ECLI:NL:RBDHA:2026:4208
Rechtbank Den Haag
- Kort geding
- Rechtspraak.nl
Afwijzing vordering contact- en straatverbod na strafrechtelijk verbod wegens stalking
Eiseres en gedaagde hadden een affectieve relatie die is verbroken. Na de breuk heeft gedaagde eiseres tegen haar wil benaderd, wat leidde tot aangifte van stalking door eiseres bij de politie op 9 juli 2025. Naar aanleiding daarvan legde de officier van justitie een contact- en locatieverbod op aan gedaagde, verlengd tot 5 januari 2026. De politierechter veroordeelde gedaagde op 13 november 2025 tot een voorwaardelijke taakstraf wegens belaging met een contactverbod als bijzondere voorwaarde.
Eiseres vorderde in kort geding een civielrechtelijk contact- en straatverbod voor twaalf maanden na betekening van het vonnis, stellende dat zij zich onveilig voelt en vreest voor hernieuwde benadering en escalatie. Gedaagde betwistte het spoedeisend belang en stelde dat het strafrechtelijke verbod voldoende bescherming biedt.
De voorzieningenrechter oordeelde dat het spoedeisend belang volgt uit de aard van de vordering en de gestelde onveiligheid, maar dat een straatverbod alleen kan worden opgelegd als geen andere maatregelen de persoonlijke vrijheid van eiseres kunnen waarborgen. Gezien de recente strafrechtelijke veroordeling en het contactverbod achtte de rechter het niet gerechtvaardigd om het civielrechtelijke verbod op te leggen. Eiseres maakte niet aannemelijk dat gedaagde na juli 2025 nog contact heeft gezocht of fysiek aanwezig was. De vrees van eiseres was onvoldoende onderbouwd.
De vordering werd afgewezen en eiseres werd veroordeeld in de proceskosten van €1.459,00. Het vonnis is gewezen door mr. P. Dondorp en uitgesproken op 16 februari 2026.
Uitkomst: De vordering tot oplegging van een civielrechtelijk contact- en straatverbod wordt afgewezen wegens onvoldoende aannemelijkheid van voortgezet contact na strafrechtelijk verbod.