ECLI:NL:RBDHA:2026:4191

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
3 maart 2026
Publicatiedatum
3 maart 2026
Zaaknummer
NL26.9189
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59a VwArt. 5.1a VbArt. 5.1b Vb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongegrond beroep tegen maatregel van bewaring op grond van artikel 59a Vreemdelingenwet

De minister heeft op 17 februari 2026 een maatregel van bewaring opgelegd aan eiser, een asielzoeker van Nigeriaanse nationaliteit, op grond van artikel 59a van de Vreemdelingenwet 2000. Eiser stelde beroep in tegen dit besluit en verzocht tevens om schadevergoeding. De rechtbank behandelde het beroep op 27 februari 2026 via telehoren.

De minister baseerde de bewaring op meerdere zware en lichte gronden, waaronder het niet op voorgeschreven wijze binnenkomen van Nederland, het onttrekken aan toezicht, het niet meewerken aan een overdrachtsbesluit en het ontbreken van vaste woon- of verblijfplaats en voldoende middelen van bestaan. Eiser betwistte de zware gronden, maar de rechtbank oordeelde dat deze, samen met de lichte gronden, voldoende zijn om de bewaring te dragen en het risico op onttrekking aannemelijk te maken.

De rechtbank stelde vast dat eiser Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, zich aan het toezicht heeft onttrokken en niet wil meewerken aan overdracht aan Duitsland. Ook de lichte gronden werden niet betwist. De rechtbank vond dat de minister terecht geen lichter middel toepaste en dat er geen medische of persoonlijke omstandigheden waren die bewaring onevenredig maken.

Verder concludeerde de rechtbank dat de minister voortvarend werkt aan de overdracht en dat het beginsel van non-refoulement en gezinsleven zich niet tegen uitzetting verzetten. Het beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het beroep tegen de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.9189

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam], eiser

geboren op [geboortedatum],
van Nigeriaanse nationaliteit
V-nummer: [nummer],
(gemachtigde: mr. M. Pater),
en

de minister van Asiel en Migratie, de minister,

(gemachtigde: mr. K.J. Diender).

Inleiding

1. Bij besluit van 17 februari 2026 (het bestreden besluit) heeft de minister aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.
1.1.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
1.2.
De rechtbank heeft het beroep op 27 februari 2026 door middel van telehoren op zitting behandeld. Eiser is verschenen op het detentiecentrum in Rotterdam. Eiser heeft zich laten bijstaan door mr. M. Rasul, die heeft waargenomen voor zijn gemachtigde. Mr. M. Rasul is verschenen op de rechtbank in Groningen. De tolk heeft via een telefonische verbinding vertaald. De minister heeft zich op de rechtbank laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. De rechtbank heeft het onderzoek op de zitting gesloten.

Beoordeling door de rechtbank

2. In de maatregel van bewaring heeft de minister overwogen dat de maatregel nodig is, omdat een concreet aanknopingspunt bestaat voor een overdracht als bedoeld in de Dublinverordening en een significant risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken. De minister heeft, onder verwijzing naar artikel 5.1b, tweede, derde en vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb), als zware gronden vermeld dat eiser:
(
zware gronden)
3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;
3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;
3k. een overdrachtsbesluit heeft ontvangen en geen medewerking verleent aan de overdracht aan de lidstaat die verantwoordelijk is voor de behandeling van zijn asielverzoek;
en als lichte gronden vermeld dat eiser:
(
lichte gronden)
4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb [1] heeft gehouden;
4b. meerdere aanvragen tot het verlenen van een verblijfsvergunning heeft ingediend die niet tot verlening van een verblijfsvergunning hebben geleid;
4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
2.1.
De minister heeft de gronden in de maatregel nader gemotiveerd. Verder heeft de minister gemotiveerd waarom een minder dwingende maatregel (lichter middel) niet doeltreffend kan worden toegepast.
2.2.
De minister heeft op de zitting de lichte grond 4a laten vervallen.
Voortraject
3. De rechtbank stelt vast dat eiser de procedure voorafgaand aan de inbewaringstelling niet heeft bestreden. De bewaring is niet op die grond onrechtmatig.
Grondslag
4. De rechtbank is van oordeel dat eiser valt onder de in artikel 59a van de Vw genoemde categorie vreemdelingen. Er bestaat een concreet aanknopingspunt voor een overdracht zoals bedoeld in de Dublinverordening. Op 13 oktober 2025 heeft Duitsland namelijk akkoord gegeven op het door Nederland ingediende claimverzoek.
Gronden
5. Van een significant risico dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken, is sprake als zich ten minste twee gronden voordoen, waarvan ten minste één zware grond. [2] De rechtbank stelt vast dat uit de uitspraak van de Afdeling [3] van 25 maart 2020 volgt dat om de hier aan de orde zijnde zware gronden aan de maatregel ten grondslag te kunnen leggen, het voldoende is dat deze gronden feitelijk juist zijn. [4] Bij alle in artikel 5.1b, vierde lid, van het Vb 2000 bedoelde lichte gronden moet de staatssecretaris zowel feitelijk als nader toelichten waarom iedere grond tot het oordeel leidt dat een (significant) risico op onderduiken bestaat. [5]
5.1.
Eiser heeft ter zitting alle drie de zware gronden bestreden. Ten aanzien van zware grond 3a voert eiser aan dat hem niet kan worden tegengeworpen, omdat hij een asielzoeker is die hier is gekomen voor veiligheid en internationale bescherming. Zware grond 3b kan volgens eiser niet worden tegengeworpen, omdat hij zich niet aan het toezicht heeft onttrokken. Ten aanzien van grond 3k voert eiser aan dat hij het overdrachtsbesluit niet heeft ontvangen, maar dat hij wel wil meewerken als hij wordt overgedragen aan Duitsland. De lichte gronden zijn volgens eiser niet voldoende zwaar om op basis daarvan een risico op onttrekking aan te nemen.
5.2.
De rechtbank is van oordeel dat de zware en lichte gronden 3a, 3b en 3k, 4b, 4c en 4d aan de maatregel ten grondslag kunnen worden gelegd en dat deze, in samenhang gezien, voldoende zijn om de maatregel van bewaring te kunnen dragen en om aan te nemen dat een risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken, dan wel dat hij de voorbereiding van vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert.
5.3.
De lichte gronden zijn door eiser niet betwist. De rechtbank ziet ook ambtshalve geen aanleiding voor het oordeel dat deze gronden, in samenhang bezien, de maatregel van bewaring niet kunnen dragen. Ten tijde van de inbewaringstelling bestond er dan ook voldoende grond voor het standpunt van de minister dat het risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken.
5.4.
Het is feitelijk juist dat eiser Nederland niet op voorgeschreven wijze is binnengekomen (3a). Dat hij Nederland als asielzoeker is ingereisd, maakt dit niet anders. [6]
Op 2 januari 2025 heeft eiser asiel aangevraagd en op 4 maart 2025 heeft hij een overdrachtsbesluit gekregen. Toen is eiser op 19 maart 2025 vertrokken en is hij na zijn plaatsing in het asielzoekerscentrum van 20 augustus 2025 vervolgens weer op 28 augustus 2025 MOB vertrokken. Hiermee is gebleken dat eiser zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving enige tijd aan het toezicht heeft onttrokken (3b). Ook is feitelijk juist dat eiser op 22 januari 2026 een overdrachtsbesluit heeft gekregen en daaraan niet wil meewerken (3k). Eiser heeft namelijk in zijn vertrekgesprek van 11 februari 2026 aangegeven niet naar Duitsland te willen. Deze grond kan ook aan eiser worden tegengeworpen. De lichte grond 4b kan ook aan de maatregel ten grondslag worden gelegd, nu eiser meerdere aanvragen tot het verlenen van een verblijfsvergunning heeft ingediend. Daarnaast heeft eiser geen vaste woon- en verblijfplaats (grond 4c) en onvoldoende middelen van bestaan (4d).
Lichter middel
6. De rechtbank is van oordeel dat de minister terecht geen aanleiding heeft gezien om aan eiser een lichter middel dan de maatregel van bewaring op te leggen. In dit kader acht de rechtbank van belang dat, zoals hiervoor is overwogen, de gronden de maatregel van bewaring kunnen dragen en dat hiermee het risico op onttrekking is gegeven.
6.1.
Verder is de rechtbank niet gebleken van persoonlijke belangen dan wel medische omstandigheden van eiser die de bewaring voor hem onevenredig bezwarend maken, en waarin de minister aanleiding had moeten zien om aan eiser een lichter middel dan bewaring op te leggen. Eiser stelt dat hij hartproblemen heeft en hiervoor pijnstillers neemt. Echter staat hij niet onder medische behandeling, gebruikt hij geen voorgeschreven medicatie en heeft eiser geen medische documenten overlegd. Daarnaast stelt de minister zich terecht op het standpunt dat in het detentiecentrum de nodige medische voorzieningen beschikbaar zijn die gelijk kunnen worden gesteld aan de voorzieningen in de vrije maatschappij.
Voortvarendheid en zicht op uitzetting
7. De rechtbank is van oordeel dat de minister voldoende voortvarend werkt aan de overdracht van eiser en dat zicht op overdracht niet ontbreekt. Er is voor 4 maart 2026 een verzoek tot grensoverdracht gedaan.
8. De rechtbank ziet ook ambtshalve geen aanleiding voor het oordeel dat het opleggen van de maatregel van bewaring onrechtmatig moet worden geacht. [7] Bovendien is niet gebleken dat het beginsel van non-refoulement en/of de eerbiediging van zijn gezins- of familieleven zich tegen de uitzetting van eiser verzet. [8]
Conclusie en gevolgen
9. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
-verklaart het beroep ongegrond;
-wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Sibma, rechter, in aanwezigheid van S.H. Passial, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

Voetnoten

1.Vreemdelingenbesluit 2000.
2.Zie artikel 5.1a, vijfde lid, van het Vb en artikel 5.1b, tweede lid, van het Vb.
3.Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
4.ECLI:NL:RVS:2020:829. Zie ook de uitspraak van de Afdeling van 25 juli 2025 (ECLI:NL:RVS:2025:3442).
5.Idem.
7.Arrest van het Hof van Justitie van 8 november 2022 in de zaak C, B en X tegen de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, C-704/20 en C-39/21, ECLI:EU:C:2022:858.
8.Arrest van het Hof van Justitie van 4 september 2025 in de zaak GB tegen de Minister van Asiel en Migratie, C-313/25 PPU (Adrar), ECLI:EU:C:2025:647.