Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:4189

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
23 februari 2026
Publicatiedatum
3 maart 2026
Zaaknummer
NL26.8387
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59 VwArt. 50 VwArt. 5.1b VreemdelingenbesluitArt. 77 Hof van Justitie EUArt. 79 Hof van Justitie EU
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Opheffing maatregel van bewaring wegens ontbreken motivering non-refoulement

Eiseres, met de Braziliaanse nationaliteit, werd op 13 februari 2026 in bewaring gesteld op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000. De maatregel werd opgelegd vanwege risico op ontduiking van toezicht en belemmering van uitzetting. Hoewel eiseres de gronden voor de maatregel niet betwistte, stelde zij dat verweerder niet had beoordeeld of het non-refoulementbeginsel zich tegen haar uitzetting verzet, zoals vereist volgens het arrest Adrar van het Hof van Justitie van de EU.

De rechtbank oordeelde dat verweerder in de maatregel geen motivering had gegeven over het non-refoulementbeginsel, waardoor de maatregel onrechtmatig is. De rechtbank volgde de recente jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State en het Hof van Justitie, die stellen dat zonder een dergelijke motivering de maatregel niet kan worden gehandhaafd. Een belangenafweging door verweerder kon dit gebrek niet repareren.

De rechtbank verklaarde het beroep gegrond, hief de maatregel van bewaring op met ingang van de uitspraakdatum en kende eiseres een schadevergoeding toe van €1.360,- voor de onrechtmatige vrijheidsontneming. Tevens werden de proceskosten van €1.868,- aan eiseres toegekend, te betalen door de minister aan de rechtsbijstandverlener. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Uitkomst: De maatregel van bewaring is opgeheven wegens het ontbreken van een motivering over het non-refoulementbeginsel en eiseres ontvangt een schadevergoeding.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Haarlem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.8387

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiseres] , eiseres,

V-nummer: [nummer] ,
(gemachtigde: mr. V.M. Oliana),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder,

(gemachtigde: mr. M. Smeulders).

Procesverloop

Bij besluit van 13 februari 2026 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiseres de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.
Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet ook worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 23 februari 2026 op zitting behandeld. Eiseres heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiseres stelt de Braziliaanse nationaliteit te hebben en te zijn geboren op [datum] 1997.
2. Eiseres is op 13 februari 2026 opgehouden op grond van artikel 50, derde lid, van de Vw omdat de identiteit van eiseres onmiddellijk kon worden vastgesteld maar niet / niet onmiddellijk bleek dat zij rechtmatig verblijf had. Diezelfde dag is zij in bewaring gesteld op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw.
3. In de maatregel van bewaring heeft verweerder overwogen dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het risico bestaat dat eiseres zich aan het toezicht zal onttrekken en eiseres de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. Verweerder heeft, onder verwijzing naar artikel 5.1b, eerste, derde en vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit (Vb), als zware gronden vermeld dat eiseres:
3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;
3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en zij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;
en als lichte gronden vermeld dat eiseres:
4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan;
4e. verdachte is van enig misdrijf dan wel daarvoor is veroordeeld.
4. Eiseres heeft de zware en lichte gronden die aan de maatregel ten grondslag liggen niet bestreden. De rechtbank ziet ook ambtshalve toetsend geen aanleiding voor het oordeel dat de gronden de maatregel van bewaring niet kunnen dragen.
5. Eiseres voert onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 12 februari 2026 [1] aan dat op het moment van oplegging van de maatregel, geen zicht op uitzetting bestond. Verweerder heeft namelijk nagelaten overeenkomstig het arrest Adrar van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 4 september 2025 [2] te beoordelen of het beginsel van non-refoulement zich al dan niet verzet tegen de uitzetting van eiseres.
5.1.
Verweerder heeft ter zitting desgevraagd bevestigd dat in de maatregel van bewaring geen beoordeling van het beginsel van non-refoulement is gemaakt. Verweerder stelt zich op het standpunt dat dit echter niet betekent dat de maatregel onrechtmatig is. Dit gebrek kan volgens verweerder namelijk gepasseerd worden omdat een belangenafweging in het voordeel van verweerder uitvalt.
5.2.
De rechtbank oordeelt als volgt. De Afdeling heeft in haar uitspraak van 12 februari 2026 het volgende overwogen:
’10. Als de minister zijn standpunt in de maatregel van bewaring dat het beginsel van non-refoulement zich niet tegen de uitzetting van een vreemdeling verzet, niet of niet deugdelijk heeft gemotiveerd, moet de rechtbank het beroep tegen de maatregel van bewaring gegrond verklaren en de bewaring opheffen. Omdat zicht op uitzetting een onder punt 77 van het arrest van het Hof van 8 november 2022, C, B en X, ECLI:EU:C:2022:858, bedoelde algemene en abstracte regel is, vereist voor de rechtmatigheid van een maatregel van bewaring, moet een vreemdeling volgens punt 79 van dat arrest onmiddellijk worden vrijgelaten. Zie hierover de uitspraak van de Afdeling van 26 juli 2023, ECLI:NL:RVS:2023:2829, onder 5.2 en 6.’.
Nu verweerder in de maatregel niet heeft gemotiveerd dat het beginsel van non-refoulement zich niet verzet tegen de uitzetting van eiseres, ziet de rechtbank zich, gelet op hetgeen de Afdeling in rechtsoverweging 10 heeft overwogen, gedwongen het beroep gegrond te verklaren en de maatregel op te heffen. Voor een belangenafweging, waar verweerder op wijst, is gelet op de strikte formulering van deze rechtsoverweging, geen plaats. Voor zover verweerder verwijst naar de uitspraak van 19 februari 2026 [3] van deze rechtbank, merkt de rechtbank op dat in die uitspraak de Afdelingsuitspraak van 12 februari 2026 niet kenbaar is betrokken.
6. Het beroep is gegrond en de maatregel van bewaring is vanaf het moment van opleggen daarvan onrechtmatig. De rechtbank beveelt de opheffing van de maatregel van bewaring met ingang van vandaag.
7. De rechtbank acht gronden aanwezig om een schadevergoeding toe te kennen voor 11 dagen onrechtmatige (tenuitvoerlegging van de) vrijheidsontnemende maatregel van 1 x € 160,- (verblijf politiecel) en 10 x € 120,- (verblijf detentiecentrum) = € 1.360,-.
8. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op €1.868,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1). Omdat aan eiseres een toevoeging is verleend, moet de minister de proceskostenvergoeding betalen aan de rechtsbijstandverlener.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- beveelt de opheffing van de maatregel van bewaring met ingang van vandaag;
- veroordeelt de Staat der Nederlanden tot het betalen van een schadevergoeding aan eiseres tot een bedrag van € 1.360,-, te betalen door de griffier en beveelt de tenuitvoerlegging van deze schadevergoeding;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 1.868,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. W.B. Klaus, rechter, in aanwezigheid van mr. T.A. O'Sullivan, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

Voetnoten

2.Arrest van het Hof van Justitie van 4 september 2025, Adrar, ECLI:EU:C:2025:647.
3.Zaaknummer NL26.5304.