ECLI:NL:RBDHA:2026:4235

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
3 maart 2026
Publicatiedatum
4 maart 2026
Zaaknummer
C/09/696151 / KG ZA 25-1237
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Kort geding
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2.130 Aw 2012Art. 22 lid 2 RvArt. 22 lid 6 RvArt. 22 lid 7 RvArt. 28 lid 1 aanhef en onder b Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing vordering tot intrekking en herbeoordeling gunningsbeslissing aanbesteding legeringsgebouwen

In maart 2025 startte de Staat een Europese aanbestedingsprocedure voor raamovereenkomsten voor de bouw van gestandaardiseerde legeringsgebouwen voor Defensie, verdeeld in twee percelen. Eiseres en tussenkomende partij werden geselecteerd voor Perceel 2 (1-persoonslegeringskamers). De Staat gaf op 27 november 2025 het voornemen tot gunning aan tussenkomende partij bekend, waarbij eiseres als tweede eindigde. Eiseres vorderde daarop in kort geding de intrekking van de gunningsbeslissing en een herbeoordeling van de inschrijvingen door een nieuwe beoordelingscommissie.

De voorzieningenrechter oordeelde dat de beoordeling van kwalitatieve criteria slechts beperkt door de rechter kan worden getoetst en dat alleen bij onbegrijpelijke motivering of wezenlijke procedurele of inhoudelijke gebreken ingrijpen aan de orde is. Eiseres bracht meerdere bezwaren aan, waarvan nieuwe bezwaren na de rechtsbeschermingstermijn buiten beschouwing werden gelaten. De motivering van de gunningsbeslissing werd als voldoende beoordeeld, waarbij de Staat de relatieve voordelen van de winnende inschrijving had toegelicht.

De inhoudelijke bezwaren van eiseres tegen de beoordeling van de vijf kwaliteitscriteria werden niet aannemelijk gemaakt als evident onjuist of ondeugdelijk. Ook haar verzoeken tot geheimhouding van bepaalde producties en een mededelingsverbod aan derden werden afgewezen. De vorderingen van eiseres en tussenkomende partij werden afgewezen, waarbij eiseres werd veroordeeld in de proceskosten van de Staat en tussenkomende partij.

Uitkomst: De voorzieningenrechter wijst de vordering tot intrekking van de gunningsbeslissing en herbeoordeling van de inschrijvingen af en veroordeelt eiseres in de proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANK Den Haag

Team handel - voorzieningenrechter
Zaaknummer: C/09/696151 / KG ZA 25-1237
Vonnis in kort geding van 3 maart 2026
in de zaak van
[eiseres] B.V.te [vestigingsplaats 1],
eiseres,
hierna te noemen: [eiseres],
advocaten: mr. B. Nijhof en mr. A.H.N. van Beek,
tegen
DE STAAT DER NEDERLANDEN (Ministerie van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening, Rijksvastgoedbedrijf)te Den Haag,
gedaagde,
hierna te noemen: de Staat,
advocaten: mr. T.A. Burger en mr. L.S.L. van Pelt.
waarin is tussengekomen
[tussenkomende partij] B.V.te [vestigingsplaats 2],
hierna te noemen: [tussenkomende partij]
advocaat: mr. D.R. Versteeg.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 16 december 2025, met producties;
- de (op 23 januari 2026 ingediende) akte van vermeerdering gronden tevens houdende indiening producties van [eiseres], met producties;
- de brief van de rechtbank van 29 januari 2026;
- de conclusie van antwoord, met producties;
- de incidentele conclusie tot tussenkomst subsidiair voeging, met producties.
1.2.
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 3 februari 2026. De advocaten van partijen hebben ter zitting het woord gevoerd aan de hand van pleitnotities. Deze pleitnotities maken deel uit van het dossier.
1.3.
In de aanloop naar dit kort geding heeft de advocaat van [eiseres] de voorzieningenrechter verzocht om op de producties 20 tot en met 24 artikel 22 lid 2 Rv Pro [1] toe te passen, in die zin dat alleen de Staat en de voorzieningenrechter van die producties zouden mogen kennisnemen en niet [tussenkomende partij]. Hierbij heeft [eiseres] toegelicht dat zij de concrete punten die zij aanhaalt in haar dagvaarding en akte van dien aard dat deze gedeeld kunnen worden met [tussenkomende partij], maar dat de volledige kwaliteitsdocumenten [tussenkomende partij] een veel verdergaande inkijk zouden bieden in de inschrijvingsstrategie van [eiseres] en de totaaloplossing die zij heeft aangeboden. Volgens [eiseres] moet [tussenkomende partij] op basis van de dagvaarding, de akte en de overige producties in staat worden geacht effectief deel te kunnen nemen aan het inhoudelijke debat. [eiseres] heeft de voorzieningenrechter hierbij verzocht om het verzoek op de voet van artikel 22 lid 6 Rv Pro te verwijzen naar een andere voorzieningenrechter.
1.4.
Bij brief van 29 januari 2026 heeft de voorzieningenrechter aan de advocaat van [eiseres] bericht dat de rechter en griffier vooralsnog geen kennis zullen nemen van de producties 20 tot en met 24, dat hierover ter zitting een nadere beslissing wordt genomen en dat er vooralsnog geen aanleiding is om het verzoek op voorhand naar een andere voorzieningenrechter te verwijzen.
1.5.
Na haar toelating als tussenkomende partij heeft [tussenkomende partij] bezwaar gemaakt tegen het verzoek van [eiseres]. [tussenkomende partij] heeft zich hierbij op het standpunt gesteld dat zij niet inziet waarom [eiseres] niet zou kunnen volstaan met het als productie indienen van de door aangehaalde concrete punten. Daarnaast heeft [tussenkomende partij] erop gewezen dat [eiseres] niet al haar verwijzingen naar haar inschrijving heeft voorzien van citaten. Tot slot heeft [tussenkomende partij] een aantal praktische voorstellen gedaan om met de productie 20 tot en met 24 om te gaan, zonder de procedure van artikel 22 lid 5 Rv Pro te hoeven doorlopen.
1.6.
Ter zitting heeft de voorzieningenrechter meegedeeld dat hij – uit praktische overwegingen – vooralsnog geen kennis heeft genomen van de stukken, omdat niet op voorhand duidelijk is wat de bedoeling van de stukken is en dat de weigering om deze stukken aan [tussenkomende partij] te verstrekken gerechtvaardigd is. Vervolgens heeft de voorzieningenrechter beslist dat er zo nodig een tussenvonnis wordt gewezen indien kennisname van de stukken noodzakelijk wordt geacht.
1.7.
Verder heeft [eiseres] voorafgaand aan de mondelinge behandeling een verzoek gedaan om [tussenkomende partij] op grond van artikel 28 lid 1 aanhef Pro en onder b Rv een verbod op te leggen om mededelingen te doen aan derden. Ook op dit verzoek wordt in dit vonnis beslist.
1.8.
Vonnis is nader bepaald op vandaag.

2.Het incident tot tussenkomst

2.1.
[tussenkomende partij] heeft gevorderd in de procedure tussen [eiseres] en de Staat te mogen tussenkomen, dan wel zich te mogen voegen aan de zijde van de Staat. [eiseres] en de Staat hebben verklaard hiertegen geen bezwaar te hebben. In verband met de nadelige gevolgen die [tussenkomende partij] van een uitspraak in de hoofdzaak kan ondervinden, heeft zij voldoende belang om zich te mengen in dit kort geding. Niet gebleken is dat de inmenging van [tussenkomende partij] een voortvarende afdoening van dit geschil in kort geding in de weg staat. Aangezien [tussenkomende partij] in de hoofdzaak een vordering heeft ingesteld, is zij toegelaten als tussenkomende partij.

3.De feiten

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.
3.1.
In maart 2025 heeft de Staat (meer in het bijzonder het Rijksvastgoedbedrijf) de aankondiging gedaan voor de Europese aanbestedingsprocedure voor de opdracht ‘Raamovereenkomst voor ontwerp & realisatie van gestandaardiseerde legeringsgebouwen voor Defensie’ (hierna: de Opdracht). Het gaat om een concurrentiegerichte dialoog als bedoeld in hoofdstuk 4 van het ARW 2016 [2] .
3.2.
Met de Opdracht beoogt de Staat per perceel een raamovereenkomsten te sluiten met opdrachtnemers die gestandaardiseerde legeringsgebouwen voor diverse Defensielocaties verspreid door Nederland kunnen bouwen. De legeringsgebouwen moeten bestaan uit 1-persoonslegeringskamers of 8-persoonslegeringskamers, al naar gelang de locatie.
3.3.
De Opdracht is verdeeld in twee percelen, waarbij Perceel 1 ziet op de 8-persoonslegeringskamers en Perceel 2 op de 1-persoonslegeringskamers. Dit kort geding heeft uitsluitend betrekking op Perceel 2.
3.4.
De aanbestedingsprocedure bestond uit een aanmeldfase, waarin per perceel drie gegadigden werden geselecteerd voor de daaropvolgende dialoog- en inschrijvingsfase.
Tijdens de aanmeldfase hebben dialooggesprekken plaatsgevonden tussen de Staat en de potentiële inschrijvers.
3.5.
De Opdracht is nader omschreven in onder meer de Aanbestedingsleidraad van 22 april 2025 (hierna: de Aanbestedingsleidraad aanmeldingsfase), de Aanbestedingsleidraad dialoog- en inschrijvingsfase Europese procedure van de concurrentiegerichte dialoog van 27 maart 2025 (hierna: de Aanbestedingsleidraad), het Ambitiedocument Legeringsgebouwen, een contextsensitieve bouwsystematiek van maart 2025 (hierna: het Ambitiedocument) en de Vraagspecificatie. Deze stukken zijn in de aanmeldfase aan de potentiële inschrijvers ter beschikking gesteld.
3.6.
Het gunningscriterium is de ‘economisch meest voordelige inschrijving gehanteerd op basis van de beste prijs kwaliteitverhouding’. De inschrijving met de laagste fictieve aanneemsom wordt aangemerkt als de economisch meest voordelige inschrijving.
3.7.
Voor Perceel 2 gelden de volgende vijf (sub)gunningscriteria:
 Kwaliteitscriterium 1: Ontwerpkwaliteit
 Kwaliteitscriterium 2: Proceskwaliteit
 Kwaliteitscriterium 3: Pilot locatie Volkel
 Kwaliteitscriterium 4: Kwaliteitsborging
 Kwaliteitscriterium 5: Financieel plan
3.8.
Volgens de in 3.4 van de Aanbestedingsleidraad beschreven beoordelingssystematiek kunnen inschrijvers per kwaliteitscriterium op basis van de door hen aangeboden meerwaarde een zogenoemde kwaliteitswaarde behalen, die in mindering wordt gebracht op hun inschrijfsom. De kwaliteitswaarde wordt uitgedrukt in procenten berekend over de maximale kwaliteitswaarde.
In paragraaf 3.4 van de Aanbestedingsleidraad staan de volgende tabellen:
3.9.
In paragraaf 2.1.2 van de Aanbestedingsleidraad zijn de volgende kritische succesfactoren (hierna: ook KSF) vermeld:

De kritische succesfactoren van de opdracht zijn:
  • Het toepassen van een gestandaardiseerd bouwconcept in een geïndustrialiseerde omgeving waardoor de productiesnelheid van de realisatie van nieuwe gebouwen toeneemt;
  • Het realiseren van gebouwen die duurzaam en betaalbaar zijn (beheersbare kosten);
  • Het realiseren van gebouwen die aantrekkelijk zijn om in te verblijven;
  • Het realiseren van gebouwen die de trots van de militairen en de medewerkers ondersteunt;
  • Het continue meenemen van 'lessons learned' in het proces;
  • Een goede samenwerking/afstemming tussen partijen die de voorspelbaarheid en betrouwbaarheid (met name van de planning) ten goede komt;
  • Het tijdens de realisatiefase zorgen voor continuïteit van de reguliere bedrijfsvoering van gebruiker (Defensie) door deze zo min mogelijk te verstoren.
3.10.
In paragraaf 6.2 van de Aanbestedingsleidraad staat vermeld dat de beoordelingscommissie bestaat uit vijf leden en dat de inschrijvingen door ieder lid van de beoordelingscommissie de kwaliteitsdocumenten onafhankelijk van elkaar beoordeelt, waarna in overleg tussen de leden per kwaliteitscriterium, in consensus, de kwaliteitswaarde wordt vastgesteld.
3.11.
In paragraaf 6.4. van de Aanbestedingsleidraad is bepaald dat indien binnen 20 dagen na mededeling van de gunningsbeslissing een kort geding aanhangig is gemaakt, de Staat niet tot gunning zal overgaan totdat in kort geding vonnis is gewezen. Hierbij staat vermeld dat indien niet binnen die termijn een kort geding aanhangig is gemaakt, de rechten van inschrijvers om op te komen tegen de gunningsbeslissing vervallen.
3.12.
Na de aanmeldfase is [eiseres] tezamen met [tussenkomende partij] en een andere partij geselecteerd voor toelating tot de dialoog- en inschrijvingsfase.
3.13.
Bij bericht van 27 november 2025 heeft de Staat aan [eiseres] meegedeeld dat zij voornemens is de Opdracht te gunnen aan [tussenkomende partij] en dat [eiseres] als tweede is geëindigd. De onderbouwing van de gunningsbeslissing is opgenomen in een aparte bijlage met daarin een tabel met toelichting, die 9 pagina’s beslaat.
3.14.
Uit de scoretabel volgt dat [eiseres] heeft ingeschreven met een lagere inschrijfsom dan [tussenkomende partij], maar dat [tussenkomende partij] beter heeft gescoord op de kwalitatieve criteria. Op Kwaliteitscriterium 1 hebben [tussenkomende partij] en [eiseres] een gelijke score gehaald. Op de Kwaliteitscriteria 2 en 5 heeft [eiseres] een hogere score behaald dan [tussenkomende partij], terwijl [tussenkomende partij] op de Kwaliteitscriteria 3 en 4 een hogere score heeft behaald dan [eiseres]. Op de Kwaliteitscriteria 3 en 4 waar [tussenkomende partij] beter heeft gescoord dan [eiseres] bevat de tabel een motivering.
3.15.
Naar aanleiding van de beoordeling heeft [eiseres] een evaluatiegesprek aangevraagd bij de Staat. Dat gesprek stond gepland op 11 december 2025, maar heeft geen doorgang gevonden. Daarnaast heeft [eiseres] op 12 december 2025 een klachtenbrief gestuurd aan het Klachtenmeldpunt Aanbesteden Rijksvastgoedbedrijf.

4.Het geschil

4.1.
[eiseres] vordert, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, samengevat:
I. De Staat te gebieden om het gunningsvoornemen aan [tussenkomende partij] in te trekken;
II. De Staat te gebieden om een nieuwe beoordeling van de inschrijvingen voor Perceel 2 te verrichten met betrekking tot alle kwaliteitscriteria, althans een herbeoordeling voor die criteria waarvoor de voorzieningenrechter dat geraden acht, waarbij de herbeoordeling verricht dient te worden door een nieuwe beoordelingscommissie;
een en ander met veroordeling van de Staat in de proceskosten, te vermeerderen met de wettelijke rente.
4.2.
[eiseres] legt aan de vordering het volgende ten grondslag.
Aan de beoordeling van de inschrijving van [eiseres] voor Perceel 2 kleven meerdere procedurele en inhoudelijke gebreken. De beoordeling bevat evidente onjuistheden en de Staat heeft niet voldaan aan de motiveringsplicht. [eiseres] heeft er daarom recht op en een spoedeisend belang bij dat er een herbeoordeling plaatsvindt van alle inschrijvingen, waarbij de herbeoordeling wordt verricht door een nieuwe en onafhankelijke beoordelingscommissie. Ook indien [eiseres] in het ongelijk wordt gesteld, dient de Staat te worden veroordeeld in de proceskosten, omdat de Staat [eiseres] een evaluatiegesprek heeft ontzegd.
4.3.
De Staat voert verweer. De Staat concludeert tot afwijzing van de vorderingen van [eiseres], met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [eiseres] in de kosten van deze procedure, te vermeerderen met de wettelijke rente.
4.4.
[tussenkomende partij] vordert, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, de vorderingen van [eiseres] af te wijzen en de Staat te gebieden de gunningsbeslissing te handhaven, met veroordeling van [eiseres] in de proceskosten, waaronder de nakosten.
4.5.
Aan deze vordering legt [tussenkomende partij] ten grondslag dat zij er belang bij heeft dat de Opdracht definitief aan haar wordt gegund en dat zij daarom belang heeft bij afwijzing van de vorderingen van [eiseres] en handhaving van de gunningsbeslissing.
4.6.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

5.De beoordeling

5.1.
Tussen partijen is in geschil of de Staat de inschrijving van [eiseres] op de juiste wijze heeft beoordeeld en of de motivering van de gunningsbeslissing voldoet aan de daaraan te stellen eisen en of om daarom herbeoordeling van alle inschrijvingen aangewezen is.
Beoordelingskader
5.2.
De vorderingen van [eiseres] zijn in de eerste plaats gebaseerd op haar stelling dat de beoordelingscommissie fouten heeft gemaakt bij de beoordeling van de kwalitatieve subsubgunningscriteria (de Kwaliteitscriteria) 1 tot en met 5. Bij de beoordeling van deze stelling is het volgende van belang. Volgens vaste jurisprudentie heeft de voorzieningenrechter bij de toetsing van kwalitatieve criteria slechts een beperkte beoordelingsvrijheid. De voorzieningenrechter moet in beginsel uitgaan van de deskundigheid van de aangewezen beoordelingscommissie, terwijl bedacht moet worden dat de rechter geen deskundigheid bezit op het gebied van het onderwerp van de Opdracht en dus geen deskundigenoordeel kan geven over de uitkomst van de beoordeling. Slechts wanneer de beoordeling onbegrijpelijk is gemotiveerd of wanneer er sprake is van procedurele of inhoudelijke onvolkomenheden van wezenlijke aard die meebrengen dat de beoordeling gebrekkig is, is plaats voor ingrijpen door de rechter. Dit kader is tussen partijen niet in geschil.
Nieuwe bezwaren in de akte
5.3.
In de dagvaarding heeft een groot aantal bezwaren naar voren gebracht tegen de gunningsbeslissing. In haar akte van vermeerdering gronden, die vijf weken na de dagvaarding is ingediend, heeft [eiseres] een aantal van deze bezwaren nader onderbouwd. Daarnaast heeft zij in de akte vier nieuwe punten naar voren gebracht. De Staat heeft tegen het inbrengen van deze nieuwe punten bezwaar gemaakt en heeft ter zitting alleen voor zover nodig verweer gevoerd. De Staat heeft zich hierbij op het standpunt gesteld dat het indienen van nieuwe bezwaren na ommekomst van de rechtsbeschermingstermijn in strijd is met de substantiëringsplicht en de goede procesorde. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter brengt de door de Staat in deze aanbestedingsprocedure gehanteerde vervaltermijn mee (zie 3.11) dat hij niet kan worden verplicht om van definitieve gunning af te zien op basis van na afloop van de rechtsbeschermingstermijn naar voren gebrachte bezwaren. Dit brengt mee dat een inschrijver zijn bezwaren tegen de gunningsbeslissing in beginsel in de binnen de rechtsbeschermingstermijn uit te brengen dagvaarding moet concentreren. Het is in strijd met voormeld beginsel dat een inschrijver zijn bezwaren vermeerdert met een soort ‘zwaan-kleef-aan-constructie’, zoals [eiseres] dat in haar akte van vermeerdering gronden heeft gedaan. Deze nieuwe bezwaren worden daarom buiten beschouwing gelaten.
Inhoudelijke beoordeling
5.4.
De score van [eiseres] loopt per kwaliteitscriterium uiteen van “Neutraal” (voldoet, maar geen meerwaarde) tot “Ruim voldoende” (meerwaarde). De scores van de winnende inschrijving van [tussenkomende partij] liggen binnen dezelfde bandbreedte. [eiseres] heeft gesteld dat een hogere beoordeling van een van de kwaliteitscriteria ertoe zou leiden dat zij een lagere inschrijfprijs heeft dan van [tussenkomende partij] en daarmee als eerste zou zijn geëindigd. In dit kort geding moet dus worden beoordeeld of [eiseres] op één van de kwaliteitscriteria een hogere score had moeten krijgen of dat de beoordeling om andere redenen geen stand kan houden.
5.5.
De gunningsbeslissing is uitgebreid gemotiveerd en bevat een beschrijving van positieve en negatieve aspecten (aandachtspunten) in de inschrijving van [eiseres]. Tegen een aantal aandachtspunten heeft [eiseres] bezwaren naar voren gebracht. Dit betreft inhoudelijke bezwaren en deels daarop gebaseerde algemenere bezwaren.
Algemene bezwaren
5.6.
Anders dan [eiseres] heeft betoogd, is het niet zo dat iedere onvolkomenheid in de motivering van de beoordeling van een kwaliteitscriterium moet leiden tot een herbeoordeling. De enkele omstandigheid dat een onderdeel van de motivering – in de visie van [eiseres] – voor discussie vatbaar is, leidt niet zonder meer tot het oordeel dat de gehele beoordeling onzorgvuldig is. Zoals hiervoor al is overwogen moet het gaan om een tekortkoming van wezenlijke aard die meebrengt dat de beoordeling zodanig gebrekkig is dat herbeoordeling is aangewezen.
5.7.
In de conclusie van antwoord heeft de Staat verweer gevoerd tegen de bezwaren van [eiseres] en daarbij in reactie op de door [eiseres] opgeworpen bezwaren een toelichting gegeven op de motivering van de gunningsbeslissing. Anders dan [eiseres] heeft gesteld, staat het oordeel in het arrest KPN/Staat [3] hieraan niet in de weg. Dit geldt in ieder geval voor zover die toelichting een uitwerking is van de in de gunningsbeslissing gegeven motivering en dit geen nieuwe motivering betreft.
5.8.
In de dagvaarding heeft [eiseres] gesteld dat zij zich niet aan de indruk kan onttrekken dat de beoordelingscommissie onjuiste algemene vooroordelen heeft over modulaire bouw. Deze indruk baseert zij op delen van de motivering van de gunningsbeslissing, waarin bepaalde aspecten van haar inschrijving ter discussie worden gesteld. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft [eiseres] evenwel niet aannemelijk gemaakt dat deze bevindingen van de beoordelingscommissie (waarin het bijvoorbeeld gaat over de wenselijkheid van een onderbouwing of een gebrek aan reflectie) zijn terug te voeren op onjuiste (voor)oordelen over modulaire bouw, die nu juist in deze aanbestedingsprocedure werd uitgevraagd.
5.9.
Ter zitting heeft [eiseres] erop gewezen dat in de aanbestedingsprocedure 3.000 minimumeisen zijn geformuleerd. Zij heeft gesteld dat uit het feit dat zij heeft ingeschreven volgt dat zij aan die minimumeisen voldoet. Volgens haar was het daarom niet noodzakelijk (en ondoenlijk) om dit voor iedere eis expliciet te bevestigen en te concretiseren en mag zij dus ook niet op het ontbreken van toelichting op individuele eisen worden afgerekend. Met dit betoog gaat [eiseres] eraan voorbij dat het er volgens de beoordelingssystematiek om gaat of een inschrijver
meerwaardeheeft aangeboden. De Staat heeft er terecht op gewezen het aan de inschrijvers is om, tegen de achtergrond van het beoordelingskader, in hun inschrijving voldoende inzicht te geven in hetgeen zij aanbieden en dat indien specifieke keuzes onvoldoende zijn toegelicht, het niet mogelijk is om daaraan een meerwaarde toe te kennen. Het ligt dan ook op de weg van [eiseres] om aan te tonen dat zij in haar inschrijving meerwaarde heeft aangeboden, die door de beoordelingscommissie over het hoofd is gezien.
Kwaliteitscriterium 1
5.10.
Voor Kwaliteitscriterium 1 (Ontwerpkwaliteit) dienden inschrijvers een zogenoemde visiepresentatie in te dienen van het aan te bieden bouwconcept. In de Aanbestedingsleidraad zijn hiervoor de volgende beoordelingsaspecten opgenomen:

Aan Inschrijver wordt gevraagd een visie te geven op het aan te bieden bouwconcept met daarbij aandacht voor onderstaande aspecten per onderdeel.
Bouwconcept
Een visie op het aan te bieden bouwconcept waarin naar voren komt:
-
Welke geprefabriceerde bouwmethodiek Inschrijver aanbiedt specifiek voor deze opgave en wat de voordelen en de risico's hiervan zijn (d.w.z. welke meerwaarde dit biedt). In het specifiek ten aanzien van de aspecten:
(...)

Kwaliteit;

Duurzaamheid;

Flexibiliteit en Adaptiviteit (van het gebouw).
-
Welke variatie Inschrijver aanbiedt in gevelmaterialisatie (tot een maximum van drie materialisaties) en welke voordelen dit heeft (op basis van de randvoorwaarden die gesteld zijn in het Ambitiedocument)?
-
Hoe Inschrijver een integraal duurzaam ontwerp oplevert waarin aandacht is voor een gunstige Life Cycle Costs*. Hoe Inschrijver daarbij de materiaalkeuze, het installatieconcept en detaillering uitwerkt ten einde de energiebehoefte (verwarming en koeling) van de gebouwen te reduceren.
-
Hoe Inschrijver komt tot een zorgvuldige en passende invulling van de belevingswaarde zoals omschreven in het ambitiedocument in relatie tot een prettige leefomgeving voor medewerkers.
De beoordelingscommissie zal dit positief waarderen in de mate waarin naar voren komt dat:
-
Er sprake is van standaardisatie, eenvoudige aanpasbaarheid en een herkenbare identiteit passend bij de Defensiewaarden: trots, herkenbare professionaliteit en sociale veiligheid;
-
Duidelijk is welke onderdelen van het ontwerp modulair en repetitief zijn (generiek en locatie onafhankelijk) en welke onderdelen locatie specifiek zullen zijn/worden;
-
De ingediende visiepresentatie aansluit op de eisen, wensen en doelstellingen van Opdrachtgever (Vraagspecificatie en Ambitiedocument);
-
Dit blijk geeft van inzicht in (de kritische succesfactoren van) het project in het algemeen en in de beschreven onderwerpen in het bijzonder;
-
Dit reëel, duidelijk en volledig is;
-
Welke risico's Inschrijver onderkent en met welke adequate oplossingen deze ondervangt.
5.11.
Voor dit kwaliteitscriterium heeft [eiseres] een voldoende gescoord, omdat zij volgens de beoordelingscommissie enige meerwaarde heeft aangetoond. De motivering van de gunningsbeslissing bevat naast een aantal positieve punten ook zo’n zestien “aandachtspunten”, met daarin de negatief bevonden aspecten van de beoordeling. Met betrekking tot zeven aandachtspunten heeft [eiseres] bezwaren naar voren gebracht. De overige aandachtspunten heeft [eiseres] onweersproken gelaten.
5.12.
Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft [eiseres] tegenover het verweer van de Staat niet aannemelijk gemaakt dat een herbeoordeling zou moeten leiden tot een hogere beoordeling van Kwaliteitscriterium 1. Daartoe wordt het volgende overwogen.
5.13.
[eiseres] heeft zich op het standpunt gesteld dat de beoordelingscommissie bij de beoordeling ten onrechte aspecten over de uitvoering heeft betrokken, terwijl Kwaliteitscriterium 1 volgens [eiseres] uitsluitend betrekking had op het ontwerp. Zij heeft er daarbij verder op gewezen dat uit de aanbestedingstukken niet expliciet kon worden afgeleid dat moest worden ingegaan op risico’s van constructieve veiligheid en brandveiligheid en dat zij die daarom niet heeft meegenomen. Hiertegenover heeft de Staat zich gemotiveerd op het standpunt gesteld dat aspecten in de uitvoering van invloed kunnen zijn op de ontwerpkwaliteit en dat [eiseres] zich van dergelijke risico’s geen rekenschap heeft gegeven.
5.14.
Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft [eiseres] tegenover het verweer van de Staat niet aannemelijk gemaakt dat de door de beoordelingscommissie gesignaleerde risico’s niet relevant zouden kunnen zijn voor de kwaliteit van een ontwerp van een bouwconcept. Het oordeel dat het niet onderkennen van deze risico’s geen meerwaarde oplevert, is dan ook niet onbegrijpelijk.
5.15.
[eiseres] heeft bezwaar tegen een aandachtpunt dat betrekking heeft op de aanpasbaarheid van haar ontwerp. In de motivering van de gunningsbeslissing staat hierover het volgende:

Inschrijver geeft aan dat het bouwconcept mogelijkheden biedt voor herindeling of
functiewijziging, zowel tijdens de bouwfase als in de gebruiksfase. In de praktijk lijkt deze aanpasbaarheid volgens Opdrachtgever echter beperkt omdat het een 3D-bouwsysteem betreft. Het was wenselijk geweest deze mogelijkheid daarom nader te onderbouwen.
5.16.
[eiseres] heeft zich op het standpunt gesteld dat uit haar inschrijving volgt dat haar ontwerp juist wel volledig, inclusief de buitenwanden, aanpasbaar is. Zij heeft daartoe ter zitting gewezen op een passage uit haar inschrijving waarin zou staan dat “de gevel volledig demontabel en losmaakbaar is”. Ter zitting heeft de Staat erkend dat de motivering op dit punt scherper had gekund, maar dat [eiseres] de beoordelingscommissie hierin ook meer mee had kunnen nemen. Aan [eiseres] moet worden toegegeven dat de motivering van de gunningsbeslissing doet vermoeden dat de beoordelingscommissie de door [eiseres] aangehaalde passage mogelijk over het hoofd heeft gezien. Deze onvolkomenheid is evenwel niet van dien aard dat deze noopt tot een nieuwe beoordeling. Uit de motivering volgt dat het de beoordelingscommissie uit de inschrijving niet duidelijk was of het ontwerp volledig aanpasbaar was. Dat dat mogelijk wel uit de inschrijving was af te leiden, neemt niet weg dat het wenselijk was geweest om deze mogelijkheid nader te onderbouwen. De voorzieningenrechter acht het daarom onvoldoende aannemelijk dat hier sprake is van een onvolkomenheid van wezenlijke aard die maakt dat de beoordeling niet in stand kan blijven.
5.17.
Een van de belangrijkste bezwaren van [eiseres] betreft de kritiek op het door haar aangeboden warmwatervoorziening in de vorm van een gesloten bodemsysteem. In de motivering van de gunningsbeslissing staat hierover het volgende:

Het plan biedt enig zicht op het installatieconcept: Inschrijver stelt een generiek systeem toe te passen, een gesloten bodemsysteem voor de warmte en koude vraag. Dit is uiteraard mogelijk, maar kan vrijwel nooit opzichzelfstaand aan de behoefte voldoen. Naar oordeel van de beoordelingscommissie zal koude en warmte vrijwel altijd in onbalans zijn en zal zodoende een Lucht Water-Warmtepomp bijgevoegd moeten worden aan het systeem. Dit sluit niet aan bij de eisen, wensen en doelstellingen van Opdrachtgever.
5.18.
Het bezwaar van [eiseres] richt tegen het oordeel van de beoordelingscommissie dat er vrijwel altijd sprake zou zijn van onbalans. Volgens [eiseres] kan er op grond van artikel 4.1143 van het Besluit activiteiten leefomgeving alleen sprake zijn van onbalans als er over een periode van vijf jaar meer warmte dan koude aan de bodem wordt toegevoegd (en dus niet onttrokken). Met dit bezwaar gaat [eiseres] voorbij aan het belangrijkste deel van de beoordeling dat het aangeboden systeem vrijwel nooit alleen aan de warmtebehoefte zal voldoen en dat daarom mogelijk een extra systeem moet worden toegevoegd. Aangezien de Staat onweersproken heeft gesteld dat [eiseres] dit in haar inschrijving niet heeft toegelicht, is de beoordeling op dit punt niet evident ondeugdelijk.
5.19.
Een volgend bezwaar van [eiseres] richt zich op de kritiek van de beoordelingscommissie op haar keuze voor elektrische doorstromers in plaats van voorraadboilers, omdat de beoordelingscommissie deze keuze niet in lijn acht met de vraag voor een energieneutraal gebouw, waarbij moet worden uitgegaan van een gelijktijdig douchegebruik van 80%. Ter zitting hebben partijen gedebatteerd over de vergelijking tussen elektrische doorstromers en voorraadboilers van 1200 liter (volgens de Staat) of 1500 liter (volgens [eiseres]). Mede gelet op het ter zitting gevoerde debat, is het niet zonder meer aannemelijk dat de door [eiseres] voorgestelde elektrische doorstromers gelet op de uitvraag minstens zo geschikt zijn als voorraadboilers en dat de inschrijving van [eiseres] op dit punt voldoende was toegelicht. Hiermee is onvoldoende aannemelijk dat de beoordeling op dit punt evident ondeugdelijk is.
5.20.
Een ander bezwaar van [eiseres] betreft het oordeel van de beoordelingscommissie dat de legeringskamer in haar ontwerp smal zijn, waardoor deze beperkt zouden zijn in het gebruiksgemak. In de motivering van de gunningsbeslissing staat hierover het volgende:

Het ontwerp geeft blijk van smalle legeringskamers, waardoor deze beperkt zijn in
het gebruiksgemak. Het gebruiksgemak van een langwerpige kamer is minder dan
van een vierkante kamer. Hierdoor mist de kamer ruimtelijkheid. Dit is een
belangrijk aandachtspunt voor gebruiker. Dit sluit minder goed aan op de eisen,
wensen en doelstellingen van Opdrachtgever (Vraagspecificatie en
Ambitiedocument).
5.21.
Het bezwaar van [eiseres] komt erop neer dat in het Ambitiedocument als “
design intent” juist ook langwerpige kamers stonden opgenomen, zodat de Staat [eiseres] niet mag verwijten dat zij geen vierkante kamers heeft aangeboden. Tegenover het gemotiveerde verweer van de Staat dat het ontwerp van [eiseres] ruimtelijkheid mist – onder meer omdat het sanitair te dicht op de wastafel zou zitten – heeft [eiseres] herhaald dat de (buiten)maatvoering van haar ontwerp nagenoeg identiek zou zijn aan de afbeelding in het Ambitiedocument. De Staat heeft hiertegen verweer gevoerd.
5.22.
Met haar bezwaren tegen het gebruik van het woord “vierkant” en haar argumenten met betrekking tot de maatvoering gaat [eiseres] voorbij aan de kern van het oordeel van de beoordelingscommissie dat de kamers beperkt zijn in het gebruiksgemak, waarvan de afstand tussen het sanitair en de wastafel een sprekend voorbeeld is. [eiseres] heeft dit ook niet weersproken. Het oordeel van de beoordelingscommissie dat het ontwerp van de legeringskamer geen meerwaarde oplevert, is daarmee niet evident ondeugdelijk. [eiseres] heeft daarom ook geen belang bij een herbeoordeling op dit punt. Dat zou er hooguit toe kunnen leiden dat het woord “vierkant” – dat overigens niet noodzakelijkerwijs betrekking hoeft te hebben op de uitvraag van de Staat – wordt geschrapt, maar niet tot een hogere beoordeling.
5.23.
Nog een ander bezwaar van [eiseres] richt zich tegen het aandachtspunt dat zij in haar inschrijving geen blijk van inzicht geeft in de Kritische Succes Factoren (KSF). In de conclusie van antwoord heeft de Staat erop gewezen dat dit een onderdeel was van de beoordelingsaspecten van Kwaliteitscriterium 1 en dat dit in de inschrijving van [eiseres] ontbrak. Hoewel dat vervolgens wel op haar weg lag, heeft [eiseres] niet aannemelijk gemaakt dat zij in haar inschrijving wel een concrete terugkoppeling heeft gegeven op de KSF en/of dat dit aandachtspunt om een andere reden onterecht was.
5.24.
Tot slot heeft [eiseres] bezwaar gemaakt tegen de bevinding van de beoordelingscommissie dat de inschrijving van [eiseres] op een aantal punten onderbouwing mist. Het gaat hierbij onder meer om de PVC-vloeren en de onderbouwing waarom de legeringsgebouwen van [eiseres] tot acht lagen kunnen worden opgebouwd. Anders dan [eiseres] doet voorkomen, gaat het er hierbij niet om dat het ontwerp van [eiseres] volgens de beoordelingscommissie niet aan de eisen zou voldoen. De beoordelingscommissie heeft gesteld dat zij onderbouwing mist en [eiseres] heeft niet gesteld dat zij die onderbouwing wél heeft gegeven. Verder heeft zij ook niet aannemelijk gemaakt waarom de beoordelingscommissie op deze punten niet meer toelichting mocht verlangen en waarom dit aandachtspunt evident ondeugdelijk is.
Kwaliteitscriterium 2
5.25.
Voor Kwaliteitscriterium 2 (Proceskwaliteit) dienden inschrijvers een aanpak en een procesbeschrijving in te dienen. In de Aanbestedingsleidraad zijn hiervoor onder meer de volgende beoordelingsaspecten opgenomen:

De beoordelingscommissie zal dit positief waarderen in de mate waarin naar voren komt dat:
-
Dit blijk geeft van inzicht in (de kritische succesfactoren van) het project in het algemeen en in de beschreven onderwerpen in het bijzonder;
-
Het ingediende Plan aansluit op de eisen, wensen en doelstellingen van Opdrachtgever (Vraagspecificatie en Ambitiedocument) in relatie tot bovenstaande beoordelingsaspecten;
-
Dit specifiek is toegespitst op het onderhavige project (niet algemeen is);
-
Dit reëel, duidelijk en volledig is;
-
Dit op treffende wijze knelpunten en problemen signaleert;
-
Dit adequate oplossingen voor die knelpunten en problemen aandraagt.
5.26.
Voor dit kwaliteitscriterium heeft [eiseres] een “Ruim voldoende” gescoord, omdat zij volgens de beoordelingscommissie op een aantal punten meerwaarde heeft aangetoond. Naast een aantal positieve punten bevat de motivering van de gunningsbeslissing tien aandachtspunten, die [eiseres] deels onweersproken heeft gelaten. Het bezwaar van [eiseres] richt zich tegen het volgende aandachtspunt:

Het sterke accent op snelheid en first-time-right leidt tot een beperkte reflectie op
leervermogen en flexibiliteit. Er is geen toelichting opgenomen over hoe ervaringen
worden meegenomen in volgende projecten.
5.27.
Volgens [eiseres] had dit aandachtspunt niet mogen worden betrokken bij de beoordeling van Kwaliteitscriterium 2, omdat het meenemen van ervaringen (“
lessons learned”) onderdeel is van Kwaliteitscriterium 4. In de conclusie van antwoord heeft de Staat erop gewezen dat het meenemen van
lessons learnedonderdeel is van de KSF’s en daarmee van dit kwaliteitscriterium en dat hij bovendien bij de dialooggesprekken ter sprake heeft gebracht dat er overlap bestaat tussen Kwaliteitscriterium 2 en Kwaliteitscriterium 4. Hoewel dit vervolgens wel op haar weg lag, heeft [eiseres] niet aannemelijk gemaakt dat het meenemen van
lessons learnedtoch niet in de beoordeling van Kwaliteitscriterium 2 had mogen worden betrokken. Vervolgens heeft [eiseres] ter zitting met verwijzing naar een passage uit haar inschrijving betoogd dat zij in haar inschrijving wel degelijk heeft benoemd hoe zij ervaringen meeneemt in haar volgende projecten. Zij heeft hierbij de volgende passage aangehaald:

Samen kunnen we een Legeringsgebouwen-catalogus ontwikkelen waarmee in
vervolgprojecten direct keuzes kunnen maken uit gestandaardiseerde concepten en
maatwerkopties. Zo ontstaat vanaf de eerste ontwerpfase visueel inzicht in het
eindresultaat en wordt het proces continu verbeterd met lessons learned.
5.28.
Zonder nadere toelichting – die [eiseres] niet heeft gegeven – valt niet in te zien dat voormelde passage een voldoende concrete toelichting vormt op het meenemen van ervaringen in volgende projecten.
Kwaliteitscriterium 3
5.29.
Voor Kwaliteitscriterium 3 dienden inschrijving een schetsontwerp in te dienen voor een legeringsgebouw op de Vliegbasis Volkel. In het beoordelingskader is het volgende opgenomen:

Aan Inschrijver wordt een schets/structuurontwerp voor één gebouw en een planning gevraagd ten aanzien van de Pilot locatie Leeuwarden in geval van inschrijving op Perceel 1 of de pilot locatie Volkel in geval van inschrijving op perceel 2 (o.b.v. het Kavelpaspoort van de Pilot locatie, kwaliteitseisen in de VS en het Ambitiedocument) waarin het volgende naar voren komt:
-
Een vertaling van het hierboven beschreven kwaliteitscriterium 1: Ontwerpkwaliteit aangehaalde generieke ontwerpprincipes en het aangeboden bouwconcept naar een locatie specifiek ontwerp met aandacht voor de volgende aspecten:

Inpassing van het gebouw in de omgeving;

Uitstraling van het interieur en exterieur van het gebouw (naar zijn functie);

Functionele indeling van het gebouw.
-
Planning

Een planning op hoofdlijnen vanaf start verstrekking Nadere Overeenkomst (naar verwachting half januari 2026) tot oplevering van het pilot gebouw, waarin tenminste de ontwerpfases, de productie- en realisatiemijlpalen worden aangeduid. Met in acht neming dat het pilot gebouw zo snel als realistisch haalbaar gerealiseerd dient te worden. De wensplanning vanuit Opdrachtgever is oplevering van het (eerste) gebouw op de Pilot locatie in Q4 2026.
De beoordelingscommissie zal dit positief waarderen in de mate waarin naar voren komt
dat:
Ten aanzien van het ontwerp:
  • De ontwerpvisie ten aanzien van de bovengenoemde aspecten aansluit op de eisen, wensen en doelstellingen van Opdrachtgever (Vraagspecificatie en Ambitiedocument);
  • De visie van Inschrijver stedenbouwkundig en landschappelijk bijdraagt en hier een positieve invloed op levert;
  • Inschrijver erin slaagt om functionele en robuuste gebouwen te ontwerpen en te realiseren;
  • Het ontwerp werkt voor een functionele interactie tussen het interieur, exterieur en de omgeving;
  • De ontwerpvisie van meerwaarde is voor het welzijn van gebruikers en een gezonde verblijfsomgeving faciliteert (met aandacht voor o.a. transparantie, openheid, geborgenheid en privacy, daglicht en zicht, gebruikscomfort).
Ten aanzien van de planning:
  • De planning een hoge mate van realiteitsgehalte biedt;
  • Dit specifiek is toegespitst op het onderhavige project (niet algemeen is);
  • Dit reëel, duidelijk en volledig is omschreven;
  • Welke risico's inschrijver ziet ten aanzien van planningsaspecten en hoe inschrijver deze met adequate oplossingen ondervangt.
5.30.
Voor dit kwaliteitscriterium heeft [eiseres] een “Voldoende” gescoord, omdat zij volgens de beoordelingscommissie enige meerwaarde heeft aangetoond. Naast de positieve punten bevat de motivering van de gunningsbeslissing 19 aandachtspunten, die [eiseres] grotendeels onweersproken heeft gelaten. Zij heeft tegen drie aandachtspunten bezwaar gemaakt.
5.31.
Ten eerste komt [eiseres] op tegen het volgende aandachtspunt:

De gevel heeft weinig ritmiek en oogt als gestapelde modulebouw, wat niet in lijn is met de visie uit het Ambitiedocument. Dit geldt tevens voor de gevelmaterialisatie. De combinatie van diverse materialen en kleuren zorgt voor een onrustig beeld. Bovendien is de gevel niet passend bij de gewenste aansluiting op reeds aanwezige kwaliteiten op de locatie (conform het kavelpaspoort).
5.32.
Volgens [eiseres] is haar ontwerp wel in lijn met het Ambitiedocument en vertoont het sterke gelijkenissen met de gebouwen in het Ambitiedocument zijn weergegeven als gewenste voorbeelden. In de conclusie van antwoord heeft de Staat gemotiveerd verweer gevoerd en gewezen op verschillen in materiaalkeuze, (gevel)ritmiek, repetitie en kleurgebruik. De Staat heeft hierbij gewezen op de volgende afbeelding, met links een gebouw uit het ambitiedocument en rechts een afbeelding uit de inschrijving van [eiseres].
5.33.
Ter zitting heeft [eiseres] herhaald dat haar ontwerp wel in lijn zou zijn met het Ambitiedocument, omdat haar ontwerp ook repetitie en ritmiek zou hebben en het kleurgebruik zelfs minder contrasterend zou zijn dan dat in het Ambitiedocument. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft [eiseres] onvoldoende aannemelijk gemaakt dat haar ontwerp ondanks de door de Staat aangetoonde verschillen toch zodanig in lijn is met het Ambitiedocument dat het door de beoordelingscommissie gegeven oordeel onbegrijpelijk is.
5.34.
Daarnaast heeft [eiseres] bezwaar gemaakt tegen de volgende twee aandachtspunten van de beoordelingscommissie:

De bewering van een snelle bouwtijd (GC2) contrasteert met de relatief lange uitvoering op locatie zoals weergeven in de planning voor de pilot locatie.”
De vermelding van “warme overdracht” bij GC2 lijkt niet te stroken met de planning, waarin slechts een presentatie is voorzien.
5.35.
Volgens [eiseres] heeft de beoordelingscommissie hiermee de beoordelingskaders van Kwaliteitscriterium 2 en Kwaliteitscriterium 3 met elkaar vermengd. In de conclusie van antwoord heeft de Staat gemotiveerd verweer gevoerd en toegelicht dat de beoordelingscommissie graag een toelichting had gezien van de verschillen tussen de Kwaliteitscriteria 2 en 3. Ter zitting heeft [eiseres] vervolgens erkend dat de gemiddelde doorlooptijd uit Kwaliteitscriterium 2 en de specifieke projectplanning voor Kwaliteitscriterium 3 niet overeenkomen. In haar akte van vermeerdering gronden heeft [eiseres] toegelicht dat dit twee verschillende termijnen betreft en dat de planning voor een concreet project altijd kan afwijken van een gemiddelde doorlooptijd. Dat mag zo zijn, maar dat neemt niet weg dat de beoordelingscommissie gelet op de verschillen een toelichting had mogen verlangen. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter zijn deze aandachtspunten dan ook niet onbegrijpelijk.
Kwaliteitscriterium 4
5.36.
Voor Kwaliteitscriterium 4 (Kwaliteitsborging) werd aan inschrijvers gevraagd om een beschrijving te geven van de procesmatige inrichting om de kwaliteit te borgen. In de Aanbestedingsleidraad staat hierover het volgende:

Aan Inschrijver wordt gevraagd een beschrijving te geven van de procesmatige inrichting om de kwaliteit te borgen ten aanzien van de opgave, waarin tenminste onderstaande aspecten aan bod komen:
-
Hoe Inschrijver de eisenanalyse en het verificatie- en validatieproces (i.r.t. UAV-GC) heeft ingericht en waarborgt dat deze kennis bij haar projectteamleden aanwezig is;
-
Eisenanalyse en uitwerking van het verificatieplan voor 20 significante bovenwettelijke eisen ten behoeve van de ruimte ‘legeringskamer – 1 persoons’ (RU-0002), overeenkomstig de gestelde eisen uit Relatics. Onderdeel van die 20 eisen dienen minimaal 3 eisen te zijn die gerelateerd zijn aan het Ambitiedocument legering;
-
Hoe Inschrijver lessons learned continu meeneemt in het proces om te optimaliseren en de ‘opstartproblemen’ en ervaring uit de Nadere Overeenkomst voor de Pilot locatie meeneemt in de opvolgende Nadere Overeenkomsten.
De beoordelingscommissie zal dit positief waarderen in de mate waarin naar voren komt dat:
-
De eisen systematisch, kwalitatief en herleidbaar geanalyseerd, geverifieerd en gevalideerd worden;
-
De kwaliteit van ontwerp en uitvoering wordt geborgd in alle fasen van de opdracht;
-
De aanpak blijk geeft van het continue optimaliseren;
-
Dit specifiek is toegespitst op het onderhavige project (niet algemeen is);
-
Dit reëel, duidelijk en volledig is
-
Dit op treffende wijze knelpunten en problemen signaleert;
-
Dit adequate oplossingen voor die knelpunten en problemen aandraagt.
5.37.
Voor dit kwaliteitscriterium heeft [eiseres] volgens de beoordelingscommissie geen meerwaarde aangetoond, waardoor dit is beoordeeld als “Neutraal”. Hiertoe heeft de beoordelingscommissie geen positieve punten geformuleerd, maar wel elf aandachtspunten. Tegen vier van deze aandachtspunten heeft [eiseres] bezwaar gemaakt.
5.38.
Het eerste bezwaar van [eiseres] heeft betrekking op het volgende aandachtspunt met betrekking tot het meenemen van de
lessons learned:

Het opnemen van lessons learned in het proces wordt als positief beschouwd, maar
biedt op zichzelf geen meerwaarde. De gekozen invulling, het organiseren van meer
overlegmomenten en evaluaties, leidt eerder tot overbelasting dan tot focus.
5.39.
Het bezwaar van [eiseres] komt erop neer dat het oordeel over de
lessons learnedtegenstrijdig is, omdat het er enerzijds om gevraagd wordt, maar dat volgens de beoordeling het organiseren van overlegmomenten en evaluaties zal leiden tot overbelasting en focusverlies. In de conclusie van antwoord heeft de Staat gemotiveerd verweer gevoerd en nader toegelicht waarom de beoordelingscommissie geen meerwaarde ziet in het voorstel van [eiseres] om een wekelijkse vergadering te beleggen. Hoewel dat wel op haar weg lag, heeft [eiseres] niet toegelicht waarom de door haar voorgestelde werkwijze (met extra overleg bovenop de reeds bestaande overleggen) de enige manier is om
lessons learnedmee te nemen en waarom dit wel een meerwaarde zou moeten hebben. Zonder die nadere toelichting acht de voorzieningenrechter het kritiekpunt van de beoordelingscommissie niet onbegrijpelijk of evident ondeugdelijk.
5.40.
Het andere bezwaren van [eiseres] hebben betrekking op aandachtspunten die zien op de validatie- en verificatiestrategie van [eiseres]. Het gaat om de volgende aandachtspunten:

De uitwerking van de tien bovenwettelijke eisen in het bijgevoegde schema geeft onvoldoende inzicht in het verificatie- en validatieproces. De visualisatie door het gebruik van symbolen en pijlen, maar zonder toelichting of legenda, maakt dat de betekenis van de gebruikte tekens niet te herleiden is.
(...)
De vertaling van eisen vanuit de “eiswasstraat” naar systeemeisen is beperkt en niet SMART geformuleerd. Voorbeelden zoals “gevelelement dient maximale daglichtbeleving te realiseren” of “vloerafwerking moet voldoen aan slipweerstand” missen de noodzakelijke specificiteit en meetbaarheid.
(...)
Er lijkt sprake van verwarring tussen validatie- en verificatiestrategie; deze termen worden door elkaar gebruikt zonder duidelijk onderscheid.
5.41.
In de dagvaarding heeft [eiseres] zich op het standpunt gesteld dat zij de termen validatie- en verificatiestrategie wel consequent heeft gehanteerd en dat de opvatting dat er verwarring zou zijn over deze strategie daarom onjuist zou zijn. In de conclusie van antwoord heeft de Staat verwezen naar een concrete passage uit de inschrijving van [eiseres] waarin validatie en verificatie door elkaar worden gebruikt. [eiseres] heeft dit vervolgens onbesproken gelaten, waardoor niet aannemelijk is dat dit aandachtspunt onbegrijpelijk zou zijn.
5.42.
In de dagvaarding heeft [eiseres] gesteld dat zij de opmerkingen over de ‘eisenwasstraat’ niet kan plaatsen, omdat zij volgens haar daarin juist wel meetbare eisen zou hebben opgenomen en dat zij ook de verificatiemethode zou benoemen. In de conclusie van antwoord heeft de Staat toegelicht dat de eisenanalyse van [eiseres] zich voor de in de dagvaarding aangehaalde eisen beperkt tot het kopiëren van de reeds gestelde norm, maar dat een nadere analyse hoe aan deze eis zal worden voldaan ontbreekt. Volgens de Staat heeft [eiseres] eisen waarvan niet direct een concrete norm is opgenomen onvoldoende uitgewerkt. De Staat heeft hiertoe aangevoerd dat [eiseres] heeft nagelaten om deze eisen zodanig te (her)formuleren dat deze eisen “systematisch, kwalitatief en herleidbaar geanalyseerd, geverifieerd en gevalideerd worden”, zoals uitgevraagd in het (hiervoor in 5.36 weergegeven) beoordelingskader. De Staat heeft hierbij ook voorbeelden gegeven. [eiseres] heeft deze vervolgens onbesproken gelaten, waardoor niet aannemelijk is dat dit aandachtspunt onbegrijpelijk zou zijn. Ter zitting heeft [eiseres] toegelicht dat haar verificatiemethode eruit bestaat dat zij in overleg met de opdrachtgever per eis vaststelt welke verificatiemethode geschikt is om tegelijkertijd te toetsen of daaraan is voldaan. Hiertegenover heeft de Staat aangevoerd dat het als negatief wordt beoordeeld dat de verificatiestrategie eruit bestaat dat de verificatiemethode in overleg met de opdrachtgever wordt bepaald, omdat het juist aan de inschrijver is om een verificatieplan op te stellen. Naar het oordeel van voorzieningenrechter is het niet onbegrijpelijk dat de beoordelingscommissie de voorgestelde verificatiestrategie als weinig concreet heeft beoordeeld.
Kwaliteitscriterium 5
5.43.
Voor Kwaliteitscriterium 5 (Financieel Plan) dienden inschrijvers een Plan van Aanpak in te dienen over het prijsvormingsproces. Hierbij moesten inschrijvers ingaan op transparante en marktconforme prijsvorming, het voorkomen van stapeling in Algemene Kosten (AK) en Winst en Risico (W&R) in het geval van onderaanneming, levering en/of inkoop bij derden, en mogelijke besparingen vanuit
lessons learned.
5.44.
Voor dit kwaliteitscriterium heeft [eiseres] een “Voldoende” gescoord, omdat zij volgens de beoordelingscommissie enige meerwaarde heeft aangetoond. Hiertoe heeft de beoordelingscommissie zeven aandachtpunten gegeven. Tegen twee ervan maakt [eiseres] bezwaar.
5.45.
Het eerste bezwaar van [eiseres] richt zich op het volgende aandachtspunt:

Een onderbouwing ontbreekt hoe en wat Inschrijver met nieuwe partijen
overeenkomt dat dubbele opslagen worden voorkomen.
5.46.
In de dagvaarding heeft [eiseres] gesteld dat zij in haar inschrijving heeft opgenomen dat zij standaardafspraken maakt met nieuwe partners en dat daarin is opgenomen dat AK- en W&R-opslagen expliciet worden besproken. Verder heeft zij gesteld dat zij daarbij heeft verwezen naar concrete cijfers. In de conclusie van antwoord heeft de Staat gesteld dat het niet duidelijk was op welk basispercentage de voorgestelde korting zou worden gegeven en ook niet wat er precies met nieuwe partners wordt afgesproken. [eiseres] heeft vervolgens niet toegelicht waarom het wel duidelijk zou moeten zijn over welk percentage de korting werd berekend en ook niet wat de afspraken inhouden. Daarmee heeft [eiseres] niet aannemelijk gemaakt dat dit aandachtspunt onbegrijpelijk zou zijn.
5.47.
Tot slot heeft [eiseres] bezwaar gemaakt tegen het volgende aandachtspunt:

De inschrijving bevat veel voorwaardelijke formuleringen zoals “kunnen” en “indien mogelijk”. Dit roept twijfel op over de mate van concrete uitvoerbaarheid en of dit nu al wel of niet is opgenomen in de aanbieding. Het plan leest als een papieren werkelijkheid. Dit doet afbreuk aan de door Opdrachtgever gevraagde realistische en concrete aanpak.
5.48.
In de dagvaarding heeft [eiseres] gesteld dat het aantal voorwaardelijke formuleringen in de uitwerking van Kwaliteitscriterium 5 beperkt zou zijn. In de conclusie van antwoord heeft de Staat erop gewezen dat de beoordelingscommissie met dit aandachtspunt tot uitdrukking brengt dat zij het Plan van Aanpak van [eiseres] te algemeen en te weinig concreet heeft bevonden. De Staat heeft daarbij onder meer de volgende formulering uit het Plan van Aanpak van [eiseres] als voorbeeld aangehaald: “
De standaardisatie binnen deze raamovereenkomst, gecombineerd met de geconditioneerde en gestandaardiseerde bouwsystemen van [eiseres], biedt kansen om verder te optimaliseren en kosten te besparen.”. De Staat heeft terecht gesteld dat het voorhouden van een kans op optimaliseren en kostenbesparing moeilijk kan worden aangemerkt als een concreet aanbod. Hoewel het aangehaalde voorbeeld niet letterlijk de door de beoordelingscommissie aangehaalde formuleringen “kunnen” of “indien mogelijk” bevat, heeft [eiseres] niet aannemelijk gemaakt dat het aangehaalde voorbeeld wel een concrete aanpak betreft. Hetzelfde geldt voor een ander door de Staat in de conclusie van antwoord aangehaalde voorbeeld met betrekking tot het leren van ervaringen, die “waar mogelijk” direct worden omgezet in verbeteringen. Al met al heeft [eiseres] niet aannemelijk gemaakt dat dit aandachtspunt evident onjuist of ondeugdelijk is.
Conclusie Kwaliteitscriteria 1 tot en met 5
5.49.
Gelet op het voorgaande heeft [eiseres] niet aannemelijk gemaakt dat de door haar bestreden aandachtspunten berusten op een evident onjuiste beoordeling en dat zij daarom – en nog daargelaten de andere onweersproken gelaten aandachtspunten – voor de Kwaliteitscriteria 1 tot en met 5 een hogere beoordeling had moeten krijgen dan zij heeft gekregen, dan wel dat de beoordeling om een andere reden evident onjuist of ondeugdelijk is. Er bestaat dan ook geen grond voor de door [eiseres] gevorderde intrekking van de gunningsbeslissing en herbeoordeling van de inschrijvingen.
Motivering gunningsbeslissing
5.50.
Op grond van artikel 2.130 Aw 2012 dient de gunningsbeslissing de relevante redenen voor die beslissing te bevatten. Deze beslissing dient zodanig te worden gemotiveerd dat inschrijvers de wijze van beoordeling kunnen toetsen en kunnen controleren of de beoordeling de gunningsbeslissing rechtvaardigt en zij zich erop kunnen beraden of juridische stappen tegen de gunningsbeslissing zinvol zijn. Onder de relevante redenen die de aanbestedende dienst moet verstrekken wordt in ieder geval verstaan de kenmerken en relatieve voordelen van de uitgekozen inschrijving.
5.51.
Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft de Staat de gunningsbeslissing in lijn met artikel 2.130 Aw 2012 voldoende gemotiveerd. Uit de gunningsbeslissing en de toelichting daarop blijkt hoe [eiseres] ten opzichte van de winnende inschrijving heeft gescoord, welke kritiekpunten maken dat zij niet beter heeft gescoord dan zij heeft gedaan en een beschrijving van de relatieve voordelen van de winnende inschrijving. Dit zou voor [eiseres] voldoende moeten zijn om de beoordeling te controleren en zich te beraden op eventuele juridische stappen. Anders dan [eiseres] in haar akte van vermeerdering gronden heeft betoogd, gaat de motiveringsplicht niet zover dat de aanbestedende dienst in alle gevallen ook een toelichting moet geven op de daadwerkelijke kenmerken of voordelen van de winnende inschrijving. [eiseres] heeft niet aannemelijk gemaakt waarom dat in dit geval anders zou moeten zijn. Zo heeft zij over de inschrijving van [tussenkomende partij] ook geen vragen gesteld.
5.52.
Ter zitting heeft [eiseres] gesteld dat de motiveringsverplichting van artikel 2.130 Aw 2012 te beperkt is en dat deze bepaling ruimer zou moeten worden geïnterpreteerd. Nog daargelaten dat [eiseres] onvoldoende concreet heeft gemaakt waaruit die ruimere uitleg in dit geval zou moeten bestaan, ziet de voorzieningenrechter op dit moment geen grond om de Staat tot een uitgebreidere motivering te verplichten.
5.53.
Gelet op het voorgaande ziet de voorzieningenrechter ook op basis van de bezwaren van [eiseres] tegen de motivering van de gunningsbeslissing geen aanleiding voor toewijzing van het gebod tot intrekking van de gunningsbeslissing en herbeoordeling van de inschrijvingen.
Verzoeken op grond van artikel 22 lid 7 Rv Pro en artikel 28 lid 1 aanhef Pro en onder b Rv
5.54.
Het verzoek van [eiseres] om op vijf producties (haar kwaliteitsdocumenten) artikel 22 lid 7 Rv Pro toe te passen wordt afgewezen, zodat de vijf producties geen deel uitmaken van de processtukken in deze zaak. De reden daarvoor is dat de rechter met verzoeken als dat van [eiseres] op de voet van het bepaalde in artikel 22 lid 7 Rv Pro in het algemeen terughoudend zal moeten optreden. Een beroep op geheimhouding van gegevens die voor de procedure relevant zijn, is alleen toewijsbaar als dat vanwege de vertrouwelijke aard van de gegevens noodzakelijk is. De inbreuk op de waarheidsvinding en het fundamentele beginsel van hoor en wederhoor moet tot uitzonderingsgevallen beperkt blijven. [4] [eiseres] heeft onvoldoende duidelijk gemaakt dat zij niet in staat is haar stellingen voldoende te onderbouwen zonder gebruikmaking van de letterlijke inhoud van (vertrouwelijke) passages van de kwaliteitsdocumenten en waarom zij niet kon volstaan met het aanhalen van passages, zoals zij in de dagvaarding en haar pleitnota heeft gedaan. Zij heeft evenmin voldoende toegelicht waarom in dit geval sprake is van bedrijfsvertrouwelijke gegevens. Dat het gaat om (passages uit) haar inschrijving betekent niet zonder meer dat zij die niet hoeft te delen met een tussenkomende partij.
5.55.
Het verzoek van [eiseres] om aan [tussenkomende partij] een bevel op te leggen om geen mededelingen te doen aan derden over gegevens uit de procedure waarover [tussenkomende partij] voorafgaand aan de start van de procedure niet beschikte wordt eveneens afgewezen. Voor oplegging voor een dergelijk bevel als bedoeld in artikel 28 lid 1 aanhef Pro en onder b Rv ziet de voorzieningenrechter geen grond. [eiseres] heeft dit verzoek onderbouwd met (niet meer dan) de vermelding dat zij aanvankelijk niet bereid was aan [tussenkomende partij] een (on)gecensureerde versie van de dagvaarding te verstrekken, maar daarop ten behoeve van een efficiënt procesverloop toch is teruggekomen. Bij gebreke van enige specificatie van feiten in die dagvaarding waarvan [tussenkomende partij] kennis heeft kunnen nemen en de strikt vertrouwelijke aard van die feiten kan aan dit stevige processuele middel (een mededelingsverbod) niet worden toegekomen.
Slotsom en proceskosten
5.56.
De slotsom is dat de vorderingen van [eiseres] worden afgewezen. [eiseres] wordt veroordeeld in de proceskosten (inclusief nakosten) van de Staat en [tussenkomende partij]. De weigering van de Staat om na de gunningsbeslissing een evaluatiegesprek te voeren met [eiseres] geeft geen aanleiding om op dit punt anders te beslissen. Dit had anders kunnen zijn als het verweer van de Staat [eiseres] aanleiding had gegeven, om haar vorderingen in te trekken, maar dat was niet het geval.
5.57.
Omdat de Staat voornemens is de Opdracht definitief te gunnen aan [tussenkomende partij], brengt de afwijzing van de vorderingen van [eiseres] mee dat [tussenkomende partij] geen belang (meer) heeft bij toewijzing van haar vordering, zodat deze wordt afgewezen. [tussenkomende partij] wordt veroordeeld in de kosten van de Staat. Deze kosten worden begroot op nihil, aangezien niet is gebleken dat de Staat als gevolg van de vorderingen van [tussenkomende partij] extra kosten heeft moeten maken.
5.58.
Ondanks de afwijzing van de vordering van [tussenkomende partij], wordt [eiseres] in haar verhouding tot [tussenkomende partij] aangemerkt als de in het ongelijk gestelde partij. Het doel van [tussenkomende partij] was immers om te voorkomen dat de gunningsbeslissing zou worden ingetrokken, welk doel is bereikt. [eiseres] wordt daarom als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten van [tussenkomende partij] veroordeeld.
5.59.
De proceskosten van de Staat worden begroot op:
- griffierecht
714,00
- salaris advocaat
1.177,00
- nakosten
189,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
2.080,00
5.60.
De door de Staat gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
5.61.
De proceskosten van [tussenkomende partij] worden begroot op:
- griffierecht
735,00
- salaris advocaat
1.177,00
- nakosten
189,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
2.101,00

6.De beslissing

De voorzieningenrechter:
6.1.
wijst de vorderingen van [eiseres] en [tussenkomende partij] af;
6.2.
veroordeelt [tussenkomende partij] voor wat betreft de door haar ingestelde vordering in de proceskosten, aan de zijde van de Staat begroot op nihil;
6.3.
veroordeelt [eiseres] in de naar aanleiding van haar vorderingen gemaakte overige proceskosten voor de Staat vastgesteld op € 2.080,00 en voor [tussenkomende partij] vastgesteld op € 2.101,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [eiseres] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend;
6.4.
veroordeelt [eiseres] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over de proceskosten voor de Staat als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald;
6.5.
verklaart dit vonnis wat betreft de proceskostenveroordelingen uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. H.J. Vetter en in het openbaar uitgesproken op 3 maart 2026.
WJ

Voetnoten

1.Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.
2.Aanbestedingsreglement Werken 2016.
3.HR 7 december 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW9231.
4.Zie TK 2019-2020, 35 498, nr. 3, pagina 33.