Eiser is op 25 januari 2026 een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd op grond van artikel 6, derde lid, van de Vreemdelingenwet 2000, vanwege een concreet aanknopingspunt voor overdracht volgens de Dublinverordening en een significant risico op onttrekking aan toezicht.
Eiser stelde beroep in tegen dit besluit en voerde aan dat de maatregel gebrekkig gemotiveerd was, disproportioneel en dat lichtere middelen zoals een meldplicht hadden moeten worden overwogen. Verweerder stelde dat de maatregel terecht was opgelegd vanwege de Dublin-aanknopingspunten en het risico op onderduiken.
De rechtbank oordeelde dat de motivering van verweerder voldoende individueel en concreet was, dat de zware en lichte gronden samen een significant risico op onderduiken aannemelijk maakten, en dat het grensbewakingsbelang het opleggen van een bewaringsmaatregel rechtvaardigde. Er was geen grond om de maatregel onrechtmatig te achten.
Het beroep werd daarom ongegrond verklaard, het verzoek om schadevergoeding afgewezen en het beroep voortvloeiend uit de kennisgeving niet-ontvankelijk wegens gebrek aan belang. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.