ECLI:NL:RBDHA:2026:4226
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing aanvraag faciliterend visum op grond van artikel 20 VWEU bevestigd ondanks motiveringsgebrek
Eiser, een vreemdeling van Ugandese nationaliteit, vroeg op 17 december 2024 een faciliterend visum aan om bij zijn minderjarige zoon in Nederland te verblijven. De minister wees de aanvraag op 24 december 2024 af, waarna bezwaar en beroep volgden. De minister handhaafde de afwijzing met het argument dat de zoon inmiddels meerderjarig was en niet meer aan de voorwaarden werd voldaan.
De rechtbank oordeelt dat de minister ten onrechte uitging van de leeftijd van de zoon op het moment van de bezwaarprocedure in plaats van bij de aanvraagdatum. Dit vormde een motiveringsgebrek, maar de rechtbank passeert dit gebrek op grond van artikel 6:22 Awb Pro omdat de minister subsidiair voldoende gronden heeft aangevoerd om de afwijzing te handhaven.
De rechtbank stelt vast dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat aan de voorwaarden c en d van paragraaf B10/2.5.1 van de Vreemdelingencirculaire is voldaan, waaronder een afhankelijkheidsrelatie en zorg voor de minderjarige. Ook is het bezwaar kennelijk ongegrond, zodat een hoorzitting niet verplicht was.
Het beroep wordt ongegrond verklaard, maar eiser krijgt een proceskostenvergoeding van €1.868,- toegewezen vanwege het motiveringsgebrek. De uitspraak is gedaan door rechter N.M. van Waterschoot en griffier Y. van Wijk op 3 maart 2026.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de aanvraag voor een faciliterend visum wordt ongegrond verklaard, met een proceskostenvergoeding voor eiser.