ECLI:NL:RBDHA:2026:4202
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening bij uitstel van vertrek vreemdeling
Verzoeker heeft een aanvraag ingediend voor uitstel van vertrek op grond van artikel 64 van Pro de Vreemdelingenwet 2000. De minister van Asiel en Migratie heeft deze aanvraag op 17 oktober 2025 afgewezen. Vervolgens heeft verzoeker bezwaar gemaakt tegen deze afwijzing, maar het bezwaar is bij besluit van 21 november 2025 eveneens afgewezen.
Tegen dit besluit heeft verzoeker beroep ingesteld bij de rechtbank Den Haag en tegelijkertijd een verzoek om voorlopige voorziening ingediend. De voorzieningenrechter heeft het verzoek om voorlopige voorziening samen met het beroep op 24 februari 2026 behandeld.
De voorzieningenrechter heeft geoordeeld dat nu de rechtbank op dezelfde dag uitspraak heeft gedaan op het beroep, een voorlopige voorziening niet langer noodzakelijk is. Daarom is het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen omdat de rechtbank op dezelfde dag uitspraak heeft gedaan op het hoofdberoep.