Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:4151

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
26 februari 2026
Publicatiedatum
2 maart 2026
Zaaknummer
NL26.6922
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 lid 3 Vreemdelingenwet 2000Art. 94 lid 1 Vreemdelingenwet 2000Art. 94 lid 6 Vreemdelingenwet 2000Art. 5.1b lid 2 VreemdelingenbesluitArt. 5.1b lid 3 Vreemdelingenbesluit
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongegrond beroep tegen vrijheidsontnemende maatregel vreemdelingenbewaring

Eiser is op 25 januari 2026 een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd op grond van artikel 6, derde lid, van de Vreemdelingenwet 2000, vanwege een concreet aanknopingspunt voor overdracht volgens de Dublinverordening en een significant risico op onttrekking aan toezicht.

Eiser stelde beroep in tegen dit besluit en voerde aan dat de maatregel gebrekkig gemotiveerd was, disproportioneel en dat lichtere middelen zoals een meldplicht hadden moeten worden overwogen. Verweerder stelde dat de maatregel terecht was opgelegd vanwege de Dublin-aanknopingspunten en het risico op onderduiken.

De rechtbank oordeelde dat de motivering van verweerder voldoende individueel en concreet was, dat de zware en lichte gronden samen een significant risico op onderduiken aannemelijk maakten, en dat het grensbewakingsbelang het opleggen van een bewaringsmaatregel rechtvaardigde. Er was geen grond om de maatregel onrechtmatig te achten.

Het beroep werd daarom ongegrond verklaard, het verzoek om schadevergoeding afgewezen en het beroep voortvloeiend uit de kennisgeving niet-ontvankelijk wegens gebrek aan belang. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het beroep tegen de vrijheidsontnemende maatregel wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht
zaaknummers: NL26.6922 (beroep) en NL26.9563 (kennisgeving)

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], V-nummer: [v-nummer], eiser

(gemachtigde: mr. N. Birrou),
en

de minister van Asiel en Migratie,

(gemachtigde: mr. B. Pattiata).

Procesverloop

1. Bij besluit van 25 januari 2026 (het bestreden besluit) is aan eiser met toepassing van artikel 6, derde lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd.
1.1.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
1.2.
Verweerder heeft op 20 februari 2026 de rechtbank op grond van artikel 94, eerste lid, van de Vw van de bewaring in kennis gesteld. Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Dit beroep is geregistreerd onder zaaknummer NL26.9563.
1.3.
Partijen hebben toestemming verleend de zaak schriftelijk te behandelen. De gemachtigde van eiser heeft op 9 februari 2026 de gronden van het beroep ingediend. Verweerder heeft hier op 17 februari 2026 op gereageerd. Op 20 februari 2026 heeft de rechtbank het onderzoek gesloten.

Overwegingen

2. Indien de rechtbank bij de beoordeling van het beroep van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 94, zesde lid, van de Vw het beroep gegrond.
3. In de maatregel van bewaring heeft verweerder overwogen dat de maatregel nodig was, omdat een concreet aanknopingspunt bestond voor een overdracht als bedoeld in de Dublinverordening en een significant risico bestond dat eiser zich aan het toezicht zou onttrekken. Verweerder heeft, onder verwijzing naar artikel 5.1b, tweede, derde en vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit (Vb), als zware gronden vermeld dat eiser:
3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;
3g. in het Nederlandse rechtsverkeer gebruik heeft gemaakt van valse of vervalste documenten;
en als lichte gronden vermeld dat eiser:
4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;
4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
4. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit en voert daartoe het volgende aan. Verweerder heeft het besluit gebrekkig gemotiveerd door gebruik te maken van standaardformuleringen. Er is geen sprake van een concreet en individueel vastgesteld risico op onttrekking. Verder is de maatregel disproportioneel. Verweerder had moeten onderzoeken of kon worden volstaan met een lichter middel, zoals een meldplicht.
5. De rechtbank overweegt als volgt.
6. Op 25 januari 2026 is eiser de vrijheidsontnemende maatregel opgelegd op grond van artikel 6, derde lid, van de Vw. Eiser heeft aan de grens te kennen gegeven een asielaanvraag te willen indienen en is vervolgens opgenomen in de grensprocedure. Aangezien was gebleken dat eiser in het bezit was van een Italiaans Schengenvisum, heeft verweerder aanleiding gezien voor de veronderstelling dat eiser valt binnen de reikwijdte van Verordening (EU) 604/213 (Dublinverordening), en de maatregel voorzien van een motivering betreffende het significant risico op onttrekking aan het toezicht.
7. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder de maatregel terecht op de Dublinaanknopingspunten doen berusten. Anders dan verweerder betoogt heeft verweerder de maatregel dan ook met recht voorzien van een motivering betreffende het significant risico op onttrekking aan het toezicht.
8. De rechtbank stelt vast dat de zware grond 3a en de lichte gronden 4c en 4d niet zijn bestreden. Naar het oordeel van de rechtbank zijn deze zware grond en lichte gronden en de daarbij gegeven motivering in onderlinge samenhang bezien reeds voldoende om ten aanzien van eiser een significant risico op onderduiken aan te nemen. Dat een motivering ook bij (veel) andere vreemdelingen aan de orde kan zijn, betekent niet dat deze motivering niet individueel is. [1]
9. De rechtbank is verder van oordeel dat verweerder zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat in dit geval geen andere afdoende, maar minder dwingende maatregelen dan de inbewaringstelling doeltreffend konden worden toegepast. Daarbij wijst verweerder er terecht op dat het grensbewakingsbelang in beginsel het opleggen van een bewaringsmaatregel vergt, omdat met een lichtere maatregel toegang tot Nederland wordt verkregen. Daarbij is het aan eiser om feiten en omstandigheden aan te voeren die voor verweerder aanleiding hadden moeten zijn om van de maatregel af te zien.
10. Ook met inachtneming van de ambtshalve toetsing waartoe de rechtbank gehouden is, [2] ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat de maatregel van bewaring onrechtmatig is geweest. Het beroep wordt ongegrond verklaard. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
Kennisgeving
11. De rechtbank is van oordeel dat verweerder de kennisgeving onnodig heeft gedaan, omdat eiser zelf al op 8 februari 2026 beroep tegen het opleggen van de maatregel heeft ingesteld. Omdat het beroep tegen de maatregel al op grond van het beroepschrift in de zaak met nummer NL26.6922 is beoordeeld, bestaat voor partijen geen belang meer bij een inhoudelijke beoordeling van het beroep dat is ontstaan als gevolg van de door verweerder ingediende kennisgeving. De rechtbank zal het beroep in de zaak met nummer NL26.9563 daarom niet-ontvankelijk verklaren.
12. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep met zaaknummer NL26.6922 ongegrond;
- verklaart het beroep met zaaknummer NL26.9563 niet-ontvankelijk;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C.I.H. Kerstens-Fockens, rechter, in aanwezigheid van mr. J.R. Froma, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

Voetnoten

1.Zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 25 maart 2020, ECLI:NL:RVS:2020:829, ro 20.
2.Zie de arresten van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858 en 4 september 2025, ECLI:EU:C:2025:647.