ECLI:NL:RBDHA:2026:4163

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
2 maart 2026
Publicatiedatum
2 maart 2026
Zaaknummer
NL26.9539
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59b Vreemdelingenwet 2000Art. 106 Vreemdelingenwet 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing beroep tegen voortduren maatregel van bewaring en schadevergoeding

Eiser, een Gambiaanse nationaliteit dragende persoon, werd op 28 november 2025 een maatregel van bewaring opgelegd door de minister van Asiel en Migratie. De rechtbank ontving op 20 februari 2026 een kennisgeving over het voortduren van deze maatregel, waarmee eiser geacht wordt beroep te hebben ingesteld en tevens een verzoek om schadevergoeding heeft ingediend.

De maatregel van bewaring werd op 20 februari 2026 opgeheven. De rechtbank heeft het onderzoek op 27 februari 2026 gesloten zonder zitting. De beoordeling richt zich op de vraag of de tenuitvoerlegging van de maatregel voorafgaand aan de opheffing onrechtmatig was en of eiser recht heeft op schadevergoeding.

De rechtbank stelt vast dat zij de maatregel eerder heeft getoetst en dat deze tot het moment van het sluiten van het eerdere onderzoek rechtmatig was. Voor het beroep is nu relevant of het voortduren van de maatregel sinds 10 december 2025 tot de opheffing rechtmatig was. Eiser heeft geen gronden tegen het voortduren ingediend en de rechtbank komt ambtshalve niet tot het oordeel dat het voortduren onrechtmatig was.

Daarom verklaart de rechtbank het beroep ongegrond en wijst het verzoek om schadevergoeding af. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Uitkomst: Het beroep tegen het voortduren van de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.9539

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiser,

V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. R.E.J.M. van den Toorn),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder.

Procesverloop

Verweerder heeft op 28 november 2025 aan eiser de maatregel van bewaring opgelegd. [1]
De rechtbank heeft op 20 februari 2026 een kennisgeving ontvangen over het voortduren van de maatregel. Daarmee wordt eiser geacht tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep te hebben ingesteld en daarbij te hebben verzocht om schadevergoeding.
Verweerder heeft een voortgangsrapportage overgelegd.
Verweerder heeft op 20 februari 2026 de maatregel van bewaring opgeheven.
De rechtbank heeft bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft en het onderzoek op 27 februari 2026 gesloten.

Overwegingen

1. Eiser stelt te zijn geboren op [geboortedag] 2000 en de Gambiaanse nationaliteit te hebben.
2. Omdat de bewaring is opgeheven, beperkt de beoordeling zich in deze zaak tot de vraag of aan eiser schadevergoeding moet worden toegekend. In dit verband moet de vraag worden beantwoord of de tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring op enig moment voorafgaande aan de opheffing daarvan onrechtmatig is geweest. Op grond van artikel 106 van Pro de Vw kan de rechtbank indien de bewaring al is opgeheven vóór de behandeling van het verzoek om opheffing van de bewaring aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen.
3. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag heeft gelegen rechtmatig was. [2] Daarom staat nu, voor zover dat in beroep wordt aangevochten, ter beoordeling of sinds 10 december 2025 het voortduren van de maatregel van bewaring tot de opheffing daarvan rechtmatig is.
4. De rechtbank stelt vast dat eiser geen gronden heeft ingediend tegen de voortduring van de maatregel van bewaring.
5. De rechtbank komt ambtshalve niet tot het oordeel dat het voortduren van de maatregel van bewaring tot de opheffing daarvan op enig moment onrechtmatig was.
6. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
 verklaart het beroep ongegrond; en
 wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan op 2 maart 2026 door mr. K.M. de Jager, rechter, in aanwezigheid van R. Ben Sellam, griffier, en openbaar gemaakt door middel van een geanonimiseerde publicatie op
www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder a, b en c, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw).
2.Rb Den Haag (zittingsplaats Middelburg) 15 december 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:24003.