ECLI:NL:RBDHA:2026:4197

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
3 maart 2026
Publicatiedatum
3 maart 2026
Zaaknummer
NL25.56836
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening in asielzaak na niet-ontvankelijkheid beroep

Verzoeker heeft een asielaanvraag ingediend die door de minister van Asiel en Migratie op 12 november 2025 is afgewezen als kennelijk ongegrond. Tegelijkertijd is aan verzoeker een terugkeerbesluit en een inreisverbod van twee jaar opgelegd.

Verzoeker heeft tegen dit besluit beroep ingesteld en tevens een voorlopige voorziening gevraagd. De voorzieningenrechter heeft het verzoek om voorlopige voorziening samen met het beroep op 17 februari 2026 behandeld, waarbij verzoeker niet is verschenen en zijn gemachtigde zich heeft afgemeld. De minister werd vertegenwoordigd door zijn gemachtigde.

De rechtbank heeft het samenhangende beroep niet-ontvankelijk verklaard, waardoor de voorlopige voorziening niet langer nodig is. Om die reden wijst de voorzieningenrechter het verzoek om voorlopige voorziening af. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen omdat het samenhangende beroep niet-ontvankelijk is verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.56836

uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen

[naam], verzoeker,

V-nummer: [nummer]
(gemachtigde: mr. B. de Haan),
en

de minister van Asiel en Migratie, de minister

(gemachtigde: mr. D.L. Boer).

Procesverloop

1. Met het bestreden besluit van 12 november 2025 heeft de minister de asielaanvraag van verzoeker afgewezen als kennelijk ongegrond. Daarbij is aan verzoeker een terugkeerbesluit en een inreisverbod voor de duur van twee jaar opgelegd.
1.1.
Verzoeker heeft hiertegen beroep ingesteld [1] en heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
1.2.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek, samen met het beroep op 17 februari 2026 op zitting behandeld. Verzoeker is niet verschenen. Zijn gemachtigde heeft zich afgemeld. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

2. Bij uitspraak van vandaag heeft de rechtbank uitspraak gedaan op het samenhangende beroep van verzoeker, en dat beroep niet-ontvankelijk verklaard. Een voorlopige voorziening is daarom niet meer nodig. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om deze reden af. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C.H. de Groot, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van A.J. van Bruggen, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudononimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Zaaknummer NL25.56835.