bij de beoordeling daarvan het voordeel van de twijfel had moeten gunnen.
7.1.
Uit artikel 31, zesde lid, van de Vw volgt dat de minister een vreemdeling die zijn verklaringen niet met documenten kan onderbouwen, het voordeel van de twijfel gunt indien er aan een aantal cumulatieve voorwaarden wordt voldaan. Eén van deze voorwaarden is dat de verklaringen van de vreemdeling samenhangend en aannemelijk bevonden zijn en niet in strijd zijn met beschikbare algemene en specifieke informatie die relevant is voor zijn aanvraag. [3]
7.2.
De minister heeft zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat eisers verklaringen op dit punt niet aannemelijk zijn. Eiser heeft aangevoerd dat de ontvoering en mishandeling (ook) te maken hadden met zijn religieuze overtuiging. De minister stelt hierover niet ten onrechte dat eiser het causale verband tussen deze twee zaken niet aannemelijk heeft gemaakt, omdat eiser ook dit enkel baseert op vermoedens. De rechtbank volgt eiser daarom niet in zijn stelling dat de minister hem het voordeel van de twijfel heeft moeten gunnen omdat hij in bewijsnood verkeerd.
7.3.
Daarnaast stelt de minister zich niet ten onrechte op het standpunt dat het wel geloofwaardig gevonden deel van de problemen vanwege het christelijke geloof niet leidt tot een gegronde vrees voor vervolging voor eiser. Eiser heeft verklaard dat hij twintig jaar geleden (mondeling) is lastig gevallen vanwege het dragen van een kruis, maar onderbouwt de vrees dat dit opnieuw zal gebeuren en zal leiden tot religieuze beperkingen of ernstige schade op geen enkele wijze. Het beroep slaagt niet.

Conclusie en gevolgen

8. De minister heeft de aanvraag terecht afgewezen als ongegrond.
Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Eiser krijgt daarom geen vergoeding van zijn proceskosten of de gemaakte kosten voor het iMMO onderzoek.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. N.M. Spelt, rechter, in aanwezigheid van mr. N.J. Biswane, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 19 februari 2026.
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
3.Artikel 31, zesde lid, onder c, van de Vw.