ECLI:NL:RBDHA:2026:4200

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
3 maart 2026
Publicatiedatum
3 maart 2026
Zaaknummer
11893155 Rl EXPL 25-17464
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:162 BWArt. 6:119 BWArt. 1:119 BWArt. 1:199 BWArt. 10:100 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing vordering wegens onrechtmatig handelen gemeente bij registratie vaderschap in BRP

De zaak betreft een geschil tussen een vader en de gemeente over de registratie van het vaderschap van zijn minderjarige zoon in het Basisregistratie Personen (BRP). De vader was aanvankelijk als juridisch vader in het BRP opgenomen, maar de gemeente schrapte deze registratie na een bezwaarprocedure, omdat zij twijfelde aan de erkenning volgens Canadees recht en de toestemming van de moeder.

De vader stelde dat de gemeente onrechtmatig had gehandeld door de registratie te verwijderen en eiste schadevergoeding. De rechtbank onderzocht of de erkenning in Canada rechtsgeldig was en of de moeder toestemming had gegeven, wat volgens Nederlands recht vereist is. De familierechter had eerder geoordeeld dat de vader de minderjarige in Canada had erkend en dat de moeder toestemming had gegeven, mede omdat zij geen bezwaar maakte.

De rechtbank oordeelde dat de gemeente niet onrechtmatig had gehandeld, omdat zij niet kon worden geacht kennis te hebben van het buitenlandse recht en omdat de toestemming van de moeder niet vooraf duidelijk was. De gemeente mocht daarom wachten op een rechterlijke uitspraak over de toestemming. De vorderingen van de vader werden afgewezen en hij werd veroordeeld in de proceskosten.

Uitkomst: De vorderingen van de vader wegens onrechtmatig handelen van de gemeente worden afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANKDEN HAAG
Kantonrechter, zittingsplaats Den Haag
Zaaknummer: 11893155 / RL EXPL 25-17464
CB/c
Vonnis van 3 maart 2026
in de zaak van:
[eisende partij],
wonende te [woonplaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eisende partij] ,
gemachtigde: mr. J.J. van Kuijk (KCA Advocaten),
tegen
de publiekrechtelijke rechtspersoon
Gemeente Delft,
zetelende en kantoorhoudende te Delft,
gedaagde partij,
hierna te noemen: de Gemeente,
gemachtigde: mr. M.M.L. Dierikx (Gemeente Delft).

1.De procedure

1.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 8 september 2025 met vijftien producties (nrs. 1 tot en met 15);
- de conclusie van antwoord van 20 november 2025 met veertien producties (nrs. 1 tot en met 14);
- de akte aan de zijde van [eisende partij] voor de zitting van 30 januari 2025, binnengekomen bij de griffie op 22 januari 2026 met drie aanvullende producties (nrs 1 tot en met 3).
1.2
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 30 januari 2026. Daarbij is [eisende partij] in persoon verschenen, samen met zijn gemachtigde en zijn namens de Gemeente mevr. [naam] en de gemachtigde verschenen. Van hetgeen tijdens de mondelinge behandeling is besproken heeft de griffier zakelijke aantekeningen gemaakt, die zich in het griffiedossier bevinden. Een schikking is niet bereikt.
1.3
Tenslotte is vonnis bepaald op vandaag.

2.De feiten

2.1
[eisende partij] is de vader van een minderjarige zoon, [de minderjarige] (hierna: de minderjarige), die op [geboortedatum] 2024 in [geboorteplaats] , [geboorteland] is geboren. De moeder van de minderjarige is [de moeder] (hierna: de moeder).
2.2
Ten tijde van de geboorte van de minderjarige had [eisende partij] een relatie met de moeder en woonden zij in [plaats] , Canada. Zij waren niet gehuwd.
2.3
Na terugkeer uit Canada is de relatie van [eisende partij] met de moeder beëindigd.
2.4
Op 5 februari 2024 is de minderjarige in het BRP van de Gemeente ingeschreven. Daarbij is tevens ingeschreven dat [eisende partij] de juridisch vader van de minderjarige was in zin van artikel 1:199 BW Pro.
2.5
Nadat op 28 maart 2025 een bezwaarschrift van [eisende partij] tegen het doorhalen van zijn hoedanigheid van juridische vader van de minderjarige ongegrond was verklaard, heeft de Gemeente die hoedanigheid uit het BRP geschrapt.
2.6
[eisende partij] heeft een procedure gevoerd met de moeder als belanghebbende waarbij hij verzocht heeft te beslissen op de erkenning van de minderjarige, hem tevens met het gezag te belasten en een omgangsregeling vast te stellen. Op 14 mei 2025 heeft de familierechter van deze rechtbank bij beschikking ten aanzien van de erkenning van de minderjarige het volgende overwogen en beslist (voor zover relevant):
Voorvraag: erkenning in Canada?
De man stelt dat hij [de minderjarige] in Canada al heeft erkend. De aangifte van de geboorte van [de minderjarige] is digitaal gegaan met een bijzonder nummer waarmee ingelogd kon worden. De man staat als vader op de geboorteakte. De gemeente Delft heeft in eerste instantie de man als juridische vader in het BRP opgenomen maar die later gecorrigeerd. Zij vonden dat er onvoldoende documenten waren waaruit de juridische afstamming was af te leiden. Het bezwaar van de man tegen de beslissing van de ambtenaar om de correctie door te voeren is afgewezen.
De vrouw stelt zich op het standpunt dat geen erkenning heeft plaatsgevonden zoals ook door de ambtenaar van de burgerlijke stand is vastgesteld. De vrouw heeft er geen bezwaar tegen dat de man [de minderjarige] erken[t]. Zij wil wel dat [de minderjarige] de achternaam van beide ouders krijgt.
Ter beoordeling ligt eerst de vraag voor of de man [de minderjarige] al heeft erkend bij de aangifte van diens geboorte in Canada. De rechtbank stelt vast dat dit het geval is en legt dit als volgt uit.
Vast staat dat de man op de Canadese geboorteakte van [de minderjarige] als vader is vermeld. Ingevolge artikel 10:101 lid 1 juncto Pro 10:100 leden 1, onder b en c, leden 2 en 3 BW wordt een buitenlands tot stand gekomen rechtsfeit of rechtshandeling, waarbij familierechtelijke betrekkingen zijn vastgesteld of erkend, welke zijn neergelegd in een door een bevoegde instantie overeenkomstig de plaatselijke voorschriften opgemaakte akte erkend, tenzij
- aan de rechtshandeling geen behoorlijk onderzoek of behoorlijke rechtspleging is voorafgegaan, of
- de erkenning van de rechtshandeling onverenigbaar is met de openbare orde.
Niet in geschil is dat de geboorteakte door de bevoegde instantie in Canada volgens plaatselijke voorschriften is opgemaakt. Tussen partijen is verder niet in geschil dat de man de verwekker is van [de minderjarige] zodat hij, naar Canadees recht (artikel 7, 1, Childrens’ Law Act) juridische vader is, zoals ook op de geboorteakte is vermeld.
Vervolgens is de vraag of het in Canada tot stand gekomen vaderschap van de man onverenigbaar is met de openbare orde. Hiervan is sprake als de moeder geen toestemming voor de erkenning door de vader heeft gegeven, wat naar Nederlands recht noodzakelijk is. Omdat de moeder de Nederlandse nationaliteit heeft, is Nederlands recht van toepassing op de vraag of toestemming van de moeder heeft plaatsgevonden. Deze toestemming van de moeder hoeft niet uit de buitenlandse akte te blijken. Voldoende is dat deze achteraf kan worden vastgesteld uit de feiten en omstandigheden.
De rechtbank is van oordeel dat de moeder toestemming voor de erkenning door de man heeft gegeven en legt dit uit als volgt.
Uit de door de vader overgelegde gegevens volgt dat op [geboortedatum] 2024 op naam van de moeder een aangifte is gedaan van de geboorte van [de minderjarige] , waarbij de man als vader van [de minderjarige] is aangemeld. Uit wat partijen ter zitting hebben verklaard, hebben zij tezamen aangifte gedaan van de geboorte van [de minderjarige] , waarbij zij de man als vader van [de minderjarige] hebben opgegeven. Op de zitting heeft de moeder ook verklaard geen bezwaar te hebben dat de man [de minderjarige] erken[t].
Dit alles betekent dat de geboorteakte waarin de man als juridische vader van [de minderjarige] is aangemerkt voor erkenning in Nederland in aanmerking komt. De rechtbank zal dit in het dictum opnemen.
2.7
Na de beschikking van 14 mei 2025 heeft de Gemeente [eisende partij] weer als juridisch vader van de minderjarige in het BRP opgenomen.

3.Het geschil

3.1
[eisende partij] vordert bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad: (I.) te verklaren voor recht dat de Gemeente onrechtmatig heeft gehandeld in de zin van artikel 6:162 BW Pro door te weigeren om het gezamenlijke gezag waarover hij beschikte te registreren in de daarvoor bestemde registers en de vadergegevens te verwijderen uit het Brp; (II.) de Gemeente te veroordelen tot betaling van de door hem geleden schade, thans begroot op € 24.007,28 dan wel een nader door de kantonrechter in goede justitie te bepalen bedrag aan schade; (III.) te bepalen dat de Gemeente gehouden is om de wettelijke handelsrente ex artikel 6:119 Burgerlijk Pro Wetboek te vergoeden, vanaf 13 juli 2025, althans vanaf de dag der dagvaarding, althans vanaf een nader door de kantonrechter in goede justitie te bepalen datum; (IV.) de Gemeente te veroordelen in de kosten van het geding, alsmede in de nakosten ad € 135,00 zonder betekening, te voldoen binnen 14 dagen na dagtekening van het vonnis en – voor het geval voldoening van de nakosten niet binnen de gestelde termijn plaatsvindt – te vermeerderen met de wettelijke rente over de nakosten te rekenen vanaf bedoelde termijn van voldoening.
3.2
Aan zijn vordering legt [eisende partij] ten grondslag dat de Gemeente onrechtmatig dan wel onzorgvuldig heeft gehandeld door de erkenning van zijn zoon aanvankelijk wel in het BRP te registreren, maar die inschrijving vervolgens weer te schrappen, om de inschrijving pas weer te effectueren na een uitspraak van de familierechter. Als gevolg van een en ander heeft [eisende partij] schade geleden, die hij door de Gemeente vergoed wenst te zien.
3.3
De Gemeente voert verweer, welk verweer erop neerkomt dat de Gemeente niet onrechtmatig jegens [eisende partij] heeft gehandeld en daardoor niet aansprakelijk is voor schade.
3.4
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4.De beoordeling

4.1
Deze procedure gaat over de vraag of de Gemeente onrechtmatig heeft gehandeld door de te weigeren in het BRP op te nemen dat [eisende partij] de minderjarige als zijn zoon heeft erkend, althans om hem als juridisch vader uit het BRP te verwijderen en, indien dat het geval zou zijn, of de Gemeente dan aansprakelijk is voor de schade die hij daardoor heeft geleden.
4.2
Aanvankelijk heeft de Gemeente [eisende partij] als (juridisch) vader in het BRP geregistreerd. Naar aanleiding van een bezoek van [eisende partij] aan de Gemeente vanwege het feit dat hij niet voorkwam in het gezagsregister van de minderjarige is de Gemeente een onderzoek gestart naar het juridisch vaderschap van [eisende partij] . Op grond van dat onderzoek kwam de Gemeente tot het voorlopig oordeel dat uit de Canadese geboorteakte niet kon worden afgeleid dat [eisende partij] de minderjarige formeel (in Canada) had erkend. Na nader onderzoek en een bezwaarprocedure heeft de Gemeente [eisende partij] uit het BRP verwijderd.
4.3
Uitgangspunt bij de beoordeling van dit geschil is dat uit artikel 1:119 onder Pro c. BW voortvloeit dat als juridisch vader van een kind, die niet is gehuwd of een geregisterd partnerschap heeft met de moeder, wordt aangemerkt
de man, die het kind heeft erkend. In het geval van een in Nederland geboren kind vindt erkenning plaats ten overstaan van de ambtenaar van de burgerlijke stand, waarbij de moeder toestemming moet geven. Niet is gebleken dat een dergelijke erkenning heeft plaatsgevonden ten tijde van het bezoek van [eisende partij] en de moeder op 5 februari 2025 aan de Gemeente om de minderjarige in het BRP in te schrijven.
4.4
Een in het buitenland geboren kind kan reeds, voordat het kind wordt ingeschreven in het Nederlandse BRP, door de vader zijn erkend op de voet van artikel 1:119 onder Pro c. BW, maar het is aan de betreffende gemeente om zich ervan te vergewissen dat erkenning heeft plaatsgevonden. Dat is niet alleen van belang omdat bij het bijhouden van het BRP de grootst mogelijk zorgvuldigheid in acht moet worden genomen, maar – in het geval van minderjarige kinderen – ook dat uit de erkenning het gezag over de kinderen voortvloeit.
4.5
Uit het procesdossier blijkt dat de Gemeente bij nader inzien, toen zij de inschrijving van de erkenning door [eisende partij] nader ging bezien, tot het oordeel kwam dat uit het enige document, waarover zij toen beschikte, namelijk de als productie 1 bij dagvaarding overgelegde Canadese geboorteakte, niet kon opmaken dat [eisende partij] de minderjarige had erkend. De Gemeente is daarbij niet over een nacht ijs gegaan. Zij heeft zowel bij de Nederlandse Vereniging van Burgerzaken (NVVB), als bij de Canadese ambassade in Nederland, als bij de provincie Ontario advies ingewonnen. Op grond van deze adviezen kon de Gemeente naar haar oordeel niet concluderen dat [eisende partij] de minderjarige had erkend.
4.6
Uit de geboorteakte blijkt dat [eisende partij] de verwekker en dus de vader van de minderjarige is. Zonder nadere kennis van het Canadese (familie)recht is uit de akte evenwel niet af te leiden dat naar Canadees recht de verwekker van een kind tevens als de juridische vader geldt, en het kind dus erkend heeft, zoals de familierechter in de in rechtsoverweging 2.6 aangehaalde beschikking heeft overwogen. Van de Gemeente kan niet worden verwacht dat zij op dit punt relevante kennis van buitenlands recht, meer in het bijzonder Canadees recht, heeft.
4.7
Maar wat hoe dan ook niet uit de akte blijkt is of de moeder toestemming heeft gegeven om het kind te erkennen, hetgeen, zoals de familierechter eveneens heeft overwogen, naar Nederlands recht een vraag van openbare orde is. Daarbij heeft de familierechter ook overwogen dat de toestemming niet uit de buitenlandse akte hoeft te blijken (hetgeen ook niet het geval is), maar dat het ook voldoende is dat achteraf uit feiten en omstandigheden de toestemming van de moeder blijkt.
4.8
Uiteindelijk is voor de familierechter voldoende om te oordelen dat [eisende partij] de minderjarige heeft erkend omdat zij in Canada samen de aangifte van het kind hebben gedaan èn omdat op de zitting de moeder heeft verklaard geen bezwaar te hebben tegen erkenning door [eisende partij] .
4.9
Uit deze overweging blijkt dat de combinatie van beide omstandigheden de familierechter tot het oordeel hebben gebracht. In hoeverre het ene zwaarder of minder zwaar weegt dan het andere blijkt niet, maar wel dat beide omstandigheden samengenomen doorslaggevend zijn.
4.1
Omdat, zoals reeds in rechtsoverweging 4.3 is overwogen, niet is gebleken dat de moeder eerder dan op de zitting bij de familierechter toestemming heeft gegeven tot erkenning, kon van de Gemeente zonder dat eerst ofwel [eisende partij] volgens de Nederlandse praktijk de minderjarige zou erkennen (aldus met blijk van toestemming van de moeder) ofwel een rechter een oordeel gaf over de toestemming van de moeder niet gevergd worden dat zij de inschrijving van erkenning door [eisende partij] zou herstellen of handhaven. Naar het oordeel van de kantonrechter is in het voorliggende geval dan ook sprake van
zorgvuldighandelen van de Gemeente en geen sprake van
onzorgvuldighandelen. Dat eerst een rechterlijke beslissing nodig was om over de vereiste toestemming van de moeder voor erkenning te oordelen, kan dan ook niet aan de Gemeente worden tegengeworpen.
4.11
Uit het voorgaande vloeit voort dat niet is voldaan aan een van de voorwaarden, waaraan een onrechtmatige daad moet voldoen, en dat aldus geen sprake is van een
onrechtmatigedaad. Reeds daarom moeten de vorderingen van [eisende partij] worden afgewezen, omdat die alle op die grondslag zijn gebaseerd. De kantonrechter hoeft daarmee ook geen oordeel te geven over de hoogte van de gevorderde schadevergoeding.
4.12
[eisende partij] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van Gemeente worden begroot op:
- salaris gemachtigde
1.154,00
(2 punten × € 577,00)
- nakosten
144,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
totaal
1.298,00.

5.De beslissing

De kantonrechter:
5.1.
wijst de vorderingen van [eisende partij] af;
5.2.
veroordeelt [eisende partij] in de proceskosten van € 1.298,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [eisende partij] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend;
5.3.
verklaart dit vonnis wat betreft de proceskostenveroordeling van [eisende partij] uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door kantonrechter mr. C.W.D. Bom en in het openbaar uitgesproken op 3 maart 2026 in aanwezigheid van de griffier.